De Geschiedenis van de Grote of Sint-Maartenskerk en de Sint-Caeciliakapel in Tiel

De Grote of Sint-Maartenskerk in Tiel, een monumentaal bouwwerk met een rijke geschiedenis, heeft door de eeuwen heen diverse transformaties ondergaan. De oorspronkelijke laatgotische kruiskerk, groots opgezet maar nimmer volledig voltooid, heeft ondanks oorlogsschade en verbouwingen haar indrukwekkende karakter behouden.

Bouwgeschiedenis van de Sint-Maartenskerk

Het bewaard gebleven deel van de kerk omvat het schip, gebouwd tussen 1420 en circa 1430. Dit pseudobasilicale schip werd oorspronkelijk bedekt met een houten tongewelf, rustend op achthoekige bakstenen pijlers. Later, omstreeks 1450, werd de zuidelijke zijbeuk verdubbeld. De zijbeuken zijn voorzien van stergewelven.

In het westelijke deel van de zijbeuk bevindt zich een in 1554 gebouwde doopkapel, gekenmerkt door kruisribgewelven op natuurstenen zuiltjes met versierde schachten. Boven deze doopkapel bevindt zich een met een stergewelf gedekte librije.

Tegen de noorderzijbeuk is een portaal met een puntgevel en een spitsboogvormige ingang geplaatst. Dit portaal wordt afgesloten door een hek met een bekronend tekstbord, omgeven door een gesneden Lodewijk XIV-omlijsting uit het midden van de 18e eeuw.

Het herstel van de zware oorlogsschade aan de kerk werd voltooid in 1966.

Schematische weergave van de architectonische opbouw van de Sint-Maartenskerk, met nadruk op het schip, de zijbeuken en de doopkapel.

De Sint-Caeciliakapel

De Sint-Caeciliakapel, gelegen in Tiel, is vernoemd naar de heilige Caecilia en vormt een laatgotische, eenbeukige kerk. De kapel bestaat uit een vijftiende-eeuws schip en een hoger, vroeg-zestiende-eeuws koor.

Het koor is driezijdig gesloten en overkluisd door een netgewelf, verfraaid met doorhangende, gebeeldhouwde sluitstenen en muurschalken met gebeeldhouwde kraagstenen en kapitelen.

Oorspronkelijk hoorde de kapel bij het voormalige Caeciliaklooster van augustinessen. Dit klooster wordt voor het eerst vermeld in een overeenkomst uit 1494. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog zochten predikheren van het nabijgelegen klooster Westroijen hun toevlucht in het Caeciliaklooster.

Het kloosterterrein besloeg een aanzienlijk gebied. In 1583 en 1612 werden delen van de kloostergronden aangekocht om het erf van het Ambtmanshuis uit te breiden. In 1606 verkeerde het kloostergebouw al in zo'n slechte staat dat herstel niet meer rendabel werd geacht.

De kapel werd in 1633 ingericht voor de hervormde eredienst, met de eerste kerkdienst op 26 september 1634. Na verwoesting in de Tweede Wereldoorlog werd de kapel in 1949 gerestaureerd door monumentenzorg en sindsdien gebruikt door de Lutherse kerk, die in 2004 opging in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).

Een artistieke impressie van het voormalige Caeciliaklooster en de bijbehorende kapel.

Inventaris en Orgel

De inventaris van de Grote of Sint-Maartenskerk omvat diverse waardevolle objecten:

  • Twaalf panelen uit het midden van de 16e eeuw, met medaillons van heiligen omgeven door loofwerk in renaissancestijl. Zes van deze panelen zijn aangebracht tegen de kuip van de moderne, in oude stijl vervaardigde preekstoel.
  • Een koperen lezenaar uit de 17e eeuw.
  • Koperen voorzangers.
  • Een marmeren epitaaf voor Stephanus van Welteren, daterend uit 1709.
  • Zes gesneden rouwborden uit de 18e eeuw.
  • Zerken uit de 15e, 16e en 17e eeuw.

