Onverdeelde Winst en de Verwerking van Negatieve Deelnemingen in Consolidatie

Wanneer een deelneming een negatief eigen vermogen heeft, is de moedermaatschappij in principe verplicht om hiervoor een voorziening te vormen. Een uitzondering hierop is de situatie waarin de moedermaatschappij geen feitelijke verplichting heeft om de deelneming te ondersteunen bij het voldoen aan haar schulden. In dat geval hoeft er geen voorziening gevormd te worden.

De werkmaatschappij heeft een negatief vermogen van -20.000 euro, maar in de holding is deze gewaardeerd tegen 0 euro. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat het geconsolideerde Eigen Vermogen -20.000 euro lager is dan het Eigen Vermogen van de Holding. Dit komt door het negatieve vermogen in de werkmaatschappij waarvoor geen voorziening is gevormd in de holding.

Met behulp van een standaard eliminatiepost wordt dit verschil verwerkt in de onverdeelde winst. In de holding wordt dit -1.000 euro, en in de consolidatie -21.000 euro. Als het verschil niet in de onverdeelde winst, maar bijvoorbeeld in de Overige reserves moet worden opgenomen, kan de eliminatiepost aangepast worden. De consolidatiestaat wordt dan als volgt:

In deze aangepaste situatie is het geconsolideerde onverdeelde resultaat weer gelijk aan dat van de holding. De geconsolideerde overige reserves zijn echter 20.000 euro lager dan in de holding.

Complexere Scenario's met Meerdere Deelnemingen

De situatie wordt complexer indien er een tweede werkmaatschappij is met een positief eigen vermogen, of waarvan de moedermaatschappij wel aansprakelijk is voor de schulden. Ook hier is te zien dat het geconsolideerde Eigen Vermogen -20.000 euro lager is dan het Eigen Vermogen van de Holding, wederom als gevolg van het negatieve vermogen in de werkmaatschappij waarvoor geen voorziening is gevormd in de holding.

Dit verschil wordt verwerkt in de onverdeelde winst: 14.000 euro in de Holding, en -6.000 euro in de consolidatie. Het geconsolideerde resultaat is 50.000 euro lager dan het resultaat van de Holding. Dit komt doordat het resultaat van Werkmaatschappij I B.V. niet als resultaat deelneming wordt geboekt in de Holding, omdat de Holding niet aansprakelijk is voor de schulden van Werkmaatschappij I B.V. Het verlies van de werkmaatschappij wordt alleen opgenomen als resultaat deelneming voor zover de werkmaatschappij nog een positieve waarde op de balans van de Holding heeft.

Aanpassing van Eliminatieposten

Tot dusver is de werking hetzelfde als in de eerste situatie. Echter, als het negatieve vermogen van de deelneming niet bij het onverdeeld resultaat verwerkt moet worden (maar bijvoorbeeld bij de overige reserves), biedt de werkwijze van de eerste situatie niet de gewenste oplossing. Daar kon het vinkje 'Saldo wegboeken op' gebruikt worden. In deze situatie zal dat niet werken, omdat dan ook het resultaat deelneming wordt verwerkt in de overige reserves.

De oplossing hiervoor is het splitsen van de eliminatiepost in twee verschillende eliminatieposten. In de standaard journaalpost dient het vinkje 'Saldo wegboeken op' weer aangezet te worden en selecteert men de gewenste rubriek, bijvoorbeeld 'Overige reserves'. Daarna verwijdert men de regel 'Resultaat deelnemingen'. De onverdeelde winst van de Holding sluit dan aan met de geconsolideerde onverdeelde winst. Het negatieve vermogen van de werkmaatschappij is nu verwerkt onder de Overige reserves (geconsolideerde waarde -20.000 euro, in de Holding 0 euro). De consolidatiestaat van de winst-en-verliesrekening blijft na deze aanpassing hetzelfde.

Waardering en Reserves in Specifieke Contexten

Verenigingsgebouwen, pastorieën en overige gebouwen worden gewaardeerd op WOZ-waarde. Landerijen worden gewaardeerd op 60% van de fiscale waarde (verpachte gronden Box 3) 2024, zoals bekend gemaakt door de Belastingdienst.

Ongerealiseerde herwaarderingen worden verwerkt in een herwaarderingsreserve. Met ingang van 2024 worden herwaarderingen direct in de herwaarderingsreserve binnen het eigen vermogen verwerkt en mag dit niet meer via het resultaat verwerkt worden.

