Introductie: Een Davidische Psalm met Profetische Diepte
Psalm 110, zoals aangegeven in de Herziene Statenvertaling, is een psalm van David. Echter, zoals de Heer Jezus Zelf bevestigt, gaat deze psalm niet primair over David, maar profeteert hij in de Geest over de Grote Zoon van David, de Christus van God, in de heerlijkheid van de hemel.
In veel Psalmen is David een type van Christus. In deze specifieke psalm, die de verheerlijking van Christus centraal stelt, kan hij geen type zijn. Psalm 110 onderscheidt David zeer duidelijk van Christus, wat wordt benadrukt door de Heer Jezus Zelf in Mattheüs 22:43 om Zijn heerlijkheid als Heer en Zoon te tonen.
De psalm is profetisch van aard, wat wordt onderstreept door de verwijzing in Mattheüs 22. David spreekt hier over "mijn Heere", Adonai, de soevereine Heerser. De Heer Jezus is de Zoon van David als Mens, maar tevens de Heer van David, omdat Hij ook de Zoon van God is. Tegen Hem heeft Jahweh, de HEERE, gezegd plaats te nemen aan Zijn rechterhand.

De Verhoging van Christus: Zitten aan Gods Rechterhand
De uitspraak "De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand" (vers 1) is een goddelijke uitspraak, een orakel. Dit is het antwoord op het gebed van David in Psalm 109, die het lijden van de Heer Jezus op aarde beschrijft. Psalm 110:1 markeert het heden, waarin de Heer reeds bijna 2000 jaar aan Gods rechterhand zit.
De rechterhand is de plaats van eer en macht. De Heer Jezus heeft deze plaats van God ontvangen na het volbrengen van Zijn werk op het kruis, Zijn dood en Zijn opstanding. Sinds Zijn hemelvaart bekleedt Hij deze positie, tot aan Zijn verschijning in heerlijkheid.
Petrus verwijst in zijn toespraak op de Pinksterdag naar dit vers en stelt dat God de Heer Jezus "zowel tot Heer als tot Christus heeft gemaakt" (Handelingen 2:34-36). God schrijft dit toe aan Zichzelf om te tonen hoeveel Hij het werk van Zijn Zoon waardeert en heeft aanvaard. Hoewel de mens Hem veracht en verworpen heeft, is Hij voor God de volmaakt heerlijke, Die Hij de hoogste plaats in de hemel geeft.
Het contrast tussen de plaats die God Hem toekent en die de mens Hem gaf, is immens. De mens verried, verwierp, mishandelde en vermoordde Hem. God echter maakte Hem tot Heer, de Gezaghebber met alle macht in hemel en aarde, en tot Christus, de Drager en Uitdeler van al Zijn beloften.

De Toekomstige Heerschappij: Onderwerping van de Vijanden
Vanaf vers 2 van Psalm 110 richt de profetie zich op de toekomst. De Heer zal verschijnen als de Koning-Priester, de Overwinnaar, die op Zijn eigen troon zal zitten. Er is een "totdat" verbonden aan Zijn plaats van eer aan Gods rechterhand. Er komt een moment waarop Hij die plaats zal verlaten om terug te keren naar de aarde.
Hij zal dan de vijanden van Zijn volk oordelen. Deze vijanden bevinden zich zowel binnen het volk (de antichrist en zijn volgelingen, het ongelovige deel van Israël) als buiten het volk (de Assyriërs onder leiding van de koning van het noorden). Christus zal allen die geweigerd hebben zich te bekeren en zich voortdurend vol haat tegen Hem en Zijn volk hebben gekeerd, als overwonnen vijanden onder Zijn voeten leggen.
Een voetbank symboliseert totale onderwerping (vergelijk Jozua 10:24). Tot dat ogenblik blijft Hij in de heerlijkheid. Het is belangrijk op te merken dat de waarheid van de verbinding tussen Christus en de gemeente in deze psalm niet wordt genoemd. Deze psalm toont Christus in heerlijkheid met direct daarop aansluitend het onderwerpen van Zijn vijanden onder Zijn voeten door God.

Profetie en Vervulling: Van Oude Testament tot Nieuwe Testament
Psalm 110 is een sleuteltekst die zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament wordt aangehaald, wat de profetische diepte ervan benadrukt.
Profetie in het Oude Testament
- "Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn." (2 Samuël 7:16)
- "Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan. Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen, Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde." (Jeremia 23:5)
- "Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn." (Ezechiël 34:23)
- "De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten." (Psalm 110:1)
Vervulling in het Nieuwe Testament
- "Het geslachtsregister van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham." (Mattheüs 1:1)
- "Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om bij u in de gemeenten van deze dingen te getuigen. Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende Morgenster." (Openbaring 22:16)
- "Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon. Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt: De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?" (Mattheüs 22:42-44)
- "Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten." (Handelingen 2:30)
- "Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, Die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort. David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De HEERE heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd zal hebben als een voetbank voor Uw voeten." (Handelingen 2:32-35)
- "De Heere dan is, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand van God." (Markus 16:19)
- "Die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten." (Efeze 1:20)
- "Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd." (1 Korinthe 15:25)
- "Die aan de rechterhand van God is, opgevaren naar de hemel, terwijl de engelen, machten en krachten Hem onderworpen zijn." (1 Petrus 3:22)
Christus als Priester naar de Ordening van Melchizedek
Psalm 110:4 luidt: "De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek." Dit vers wordt in het Nieuwe Testament, met name in de brief aan de Hebreeën, uitvoerig behandeld.
Profetie in het Oude Testament
- "De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek." (Psalm 110:4)
Vervulling in het Nieuwe Testament
- "Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid." (Hebreeën 6:20)
- "Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt. Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek." (Hebreeën 5:5-6)
- "Hij getuigt immers: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek." (Hebreeën 7:17)
De vermelding van Melchizedek, een koning en priester uit de oudheid, benadrukt het unieke en eeuwige priesterschap van Christus. Dit priesterschap staat los van de levitische ordening en is van een hogere, eeuwige orde.
tags: #psalm #110 #herziene #statenvertaling