Het orgel, gebouwd in 1854 door C.G.F. Witte voor de Nieuwkerk te Dordrecht, beschikt over een Hoofdwerk, Bovenwerk en een vrij Pedaal. Het is een mechanisch sleepladeorgel.

De Geschiedenis van het Kerkorgel in de Sint-Maartenskerk

Het orgel van de Sint-Maartenskerk heeft een lange en complexe geschiedenis, gekenmerkt door diverse bouwers, reparaties en vernieuwingen.

Er zijn aanwijzingen dat op het zeer oude, in de oorlog verwoeste orgel, putto (engeltjes) aanwezig waren die de predikant konden waarschuwen dat zijn preek niet te lang mocht duren. Hoewel de exacte ouderdom van het vooroorlogse orgel niet na te gaan is, duiden uitgavenposten en contracten in oude stadsrekeningen en het schepenbankarchief op onderhoud en aanpassingen van een bestaand orgel.

In 1629 verkreeg de Nijmeegse orgelmaker Gerardt Kiespenning het Tielse burgerschap voor het onderhoud van het orgel. Opvallend is dat Tielse regenten vaker een beroep deden op orgelbouwers uit het rooms gebleven zuiden, mogelijk om het beheer van het orgel niet uitsluitend bij de protestantse kerkeraad te leggen.

In 1678 herstelde de katholieke "heer van Montfoort" het vervallen orgel in de Sint-Maartenskerk. Een derde van de kosten werd gedragen door de kerk, uit het fonds voor "geestelijke goederen". In 1683 moest de "jonker van Montfoort" opnieuw naar Tiel komen om het orgel en de "blaesbalcken" te repareren, waarvoor hij een "acte van indemniteit" ontving.

Een belangrijke orgelmaker voor Tiel was Matthias Verhofstadt (1677-1731). Deze katholieke orgelbouwer werd in 1718 naar Tiel gehaald om het orgel ingrijpend te vernieuwen. De keuze voor Verhofstadt speelde mogelijk een rol bij het feit dat de kerkvoogdij geen inspraak kreeg bij het maken en onderhouden van het kerkorgel, wat paste in de optiek dat de kerk ondergeschikt was aan het burgerlijk gezag.

Lokale timmerlieden werden ingeschakeld, en het werk werd gekeurd door de Bommelse organist Hendrik de Melville. De Tielse "beeldsnijder Hendrik van de Heuvel" ontving 28 gulden, mogelijk voor het snijden van de engeltjes die op veel orgels van Verhofstadt te vinden zijn. De gehele orgelkast, vervaardigd in Rococostijl, wordt toegeschreven aan een van Verhofstadts leerlingen, Matthijs van Deventer uit Gendt, die in 1735 830 gulden ontving voor de vernieuwing.

In oktober 1749 kwam Johan Warner uit Ubbergen overeen het orgel voor 400 gulden in orde te maken, maar de kosten liepen uit de hand. Organist Willem Ulrich kreeg een berisping en het stadsbestuur legde vast dat alleen schepen Van Lidth de Jeude zich nog met het orgel mocht bemoeien.

Matthias de Crane uit Culemborg werkte in 1768 voor 418 gulden aan het orgel, waarbij hij 66 dagen aan het orgel besteedde en kosten voor koperdraad en ingrediënten in rekening bracht. Hoewel uit elders gebouwde orgels van deze mannen blijkt dat er in hun tijd al engeltjes (putto) op het orgel stonden, is het bewijs dat deze vanuit de toren bewogen konden worden, niet gevonden in de oude stukken.

De Verordening tegen Lange Preken en de Engeltjes van het Orgel

De verhoudingen tussen het kerkbestuur en het stadsbestuur waren ronduit slecht. Decennia lang drong het kerkbestuur aan op een extra predikant, terwijl het stadsbestuur weigerde hiervoor geld beschikbaar te stellen. De regenten ergerden zich aan de lengte van de preken.