Groot onderhoud aan gebouwen wordt gefinancierd door middel van een onderhoudsvoorziening. Deze voorziening betreft een kostenegalisatievoorziening, wat inhoudt dat de jaarlijkse dotatie constant is, met uitzondering van een inflatiecorrectie.

Indien SIM-subsidies worden ontvangen voor onderhoud aan een monumentaal pand, wordt de toegekende subsidie gelijkelijk verdeeld over de subsidieperiode. Bij een subsidieperiode van 6 jaar wordt dus 1/6e deel van het toegekende bedrag verantwoord als subsidiebate, ongeacht de uitbetaling. Voor hetzelfde bedrag wordt ook gedoteerd aan de onderhoudsvoorziening.

Financiële Vaste Activa en Effecten

Financiële vaste activa bevatten spaarcontracten en deposito’s die voor langer dan één jaar na balansdatum vaststaan, evenals verstrekte leningen. Financiële vaste activa omvatten tevens stichtingen waarin het college de (overwegende) zeggenschap heeft.

Effecten worden gewaardeerd op beurswaarde. Afhankelijk van het beleid van het college kan de verwerkingswijze van de (ongerealiseerde) koersresultaten aangepast worden. Met ingang van boekjaar 2024 bestaat de mogelijkheid om (ongerealiseerde) koersresultaten direct in een reserve koersverschillen binnen het eigen vermogen te verwerken en niet meer via de staat van baten en lasten.

Wijkreserves en Collectebonnen

Met ingang van 2024 is het mogelijk binnen de algemene reserve de wijkreserves zichtbaar te maken. Voorheen dienden voor wijkreserves aparte bestemmingsreserves gevormd te worden.

Aangekochte collectebonnen en -munten die nog niet zijn ingeleverd, worden gepassiveerd op de balans. De huidige ontwikkeling is dat veel gemeenten overgaan op een kerkapp.

Controleverklaringen en Jaarrekeningen

Colleges die op basis van de groottecriteria classificeren als ‘groot’ zijn met ingang van boekjaar 2025 verplicht om een beoordelingsverklaring of controleverklaring van een accountant te overleggen aan het CCBB.

De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) heeft de richtlijn controle jaarverslaggeving geactualiseerd. De intervallen die bepalen in welke controlecategorie (micro, klein, middelgroot of groot) een gemeente valt, zijn opnieuw vastgesteld. Door het ontbreken van indexering in voorgaande jaren, stijgt deze dit jaar met 18%. De verwachting is dat de reguliere indexering vanaf nu jaarlijks 3 tot 4 procent zal bedragen. Daarnaast is artikel 2 van de richtlijn controle jaarverslaggeving PKN aangepast om de jaarlijkse indexering officieel vast te leggen.

Ook de verwerking van koersverschillen en herwaarderingen in FRIS is gewijzigd. Van de inkomsten uit het kerkrentmeesterlijk quotum wordt het landelijk werk van de kerk betaald. Binnen FRIS wordt automatisch met de relevante gegevens een quotumopgave gegenereerd. Zodra de jaarrekening ingediend is in FRIS, worden deze gegevens doorgegeven aan de quotumadministratie. In december krijgen gemeenten te horen welk quotumbedrag daaruit voortvloeit.

De inkomsten uit het diaconaal quotum zijn bestemd voor diaconaal kerkenwerk. Binnen FRIS wordt automatisch met de relevante gegevens een quotumopgave gegenereerd. Zodra de jaarrekening ingediend is in FRIS, worden deze gegevens doorgegeven aan de quotumadministratie. In december krijgen diaconieën te horen welk quotumbedrag daaruit voortvloeit.

De Oecumenische Beweging: Uitdagingen en Perspectieven

In het protestantse kerkje van Nieuwveen werd op woensdag 26 april een oecumenisch symposium gehouden, georganiseerd vanuit de Protestantse Kerk (PKN) en de Rooms Katholieke Clara Franciscus Federatie, de samenwerkende parochies van de regio. Ds. Arjan Plaisier en de auteur gaven een inleiding over de kracht en de pijn van de oecumene. Ds. Arjan Plaisier benadrukte zijn pleidooi voor oecumene en eenwording van alle christenen, waarbij hij het bisschopsambt en het pausambt niet als onoverkomelijke obstakels zag, mits men openstaat voor elkaar. Hij benadrukte echter ook het belang van het zuiver houden van het christelijk geloof.

