Verschil tussen Hervormden en Baptisten: Een Verdieping

Baptisten vormen een stroming binnen het protestantisme die zich onderscheidt door het afwijzen van de zuigelingendoop en het voorstaan van de geloofsdoop door onderdompeling. Deze stroming telt wereldwijd ongeveer 100 miljoen christenen (stand 2011) en dankt haar naam aan de dooppraktijk (Grieks: baptizo = dopen).

In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen 'vrije baptisten' en 'Unie-baptisten'. Ruim tachtig plaatselijke baptistengemeenten (stand 2011) zijn verenigd binnen de Unie van Baptistengemeenten in Nederland, kortweg de Baptistenunie. Het baptisme ontstond in 1609 onder Engelse vluchtelingen in Amsterdam. In dat jaar werden vijftig Engelsen, die vanwege geloofsvervolging hun vaderland ontvlucht waren, gedoopt op belijdenis van hun geloof. De eerste Nederlandse baptistengemeente werd gesticht in mei 1845 in het Drentse Gasselternijveen, door een Duitse baptist die een groep gelovigen doopte rond de afgezette Nederlands hervormde predikant dr. J.E. Feisser. In 1905 werd de Wereldbond van Baptisten opgericht.

Het baptisme is een stroming binnen het protestantisme, ontstaan in 1609 onder puriteinse Engelse vluchtelingen in Amsterdam, na contacten met Nederlandse doopsgezinden. Twee Engelse predikanten, John Smyth en Thomas Helwys, worden beschouwd als de stichters. Baptisten verenigen zich in zelfstandige, plaatselijke gemeenten. In de Verenigde Staten vormen de baptisten een van de grootste kerkgenootschappen. In Nederland zijn de meeste gemeenten aangesloten bij de Unie van Baptistengemeenten.

Kenmerkend voor baptisten is de doop na persoonlijke geloofsbekering en de openbare belijdenis van Jezus als Verlosser en Heer. De doop geschiedt door volledige onderdompeling in water. Deze stroming geniet grote aanhang, met name in de Engelstalige wereld. Charles Spurgeon was een bekende baptistenprediker. Binnen het baptisme bestaan diverse stromingen, variërend van vrijzinnig tot orthodox. In de VS is het baptisme een van de grootste christelijke stromingen, mede door de vlucht van veel Europese baptisten naar Amerika.

De eerste Nederlandse baptistengemeente ontstond in Gasselternijveen. Johannes Elias Feisser, predikant in Gasselternijveen, werd op 1 januari 1844 uit zijn ambt gezet vanwege conflicten, onder andere over de kinderdoop. Hierna kwam Feisser in contact met Duitse baptisten in Hamburg. Op 15 mei 1845 liet Feisser zich, samen met enkele volgelingen, in een veenkanaal te Gasselternijveen door de Duitse baptist J. Köbner door middel van onderdompeling dopen. Na deze volwassenendoop werd Feisser voorganger van de eerste Nederlandse baptistengemeente, genaamd 'Gemeente van Gedoopte Christenen'.

In Nederland zijn veel baptistengemeenten aangesloten bij de Unie van Baptistengemeenten. Gemeenten die niet zijn aangesloten, worden onafhankelijke of vrije baptistengemeenten genoemd. Een aantal vrije baptistengemeenten werkt samen in de ABC-gemeenten (Alliantie van Baptisten en CAMA-gemeenten). Er bestaan ook zevendedagsbaptisten, die de eredienst en rustdag op zaterdag (sabbat) houden.

De oorsprong van het baptisme wordt soms teruggevoerd tot de komst van John Smyth in Amsterdam in 1609, maar de eerste gemeenten werden pas enkele jaren later in Londen als baptistengemeenten aangeduid. Het Nederlandse baptisme wordt beschouwd als een 'plant van eigen bodem', zoals kerkhistoricus Wumkes stelde. Amerikaanse baptistenwetenschappers zoals dr. Tom Nettles suggereren een puriteinse en gereformeerde oorsprong. De eerste baptisten waren puriteinen, maar vanaf het begin heeft het baptisme invloeden ondergaan van de doperse en arminiaanse richting. Later kreeg het calvinisme meer ingang, met name door de Westminster Confessie. Tegenwoordig is er binnen het gereformeerde baptisme, vooral in de Verenigde Staten, een tendens naar 'nieuwe orthodoxie'.