Na herhaaldelijke pogingen om predikanten te waarschuwen, werd in april 1774 een verordening vastgesteld die een boete van 30 gulden oplegde aan predikanten die te lang preekten. Deze regeling gold ook voor invallende predikanten uit de omgeving.

Pas in 1903 vroeg de kerkelijke commissie van de Hervormde Gemeente vergunning om het uur- en slagwerk van de toren weer te verbinden met het uurwerk en de engeltjes in de Grote Kerk. Horlogemaker en klokkenist G. van Soelen diende een tekening in voor de vernieuwing van een oud transmissiesysteem dat het torenuurwerk verbond met de klok op het orgel en de engeltjes. Het plan werd op 9 mei 1903 behandeld en goedgekeurd door de gemeenteraad.

Na deze goedkeuring lijken de bronnen te zwijgen, totdat de raad op 27 november 1946 besloot de vergunning in te trekken. Er is verder geen bewijs gevonden van de daadwerkelijke werking van de engeltjes.

De Sint Walburgkerk

De Sint Walburgkerk, later gebouwd dan de Sint-Maartenskerk, heeft een geschiedenis die teruggaat tot de 9e eeuw. Volgens de Tielse Kroniek bouwde graaf Waltger, broer van graaf Dirk de Eerste, een rijke kerk op het Kalverbos. Deze kerk werd in 950 geschonken aan de kerk van Utrecht.

De kerk werd verwoest door de Noormannen, die kostbaarheden en misgewaden stalen. Na het vertrek van de nonnen vestigden zich er reguliere kanunniken. Bisschop Adelbold stichtte een kapittel van seculiere kanunniken.

In 1315 werden de kanunniken overgeplaatst naar Arnhem. In 1346, tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten, vluchtten 145 mensen de toren van de Sint Walburgkerk in, waarop de aanvallers de toren in brand staken. De brand sloeg over naar de kerk, waarbij het kruiswerk en het loden dak verbrandden.

De herbouw begon op 3 februari 1400 onder leiding van commandeur Barnierus van Opbueren en duurde drie jaar. In 1420 bleven de Sint Walburgkerk en de Sint-Maartenskerk gespaard van een grote stadsbrand.

In 1354 werd de zwaar vervallen kerk herbouwd en versierd met glas-in-loodramen door Hertog Karel. Na de Reformatie in 1578 werden katholieke erediensten verboden, maar mogelijk werden er in de Sint Walburgkerk in stilte gebedsdiensten gehouden.

Begin 17e eeuw verdwenen beelden en familie wapenborden uit de kerk. Tijdens de Franse overheersing was de kerk verwaarloosd en deels ingestort. In 1679 onderhandelde het stadsbestuur met de Duitse Orde over afbraak.

Illustratie van de Sint Walburgkerk in zijn vroegste vorm, zoals beschreven in de Tielse Kroniek.

De Dominicuskerk

De Dominicuskerk in Tiel werd gebouwd in 1861, maar brandde op 8 juli 1938 volledig af.

Na de Reformatie was het beleven van de Rooms-Katholieke godsdienst in het openbare leven verboden. In 1601 werd Jacob Mom, de rooms-katholieke ambtman van het land van Maas en Waal, betrapt op het verbergen van priesters. Na 16 jaar mochten er weer priesters in Tiel komen.

In 1631 kreeg Van Beers toestemming om zich als pastoor te Tiel te vestigen. De mensen die hun oude geloof trouw bleven, kwamen meestal uit de arme onderlaag van de bevolking en werden achtergesteld ten opzichte van het calvinistische deel.

Dominicaanse priesters hielden in het geheim hun godsdiensten. Prins Maurits legde het stadsbestuur strenge regels op; Rooms-Katholieken werden gezien als aanhangers van Spanje en moesten de stad verlaten.