Een belangrijk pijnpunt voor veel protestantse christenen is het onvermogen om deel te nemen aan de communie in de katholieke kerk. Dit kwam in de vragenronde naar voren. Hoewel sommige protestanten vaker katholieke kerken bezoeken en ter communie gaan, is de auteur daar geen voorstander van. Dit illustreert de pijn van het gescheiden-zijn, een situatie waaraan hard gewerkt moet worden om te overwinnen.

Er is een verschil in perspectief: de auteur sluit zich aan bij de wens en bede van ds. Plaisier. De avond werd gepresenteerd door ds. Gonja van 't Kruis (PKN) en diaken André van Aarle (RK), en werd opgeluisterd met muziek. Er werd gezamenlijk gebeden en gezongen.

illustratie van een oecumenisch symposium met vertegenwoordigers van verschillende kerken

De Katholieke Benadering van Oecumene

De Rooms Katholieke Kerk heeft in het Tweede Vaticaans Concilie de oecumenische opdracht tot speerpunt gemaakt en de weg van de dialoog gekozen. Onder deze opdracht verstaat de katholieke kerk het herstel van de eenheid tussen alle christenen, aangezien de verdeeldheid van christenen in strijd is met de bedoeling van Christus.

Het concilie raadt aan om eerst de hand in eigen boezem te steken: vernieuwing en hervorming van de kerk en innerlijke omkeer (bekering) staan op de eerste plaats. De eenheid van de Kerk is primair een gave van God, waarvoor gebeden moet worden, ook samen met christenen van andere kerken. Daarnaast is er een menselijk aspect: wederzijds contact en begrip zijn nodig. Er is een oecumenische houding nodig, die vorming vereist om in een verzoenende geest te kunnen spreken en denken.

Vervolgens vindt het gesprek over de inhoud en formulering van het geloof plaats. De katholieke kerk stelt dat er niets zo ver afstaat van de oecumenische beweging als een vals irrenisme; het is dus niet alleen maar zoete broodjes bakken. Deze inhoudelijke dialoog is van groot belang.

De concrete en feitelijke verdeeldheid van de christenen wordt door de katholieke kerk als pijnlijk ervaren. Tegelijkertijd erkent het concilie dat er banden zijn met andere christenen, zoals het doopsel, geloof, de sacramenten en het kerkelijk bestuur. Echter, het meest belangrijke aspect is de vraag of men de Geest bezit en in de liefde volhardt, een aspect dat dwars door alle gemeenschappen heen gaat.

Pijnpunten en Relativisme in de Oecumene

Een eerste pijnpunt is dat lang niet iedereen hetzelfde onder oecumene verstaat. De katholieke kerk is geen lid van de Wereldraad van Kerken, maar wordt sinds 1968 als waarnemer uitgenodigd. Ze is wel in veel landen lid van de nationale en plaatselijke Raad van Kerken.

Kardinaal Jozef Ratzinger (later Paus Benedictus XVI) heeft het relativisme aangeklaagd, dat hij de ware godsdienst van de moderne mens noemde. Relativisme houdt in dit verband in dat men niet zozeer zoekt naar de waarheid, maar meer kijkt naar waar men zichzelf goed bij voelt. De gedachte is dat ieder zijn eigen weg en geloof heeft en dat we ieder in zijn waarde moeten laten. Dit kan leiden tot een subjectieve interpretatie van de Schrift, zonder rekening te houden met de traditionele uitleg binnen de Kerk.

Het claimen de waarheid te bezitten of te kennen wordt verdacht gevonden. De vraag van Pilatus: "Wat is waarheid?", is ook in de gedachten van mensen van onze dagen aanwezig. Als uitgangspunt binnen de oecumene is een zeker relativisme tamelijk gangbaar geworden, een belangrijke reden waarom de verklaring Dominus Iesus op veel kritiek stuitte.

Een concreet voorbeeld hiervan is het aandringen om te kunnen deelnemen aan de heilige communie, of dit zomaar te doen, waarbij iemand die dit niet ziet zitten een negatief stempel krijgt. In de aandrang die vaak op de Rooms-Katholieke Kerk wordt uitgeoefend om bijvoorbeeld dominees en andere protestantse christenen ter communie te laten gaan, komen de theologische, geloofsinhoudelijke vragen nauwelijks aan bod. De pressie ligt meestal meer in de relationele sfeer en de overtuiging dat ieder het zelf mag weten.

Dit is volgens de auteur niet de sfeer en het klimaat van de dialoog. Het uitgangspunt voor de oecumene moet een respect voor elkaars kerk zijn. Een dominee die terughoudend is, wordt juist als respectvol ervaren.

