De Geschiedenis en Ontwikkeling van Zingen in Kerkelijke Gemeenschappen

Met tweeduizend jaar kerkgeschiedenis is het niet verwonderlijk dat er allerlei manieren van zingen zijn ontstaan. Muziek in de kerk is nooit helemaal zonder discussie geweest. Zo werd in de eerste eeuwen vooral a capella gezongen; zelfs Calvijn was hier voorstander van. Instrumenten werden namelijk geassocieerd met de wereldse liederlijkheid.

We kunnen ons dat misschien niet meer voorstellen, maar de muziek die nu normaal is in evangelische kerken was pakweg 50 jaar geleden nog 'not done'. De muziek die we vandaag de dag gewend zijn, is vaak anders dan de traditionele methoden. Een opmerkelijke praktijk die sommigen tegenkomen, is het zingen op hele noten, ook wel iso-ritmisch genoemd. Dit kan leiden tot een langzaam tempo, waarbij bijvoorbeeld Psalm 119 een aanzienlijke tijdsduur in beslag zou nemen. Het is verbazingwekkend dat sommige groepen vasthouden aan deze manier van zingen, terwijl de Geneefse Psalmen juist geschreven zijn in zowel hele als halve noten. De traditie om de noten gelijk te trekken, haalt de cadens en het ritme eruit. Desondanks vinden sommigen dit juist mooi, omdat het hen dwingt om over elk woord na te denken.

Illustratie van oude muzieknotatie met hele en halve noten

Vormen van Gemeentezang door de Eeuwen Heen

Regel-voor-regel zingen (Liturgische zang)

Vanaf de Reformatie ontstond de gewoonte om liederen regel voor regel te zingen. Een voorzanger of predikant zong een lijn, waarna de gemeente deze herhaalde. Dit was een handige methode, vooral voor ongeletterden. Vanuit Europa, met name Engeland en Schotland, verspreidde deze methode zich via de puriteinen naar Amerika. Zowel de zangleider als de individuele gemeenteleden namen de tijd voor het zingen, wat soms wel een halve minuut per regel kon duren. Later bood dit langzame tempo ook de mogelijkheid tot versiering en verfraaiing van de melodie met extra noten, die spontaan door verschillende zangers konden worden toegevoegd.

A Capella en de Afwijzing van Instrumenten

In de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis was a capella zang de norm. Instrumenten werden geassocieerd met wereldse muziek en werden daarom vermeden. Zelfs invloedrijke figuren zoals Calvijn waren voorstander van deze zangpraktijk.

Zwingli's Standpunt tegen Zingen

Een van de meest opmerkelijke afwijkingen van de zangtraditie was de houding van Zwingli, een Zwitserse reformator. Hij vond zingen niet nodig en schafte het zelfs af in de eredienst, omdat hij het een "te gevaarlijke afleiding tot afgoderij" vond. Dit is des te verwonderlijker omdat hij een hoog opgeleid muzikant was, hoewel zijn interesse wellicht meer lag bij de verfijnde kunstvorm van de polyfonie dan bij gemeentezang. Gelukkig hield deze afschaffing niet lang stand; ruim 60 jaar na zijn overlijden werd het weer toegestaan om te zingen in de Zwingliaanse gemeenten.

De Stille Eredienst van de Quakers

Een van de weinige stromingen waar erediensten zonder zang plaatsvinden, is de zogenaamde stille eredienst van de Quakers. Zij kennen echter ook een 'gewone' eredienst.

'Bowl' Zingen in de Vineyard Beweging

Binnen de Vineyard beweging is er een specifieke manier van zingen ontstaan, ontleend aan Openbaring 5:8. Dit wordt ook wel 'bowl' zingen genoemd, wat verwijst naar de gouden schaal vol wierook (de gebeden van de heiligen) begeleid door een lier. Het idee is dat er geïmproviseerd wordt gezongen op een bestaand lied, als een soort gebed, soms in tongen. Iedereen kan dan door elkaar zingen, vaak op een extatische manier.

Illustratie van de Vier Levende Wezens en de Oudsten uit Openbaring met lieren en schalen

De Ontwikkeling van Psalmen Zingen en de Rol van Calvijn

De Traditie van Psalmen Zingen in Nederland

In kerkelijke gemeenten van 'reformatorische snit' worden nog steeds de psalmen gezongen, vaak 'op hele noten', hoewel sommige gemeenten de ritmische variant hanteren. Deze traditie van ruim 400 jaar is nog steeds springlevend.