Luitgarda van Lienden (1639-1722) stelde haar huis beschikbaar voor huisdiensten voor katholieken. Toen de Fransen Tiel in 1672 bezetten, kregen de Rooms-Katholieken de Sint-Maartenskerk ter beschikking, wat echter slechts 20 maanden duurde.

Ondanks waarschuwingen van de magistraat, die haar huis beschouwde als een "hoerhuis" en de openlijke belijdenis van het geloof te uitbundig vond, had dit geen gevolgen voor Luitgarda van Lienden. Pater Verdusan had er ook onderdak.

Vrijheid van godsdienst werd in 1579 ingesteld met de Unie van Utrecht. Na de scheiding van kerk en staat in 1796 nam de vrijheid van godsdienst toe. Het aantal Rooms-Katholieken in Tiel groeide aanzienlijk: van 606 in 1798 tot circa 1865 in 1849 en 3395 in 1920. De katholieke arbeidersbeweging was sterk betrokken bij de ontwikkeling van organisaties en intellectuele ontspanning, wat leidde tot de oprichting van een katholiek leesgezelschap na 1880.

In de laatste fase van het huidige kerkgebouw in 1940 werden minder goede materialen gebruikt. In 1945 werd de toren ernstig beschadigd door beschietingen. In 2010 vond een grootscheepse renovatie plaats.

De Afgescheiden Gemeente te Tiel

Het verhaal van de Afgescheiden gemeente te Tiel begon klein in Ommeren met Frans Willem van Dee, die op 18 april 1836 zijn akte van Afscheiding indiende bij de kerkeraad van de Nederlands Hervormde kerk.

Hoewel er vrijheid van godsdienst was sinds 1579, was het zetten van zo'n stap niet eenvoudig. Frans Willem van Dee en zijn zoon Klaas woonden in 1835 al een dienst bij in Opheusden, waar ds. A. Brummelkamp voor zou gaan. De burgemeester gelastte echter dat de vergadering uiteen moest gaan, waarop Brummelkamp antwoordde dat de vergadering in naam van de Koning der koningen niet zou uiteengaan.

Niet alleen in Ommeren waren er Afgescheidenen; ook in het land van Heusden en Altena ontstonden gemeenten die vervolgd werden. De rechtelijke macht van Gorkum deed hierbij niet onder voor de militaire macht.

Vanaf 1848 kwamen er meer Afgescheidenen in Tiel wonen. J.H. Donner, predikant te Ommeren, hield spreekbeurten in Tiel, en er werden leesdiensten gehouden door de brs. Schmitz en Pijsel. Tijdens deze spreekbeurten werd een commissie samengesteld die de naam 'Kerkelijk Fonds' droeg.

Vanaf 1851 werd het mogelijk om gelden in te zamelen voor een obligatielening van 2500 gulden, bestaande uit aandelen van 5... .

De Hervormde Kerk in Drumpt

Uit het archief van de Kerkvoogdij blijkt dat de Hervormde gemeente te Drumpt eind jaren vijftig van de 19e eeuw besloot een nieuwe kerk te laten bouwen. De eerste steenlegging vond plaats op 30 mei 1860 door burgemeester en kerkvoogd A. Van Heemskerk-Brandwijk.

De kerk is gebouwd door aannemer A. Gennisse uit Tiel voor een som van 8.994 gulden. Architect Meerman ontwierp de kerk, waarvoor hij 489,20 gulden ontving, plus een extra declaratie van 260,80 gulden voor "zijn onkosten". Het toezicht tijdens de bouw werd uitgevoerd door ingenieur van Rijkswaterstaat, de heer Waldorp.

De rijkssubsidie werd verstrekt onder de voorwaarde dat de gebouwen ingeschreven zouden zijn in een brandwaarborg-maatschappij, een eis die tot op heden wordt nageleefd.