Interne Uitdagingen binnen de Katholieke Kerk

Wat de auteur evenzeer als een pijnpunt ervaart, is dat er in zijn eigen katholieke kerk zo weinig kennis en bewustzijn van het katholieke geloof bestaat. Hij komt weinig katholieken tegen die oprecht en serieus zoeken naar God en naar verdieping van hun geloof. Hij doelt op wat mgr. Gerard de Korte de ‘sprakeloosheid’ van katholieken heeft genoemd, gepaard gaand met gebrek aan interesse in een “spraakles” om die sprakeloosheid te overwinnen.

Een Bijbel- of catechesegroep trekt in een katholieke parochie vaak maar een handjevol mensen. De auteur heeft de indruk dat katholieken hierin oppervlakkiger zijn dan protestanten. Hoewel de teruggang bij protestanten numeriek sterker is, zijn katholieken meer geseculariseerd en onderscheiden zij zich weinig van niet-godsdienstige mensen. Dit leidt soms tot jaloezie jegens de protestanten.

Positieve Ontwikkelingen en Kerkelijke Vernieuwing

Ondanks de geschetste uitdagingen, is er hoop: er is meer dan relativisme, drammerigheid en onwetendheid. Er zijn ook vele prachtige ontwikkelingen; oecumene is nu eenmaal een soort springprocessie: twee stappen vooruit, één achteruit. Maar er wordt wel vooruitgang geboekt.

De auteur is er persoonlijk niet op gebrand dat protestanten allerlei gebruiken uit de katholieke kerk overnemen, zoals stola’s, albes, olie, kaarsen, wierook en andere zaken. Als het gaat om een nabootsing van sacramenten, zoals bij een ziekenzalving, is hij daar zelfs bepaald niet gelukkig mee. Volgens hem zit groeien naar eenheid niet in het overnemen van gebruiken en riten, los van de sacramententheologie, de kerkleer en het geloof die daarmee verbonden zijn.

Hij vond het wel verrassend en sympathiek dat een reformatorische jongen als Tijs van den Brink een Heilig Hartbeeld in zijn programma gebruikt en eens inlevend aan een vrouwelijke gesprekspartner vroeg of zij het al eens met Maria had geprobeerd toen deze vrouw bekende het moeilijk te vinden om tot God de Vader te bidden.

Diaken André van Aarle attendeerde de auteur op een theologenblog van Wim de Bruin in het Reformatorisch Dagblad. De Bruin keert zich tegen een zogeheten ‘lage sacramententheologie’, die nogal ‘doenerig’ is. Hij pleit voor een ‘hogere sacramententheologie’, die voor de bediening van het avondmaal vasthoudt aan een ambtsdrager die Christus vertegenwoordigt. In zijn blog komt duidelijk naar voren dat minder het leren in een dienst als wel het vieren in Gods tegenwoordigheid voor hem voorop is komen te staan.

Dit is iets dat de auteur herkent. Er is meer gevoeligheid gekomen voor de aanwezigheid van God, voor de betekenis van de sacramenten in deze zin, voor het feit dat niet alles in woorden kan worden uitgezegd en afgemeten, maar dat de ervaring van Gods tegenwoordigheid ons vaak meer te zeggen heeft dan duizend woorden. De Gemeenschap van Taizé lijkt hierin ook een plaats te hebben. Door Taizé komen jonge mensen anders een kerk binnen.

Aan de andere kant moet met treurnis geconstateerd worden dat dit besef bij vele in de kerk koffie drinkende katholieken tamelijk is verdwenen. Niet zelden treft men in de eigen kerkgemeenschap weinig sacramenteel geloofsleven aan. Inderdaad lijkt het koffie drinken na afloop van de viering - het ‘achtste sacrament’ wordt het ook wel genoemd - soms het belangrijkste te zijn. Met name in sommige vergrijsde gemeenschappen is het accent komen te liggen op het gezellig samenzijn, waardoor nieuwe mensen eigenlijk ook niet welkom meer zijn. Dit is kerk-wij-samen in de minst gelukkige betekenis van die uitdrukking.

Historische Context van Oecumenische Betrekkingen

De katholieke kerk is eigenlijk altijd wel oecumenisch geweest, maar die oecumene beperkte zich lange tijd tot de oosterse kerken. Met hen zijn herenigingsconcilies gehouden in Lyon (1274) en Florence (1439) die misschien niet erg succesvol waren, maar wel een uiting zijn van oecumenisch gesprek.