Calvijn en het Geneefse Psalter

Met het 'Calvijnjaar 2009' in het vooruitzicht, is het belangrijk stil te staan bij de rol van Calvijn in het zingen van berijmde psalmen. Hoewel de berijming uit 1773 niet veel lijkt op de oorspronkelijke versie van Calvijn, zijn de melodieën grotendeels ongewijzigd gebleven. Het Geneefse Psalter, met zijn 150 psalmmelodieën die grotendeels in Genève zijn ontstaan, verbindt Calvijn, Genève en de psalmen onlosmakelijk met elkaar.

Het Beeld van Calvijn en Muziek

Het beeld dat veel mensen hebben van Calvijn en muziek is niet altijd positief. Waar Luther bekend staat als muziekliefhebber, wordt Calvijn vaak gezien als star en niet kunstzinnig. Dit beeld is echter te ongenuanceerd. Calvijn stond weliswaar minder toe in de eredienst dan Luther, maar had daar zijn redenen voor die niets te maken hadden met vermeende onkunstzinnigheid. Luther kende muziek van het zelf zingen, spelen en componeren, terwijl Calvijn het kende van 'horen zeggen'. Calvijn was vooral een organisator die een belangrijke rol speelde bij het organiseren van de berijming en toonzetting van de psalmen.

Historische Ontwikkeling van de Liturgie bij Calvijn

Om de ontwikkeling van Calvijns liturgie en psalmen zingen te begrijpen, is het nuttig om te kijken naar de liturgieën waarmee hij in aanraking kwam. Na zijn vlucht uit Parijs kwam Calvijn in Straatsburg in aanraking met de liturgie van de Duitssprekende gemeente, waar ruimte was voor gemeentezang. In Bazel trof hij een liturgie aan waarin uitsluitend de prediking centraal stond en gemeentezang nauwelijks voorkwam. Bij zijn aankomst in Genève in 1536 trof hij een vergelijkbare situatie aan, met een beperkte rol voor de gemeente en geen gemeentezang. Calvijn sloot zich aanvankelijk aan bij deze situatie, maar wilde de liturgie verbeteren, met name het aandeel van de gemeente.

Portret van Johannes Calvijn

Calvijn in Straatsburg en de Opkomst van Gemeentezang

Nadat Calvijn in 1538 uit Genève werd gezet, keerde hij terug naar Straatsburg en werd predikant van de Franse vluchtelingengemeente. Hier werd de gemeente betrokken bij de eredienst door het zingen van liederen in de eigen taal. De kerk in Straatsburg was waarschijnlijk een van de eerste gemeenten die gemeentezang in de volkstaal invoerde, geleid door een voorzanger. Componisten als Matthias Greiter en Wolfgang Dachstein zorgden voor de berijming en melodieën. Calvijn zag het zingen tijdens de dienst als van wezenlijk belang.

De Herkomst van het Materiaal voor Psalmen Zingen

Calvijn putte niet uit bestaand materiaal voor de liederen, maar zorgde zelf voor nieuw materiaal. Hij gebruikte bestaande melodieën uit de Duitse gemeente en maakte daar Franse berijmingen bij. Daarnaast maakte hij gebruik van dertien psalmberijmingen van de Franse dichter Clemens Marot. Bij zijn terugkeer in Genève in 1541 wilde Calvijn een complete psalmberijming. Hij haalde Marot naar Genève, maar na diens dood bleef de bundel onvoltooid. Later begon Theodorus Beza, geïnspireerd door de gemeentezang in Genève, met het berijmen van psalmen, wat resulteerde in een samenwerking met Calvijn en de voltooiing van alle 150 psalmen in 1562.

Theorieën over het Ontstaan van Psalmmelodieën

Over het ontstaan van de melodieën van het Geneefse psalter bestaan verschillende theorieën. Eén visie stelt dat de componisten hun materiaal ontleend zouden hebben aan populaire volksliedjes (contrafactentheorie), maar deze zienswijze is achterhaald. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat de melodieën deels afkomstig zijn van het Gregoriaans en Latijnse hymnen, en voor een groot deel nieuw gecomponeerd zijn. Argumenten hiervoor zijn onder andere het eenstemmige karakter, de verwantschap met het Gregoriaans (bv. Psalm 80 en 141), het ontbreken van dansritmes, het gebruik van kerktoonsoorten en het artistieke karakter van de psalmen.