De vroegere kerk aan de Dorpsstraat is afgebroken. De opbrengst van de verkoop van de materialen kwam ten goede aan de bouw van de nieuwe kerk. Het huidige baarhuisje op het kerkhof is mogelijk gebouwd met materialen van de oude kerk.

Een van de weinige tastbare herinneringen aan de oude kerk is de wapensteen van de familie van Els met het jaartal 1683.

De ingebruikneming van de kerk vond plaats op 22 september 1861. De oude kanselbijbel, gedrukt in 1749, herinnert aan dit moment, met de aantekening: "Deze Bijbel is gegeven door D. den Hartog openbaar onderwijzer, koster en voorzanger van de Hervormde gemeente te Drumpt bij gelegenheid der plegtige Inwijding van dit nieuwe kerkgebouw den 22 september 1861".

Van Rijkswege is een subsidie van 3.500 gulden verstrekt, evenals een gelijk bedrag uit het fonds voor "Noodlijdende kerken en personen van de Algemene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk". De leden van de gemeente brachten 1.000 gulden bij elkaar.

In 1874 plaatste orgelbouwer K.M. van Puffelen uit Zaltbommel het orgel in de kerk. De toren is in beheer bij de Burgerlijke Gemeente Tiel, die ook instaat voor het onderhoud.

Het originele uurwerk uit de toren is in 1954 vervangen en in beheer gegeven van het Openlucht museum te Arnhem. De oorspronkelijke klok uit 1734 is nog aanwezig en dagelijks te horen.

In 2022 is de kerk verbouwd met een nieuwe ingang en een moderne inrichting met nieuwe multimedia mogelijkheden. Achterin de kerkzaal bevindt zich een gedachtenishoek met een quilt.

Foto van de Hervormde Kerk in Drumpt, met nadruk op de neoclassicistische architectuur.

De Grote of Sint-Maartenskerk: Van Voor de Reformatie tot Nu

Vanaf ongeveer het jaar 900 bezat Tiel twee grote kerken: de Sint-Maartenskerk en de Sint Walburgkerk. De Sint Walburgkerk was voor de welgestelde inwoners, terwijl de Sint Maarten de kerk voor het gewone volk was. De Sint Maarten fungeerde niet alleen als religieus centrum, maar ook als het hart van de Tielse gemeenschap, met publieke functies zoals bijeenkomsten van gilden, uitdelen van brood aan armen, en het verspreiden van nieuws via kerkklokken en de preekstoel.

De kerk was het enige stenen gebouw in de stad en bood onderdak bij brand of aanval. De toren diende als uitzichtpunt voor stadswachten en als baken voor schepen. De klokken gaven de tijd aan en waarschuwden voor onheil.

Voor de Reformatie kende de Sint Maarten meer dan twintig zij- of neven altaren, vaak beheerd door gilden ter ere van hun patroonheiligen. De kerk was rijk versierd met heiligenbeelden.

De Reformatie in Tiel

De opkomst van de Reformatie had diverse oorzaken, waaronder misstanden binnen de kerk, weerstand tegen aflatenhandel en de manier waarop kerkelijke regels werden opgelegd. In Tiel kwam de Reformatie laat en langzaam op gang, mede door de contra-reformatie en een terughoudende houding ten opzichte van de reformatoren.

Pas in 1578 ging Tiel over naar het nieuwe geloof. De Sint-Maartenskerk werd ontdaan van haar katholieke inrichting. Beelden en altaren werden verwijderd en verbrand. De kerk bleef echter tot 1580 in gebruik van de Rooms-katholieken, aangezien zij nog de grootste bevolkingsgroep vormden. Na het overlijden van de pastoor in 1580 werd de kerk overgedragen aan hervormde handen en kreeg het zijn eerste predikant.