De protestantse christenen werden door de katholieke kerk lang benaderd zoals paus Pius IX deed aan de vooravond van het eerste Vaticaans Concilie: Laten degenen die de eenheid en de waarheid van de katholieke kerk niet bezitten de gelegenheid van dit concilie aangrijpen om zich te ontrukken aan een toestand waarin zij van hun heil niet zeker kunnen zijn.

Die houding is er nu zeker niet meer, maar een verschil in benadering is gebleven tot op de huidige dag. Zo publiceerde paus Johannes Paulus II enkele weken voor de encycliek Ut unum sint (25 mei 1995) een Apostolische Brief Orientale lumen (2 mei 1995) over de relatie met de oosterse kerken, met daarin enkele concrete voorstellen voor een proces van eenwording.

Dit verschil in benadering heeft te maken met het feit dat de katholieke kerk de Oosterse kerk met een iets ander oog bekijkt dan het westers protestantisme, zoals ook blijkt uit het conciliedocument Unitatis Redintegratio, dat onderscheid maakt tussen beide groepen christenen door aan beiden een eigen hoofdstuk te wijden.

Verschillen in Kerkbegrip

De Oosterse Kerken worden door het Tweede Vaticaans Concilie echte Kerken genoemd omdat zij de apostolische successie - het doorgeven van het bisschopsambt door handoplegging en gebed vanaf de tijd van de apostelen - hebben en alle zeven sacramenten kennen en deze - naar katholieke opvatting - geldig vieren. Protestantse gemeenschappen worden daarentegen kerkelijke gemeenschappen genoemd, omdat zij veel positieve trekken van kerk-zijn hebben (de term ‘kerkelijke gemeenschappen’ is allereerst uitdrukking van een positieve benadering van deze gemeenschappen), maar het bisschopsambt en wat katholieken zien als de volledige gestalte van het Eucharistisch mysterie, niet kennen.

De katholieke Kerk heeft dus in het Tweede Vaticaans Concilie eenduidig de weg van de dialoog gekozen. Met allerlei kerken en gemeenschappen is “Rome” (of nauwkeuriger gezegd: de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Eenheid van de Christenen) dialoogprocessen aangegaan. In het algemeen kan gezegd worden: hoe ouder een kerk waarmee door die Pauselijke Raad zo’n dialoog is gevoerd, hoe groter het resultaat.

schematische weergave van de oecumenische beweging en de verschillende kerken

Kritiek op de Protestantse Kerk in Nederland (PKN)

De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) verkeert al sinds haar ontstaan in een identiteitscrisis. Toen in januari van dit jaar de discussie rond de Nashville-verklaring losbarstte, waren vertegenwoordigers van de kerken er als de kippen bij om de verklaring te veroordelen, of zich er tenminste van te distantiëren. Binnen enkele dagen liet de kerk zich meeslepen in een mediahype.

Een vergelijkbare dynamiek was merkbaar rond de mogelijke uitzetting van het Armeense gezin Tamrazyan. Vertegenwoordigers van de Protestantse kerk associeerden zich opzichtig met deze actie. Op het eerste gezicht niets mis mee. Enige tijd daarvoor kwam ik regelmatig in het uitzetcentrum bij de luchthaven in Rotterdam. Daar werkte ook een predikant in dienst van de PKN. Emotioneel zeer belastend werk. Elke week een kerkdienst met mensen waarvan je niet wist of ze er de week daarna nog zouden zijn. Ik ging er van uit dat de kerkleiding wel erg geïnteresseerd zou zijn in dat werk. Tot mijn verbazing was dat niet het geval. De kerk belde nooit om te informeren naar het welzijn van deze predikant of van de christenen die daar op uitzetting wachtten.

Naarmate de aandacht voor het Armeense gezin groter werd en de actie langer duurde, groeide ook het contrast met de desinteresse voor het uitzetcentrum en de situatie van christenen in de islamitische wereld. Christenvervolging is in de PKN, net als in de samenleving, een rechts thema geworden.

Klimaatmars en Antichristelijke Elementen

Het afgelopen weekend bereikte het protestantse progressivisme een voorlopig hoogtepunt. Met een zelden vertoonde geloofsijver maakte de PKN bekend zich aan te sluiten bij de klimaatmars van 10 maart. Opnieuw: op het eerste gezicht een goed doel. Maar wie zich serieus verdiept in de ideologische achtergronden van de klimaatlobby, moet op zijn minst concluderen dat een kerk hier nooit onverdeeld in mee kan gaan.