Calvijns Visie op Gemeentezang

Calvijn hechtte veel waarde aan gemeentezang en vond het belangrijk dat er goed materiaal voorhanden was. Hij koos bewust voor liederen die inhoudelijk strookten met Gods Woord, voornamelijk puttend uit de psalmen. Gemeentezang en muziek tijdens de eredienst dienden volgens hem verschillende doelen: de opbouw van de gemeente, openbaar gebed, lofprijzing en dankzegging tot God. De combinatie van tekst en melodie werd als zeer waardevol beschouwd, omdat een gezongen tekst beter onthouden wordt en meer uitwerking heeft.

Illustratie van een oude kerk met een koor

De 'Gezangenkwestie' en de Evolutie van Liederen in de Kerk

Psalmen versus Gezangen

In protestants-christelijke kerken in Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen psalmen (berijmde liederen die rechtstreeks op het Boek der Psalmen zijn gebaseerd) en gezangen (liederen uit andere bronnen). Hoewel sommigen menen dat het zingen van alleen psalmen een typisch Nederlandse gewoonte is, zongen bijvoorbeeld de Schotse en Ierse kerken strikter uitsluitend de 150 psalmen. De Zweedse en Ierse praktijk ging zelfs nog verder dan die van Calvijn en Nederland.

Historische Discussies rond Gezangen

De 'gezangenkwestie', oftewel de discussie over wat er in de eredienst gezongen mag worden, is een thema dat al sinds de Reformatie speelt. Waar Luther het zingen van geestelijke liederen in de eigen taal stimuleerde, was Calvijn strenger en hield hij het bij louter psalmen. In de 16e eeuw bepaalden synodes dat alleen de Datheense berijming van de psalmen gezongen mocht worden, maar dit werd niet altijd nageleefd. Veel gemeenten zongen verschillende hymnes en gezangen naast de psalmen.

De Invoering van Gezangbundels

De eerste officiële gezangbundel van de Nederduits Gereformeerde Kerk, Evangelische Gezangen, verscheen in 1807 en bevatte 192 liederen. Dit was mede aanleiding voor de Afscheiding in 1834, toen Hendrik de Cock zich fel verzette tegen het voorschrift om minstens één lied uit het gezangboek te zingen. In 1869 verscheen de Vervolgbundel op Evangelische Gezangen met nieuwe, meer orthodoxe liederen. In 1938 volgde de Hervormde Bundel, die de breedte van de Nederlandse Hervormde Kerk moest vertegenwoordigen. In 1973 verscheen het Liedboek voor de Kerken, een product van de Samen op Weg-beweging.

Illustratie van een oude kerkelijke liedbundel

Opwekkingsliederen en Hedendaagse Invloeden

De snelle groei van de evangelische beweging in de jaren zeventig en tachtig had grote invloed op de protestantse wereld. Bundels als Opwekkingsliederen werden populair. Hoewel deze liederen aanvankelijk niet altijd tijdens zondagse vieringen werden gezongen, gebeurt dit tegenwoordig steeds vaker. Ook andere instrumenten dan het orgel, zoals piano, gitaar en drumstel, vinden hun weg naar de protestantse eredienst.

Het Nieuwe Liedboek en Diversiteit in Zangpraktijken

In 2013 verscheen het Liedboek - Zingen en bidden in huis en kerk, het resultaat van de samenwerking tussen acht protestantse kerkgenootschappen. Dit liedboek bevat niet alleen liederen, maar ook teksten, gebeden en gedichten die passen bij bijzondere levensmomenten of speciaal voor kinderen bedoeld zijn. Tegenwoordig zijn er gemeenten die de psalmen van Datheen of de berijming uit 1773 zingen, begeleid door orgel, terwijl andere kerken kiezen voor nieuwere berijmingen en liederen. Sommige gemeenten zingen van alles door elkaar, van gregoriaanse melodieën tot Opwekkingsliederen en popnummers.

De Betekenis van Zingen

Ongeacht de verschillende zangbundels, liedboeken en de reacties daarop, één ding is duidelijk: zingen is belangrijk voor een gelovige. De lofzang is nooit verstomd, zowel in Nederland als wereldwijd. Zoals een lied (gezang 393 Liedboek voor de kerken) zingt: "als onze beden zwijgen en hier het daglicht onderduikt, dan doet God elders weer nieuwe zangen opstijgen, ginds waar de nieuwe dag ontluikt." Dit is zowel een belofte als een roeping.

De geboorte van het evangelie — een documentaire van Chicago Stories

tags: #oorsprong #zingen #van #gezangen