De gereformeerden moesten hun kerkorganisatie van de grond af opbouwen en gemeenschapstaken overnemen. Het ledenaantal van de "nieuwe kerk" groeide gestaag, mede doordat lidmaatschap van de gereformeerde kerk vereist was voor bijstand en het vervullen van publieke functies.

In tegenstelling tot de onbarmhartige houding van de katholieken ten opzichte van "ketters", was het beleid van de nieuwe heersers milder ten aanzien van andere geloven. Bijna twee jaar na de Franse bezetting in 1672 werd de kerk weer in gebruik gegeven aan de katholieken.

De Bouwgeschiedenis van de Sint Maarten

In 1957 werd besloten de door oorlog beschadigde Sint Maarten te herstellen. Archeologisch onderzoek bracht aan het licht dat de oudste bouwresten uit de negende eeuw dateren. De eenvoudige zaalkerk werd na de Reformatie vele malen uitgebreid.

In januari 1558 bracht een grote storm de spits van de Sint-Maartenskerk naar beneden, wat schade aan het schip veroorzaakte. In 1554 werd in de kerk een museum ingericht voor een schenking van boeken en een zilveren misgewaad.

In 1560 begon de laatste pastoor, Petrus van Teeffelen, aan een grootscheepse uitbreiding om de Sint Maarten de grootste kerk van het Hertogdom Gelre te maken. Dit plan werd met tussenpozen uitgevoerd, maar nooit volledig voltooid. Het half afgebouwde deel werd in de achttiende eeuw gesloopt.

In de eeuwen daarna veranderde er weinig aan het gebouw, hoewel er regelmatig discussies waren over onderhoudskosten tussen het kerkbestuur en de gemeente.

Tijdens de laatste oorlogsjaren werd de kerk ernstig vernield door beschietingen. In 1957 werd besloten de kerk te herstellen, wat in 1964 werd afgerond. De kerk werd verrijkt met een carillon en in 1965 met een orgel afkomstig van de hervormde gemeente Dordrecht.

De Geloofsgemeenschap na de Reformatie

Binnen het nieuwe geloof bleef de eenheid niet lang bestaan. Scheidingen vonden plaats tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten, en later volgden meer afscheidingen. Eind achttiende eeuw ontstond er binnen de Hervormde gemeente in Tiel een scheiding tussen een orthodoxe en een vrijzinnige richting.

Begin 1971 werd voorgesteld de Sint-Maartenskerk te sluiten en de Eben Haëzerkerk te gebruiken, maar dit ging niet door. De actie leidde wel tot de oprichting van de stichting Vrienden van Sint Maarten.

Rond de jaren zeventig ontstond er door de oecumenische beweging toenadering tussen Rooms-Katholieken en Hervormden in Tiel, resulterend in gezamenlijke diensten en samenwerking op maatschappelijk gebied.

In 2004 fuseerden de Gereformeerde, Lutherse en Nederlands Hervormde gemeente in Tiel tot de Protestantse Gemeente Tiel. De Gereformeerde kerk werd afgestoten en is nu in gebruik als Sociaal Plein.

De Hervormde Kerk in Drumpt werd de hoofdkerk, terwijl de Sint Maarten voornamelijk werd gebruikt voor diensten op hoogtijdagen, orgelconcerten, uitvoeringen, herdenkingen en tentoonstellingen.

Vanwege de hoge onderhoudskosten besloot de kerkgemeenschap de kerk te verkopen. Om te voorkomen dat de kerk in verkeerde handen zou vallen, kocht de gemeente Tiel het gebouw aan. De afscheidsdienst had een oecumenisch karakter, met vertegenwoordigers van zowel de protestantse gemeente als de burgerlijke gemeente.

De gemeente Tiel heeft als doel het behoud van dit monument en de invulling van de toekomstige functie van de kerk. Het gebouw is nu bekend als 'De Kerk van het Volk'.

Foto van de Sint-Maartenskerk in Tiel, met nadruk op de imposante architectuur.

tags: #orgel #hervormde #kerk #tiel