Wie overweegt klimaatscepticus te worden, kan het boek De staat van het klimaat van Marcel Crok worden aanbevolen. Een onderwerp dat Crok niet bespreekt, maar wat juist de kerken ter harte zou moeten gaan, is de levensbeschouwelijke achtergrond van de hedendaagse klimaatbeweging. Daar zitten onmiskenbaar antichristelijke en anti-humanistische elementen in. Met name de Amerikaanse klimaatwetenschapper Tim Ball benadrukt hoezeer de klimaatbeweging voortkomt uit het denken van Thomas Malthus. Volgens Malthus was de menselijke soort de grootste bedreiging voor het voortbestaan van de planeet. Dit verklaart ook waarom bijvoorbeeld het stimuleren van geboortebeperking en abortus hoog op de agenda staan van de linkse milieubeweging.

Een sprekend voorbeeld hiervan is John Holdren. In de jaren 70 behoorde hij tot de radicale neo-malthusianen van de Club van Rome. In het boek Ecoscience uit 1977 pleitte hij bijvoorbeeld voor gedwongen sterilisatie en abortus. In 2009 werd hij de belangrijkste adviseur over milieuzaken van president Obama en was hij nauw betrokken bij het IPCC-klimaatpanel. De hedendaagse klimaatbeweging is doortrokken van dergelijk radicalisme en de kerk zou er goed aan doen hiervan de nodige afstand te bewaren.

Het tegenovergestelde gebeurt. Een heel ander probleem is dat het doemdenken over het klimaat politiek functioneert als een ‘shock doctrine’. Het geeft overheden carte blanche om zeer diep in te grijpen in de economie, de samenleving en in de manier waarop mensen hun leven vorm willen geven. Burgerlijke vrijheden staan onder druk als een overheid het tot haar taak gaat rekenen om de planeet van de ondergang te redden.

De kerk gaat kritiekloos mee in een zeer dubieus maatschappelijk en politiek programma. En voor zover het nog niet duidelijk was dat de klimaatbeweging een quasi-religie is die inspeelt op ondergangsgevoelens, doet ze er nog een schepje bovenop. Met dergelijke rijmelarij wordt christelijk denken over het einde der tijden, kritiekloos vermengd met seculier klimaatactivisme.

Uit onderzoeken blijkt keer op keer dat de kerken laag scoren op betrouwbaarheid. Ze doen het nog minder dan de politiek en de journalistiek.

Onverdeelde Winst: Definitie en Besteding

De onverdeelde winst is het verschil tussen de winst die tijdens het boekjaar werd gemaakt en de vennootschapsbelasting. De winst kan in de eerste plaats gebruikt worden om een reserve aan te leggen. Er wordt dan een deel van de winst ingehouden om een algemene reserve aan te leggen en het eigen vermogen van de onderneming te versterken. Deze algemene reserve kan noodzakelijk zijn om de uitvoering van verbintenissen te garanderen, toekomstige investeringen te kunnen doen, potentiële economische tegenslagen op te vangen enzovoort.

De winst die niet in de onderneming wordt gehouden, vloeit door naar de aandeelhouders. In het verleden was een hoog dividend voor investeerders een belangrijke incentive, maar tegenwoordig zien investeerders het vaker als een extraatje in afwachting van gunstige koerswinsten.

Bij het uitkeren van dividenden moet er dividendbelasting worden ingehouden. De onderneming moet de dividendbelasting aan de bron inhouden en aan de schatkist doorstorten. De aandeelhouder hoeft er dan via de belastingaangifte niet opnieuw belastingen op te betalen. Momenteel bedraagt de dividendbelasting 15%. De onderneming moet binnen een termijn van één maand na de dag waarop het dividend beschikbaar is gesteld aangifte doen. Dit is meteen ook de deadline waarop de ingehouden dividendbelasting moet zijn doorgestort.

Voorbeeld: Snackbar Brad Pita B.V.

Snackbar Brad Pita B.V. heeft een onverdeelde winst van 50.000 euro. De algemene vergadering van aandeelhouders beslist dat de helft daarvan in de onderneming moet blijven. De helft van de onverdeelde winst is nog niet verdeeld en stroomt door naar de aandeelhouders in de vorm van een dividend. Hierop moet wel 15% dividendbelasting worden ingehouden, of 3.750 euro. Het restant, 21.250 euro, wordt effectief aan de aandeelhouders overgemaakt.

tags: #onverdeeld #resultaat #niet #nul #pkn