Theologische Overeenkomsten en Verschillen

Het verbond is een centraal begrip in de theologie. Het Hebreeuwse woord voor verbond is berīth, in het Nieuwe Testament diathèkè. Vanaf de zestiende eeuw werd er theologisch nagedacht over het verbond, beginnend met Zwingli, die de kinderdoop verdedigde tegenover de wederdopers door te stellen dat kinderen deel uitmaken van Gods verbond. In de lutherse theologie is het verbond nooit een centraal thema geworden; de doop wordt hier beargumenteerd vanuit het idee dat kinderen deel uitmaken van de kerk.

De lutherse theologie benadrukt dat de doop alleen tot zegen kan zijn in combinatie met geloof. De Bijbelse boodschap wordt geplaatst tegen de achtergrond van de zondeval, waarbij de mens als 'kind des toorns' wordt geboren en alleen door verzoening met God en wedergeboorte het Koninkrijk Gods kan binnengaan. Het Evangelie verkondigt de redding door Jezus Christus, die door Zijn bloed de zonden verzoende en de toorn van God droeg. De Heilige Geest verenigt ons met Christus, waardoor het werk van Christus ons deel wordt.

In de gereformeerde theologie wordt de tweeslag Wet en Evangelie verbonden met de tweeslag verbond der werken en verbond der genade. Beide tweeslagen verbinden klassiek gereformeerden en gereformeerde baptisten. Gereformeerde belijdenisgeschriften en het doopformulier gaan ervan uit dat zowel volwassenen als kinderen gedoopt mogen worden. Ouders die hun kinderen laten dopen, doen dit vanuit de overtuiging dat hun kinderen bij Gods verbond en kerk behoren.

De doop roept op tot nieuwe gehoorzaamheid en het doden van de natuur om in een nieuw godzalig leven te wandelen. Zonder bekering als vrucht van het geloof wordt de doop ontheiligd. Baptisten geloven dat kinderen niet minder dan volwassenen bij Gods verbond en kerk behoren. Sommigen, zoals Abraham Kuyper, meenden dat de kinderdoop gegrond moest zijn op de vooronderstelling dat kinderen wedergeboren zijn, hoewel deze vooronderstelling niet altijd juist is.

Het klassieke doop- en avondmaalsformulier gaan uit van de volharding van de heiligen. Het avondmaalsformulier stelt dat deelname aan het avondmaal bevestigt dat men tot het genadeverbond behoort, en dat niets ons kan scheiden van de liefde van God in Christus. Dit betekent echter niet dat alle gedoopte kinderen en avondmaalgangers automatisch deel hebben aan de toezeggingen van Gods verbond en Evangelie. Zij kunnen wel in de kerk zijn, maar niet van de kerk zijn, of wel in het verbond maar niet van het verbond.

Het verbond en de toezegging van het Evangelie worden verzegeld, niet het persoonlijke aandeel erin. Er is een zorgelijke tendens bij sommigen die zich gereformeerd noemen, waarbij de notie ontbreekt dat men wel in het verbond kan zijn, maar nog niet van het verbond. De oproep tot wedergeboorte en bekering, zoals beschreven in Johannes 3:3, lijkt hierbij soms te ontbreken. Het dopen van kinderen wordt gezien als een rijkdom, waarbij gesproken wordt over Christus die zondaren zalig komt maken. Vreugde ontstaat wanneer gedoopte kinderen in de waarheid wandelen, en verdriet wanneer zij hun doop ontheiligen.

De waarschuwing van Paulus in 1 Korintiërs 10:1-11 tegen de gedachte dat de doop of het avondmaal een garantie voor zaligheid is, wordt hierbij in herinnering geroepen. Doop en avondmaal ontvangen hun betekenis vanuit het Evangelie, en deelname aan de zegen ervan vereist het zien op Christus.

Gereformeerde baptisten belijden dat God een God van het verbond is. Zij geloven dat God mensen uit de duisternis tot het licht trekt en hen verzoent door het bloed van Zijn Zoon, niet op grond van eigen werken of verdiensten. Het verschil met de gereformeerde traditie is dat (gereformeerde) baptisten menen dat kinderen niet tot de (zichtbare) kerk behoren. Zij geloven dat men pas tot het verbond en de kerk behoort door een levend geloof in Christus, bekrachtigd door de Heilige Geest. Kinderen kunnen weliswaar jong door de Heilige Geest met Christus verbonden worden, maar tot de zichtbare kerk behoren zij pas na het belijden van hun geloof op volwassen leeftijd, na een onderzoek door predikanten en diakenen.

Theologisch is het bezwaarlijk dat het verbond en de onzichtbare kerk zich buiten de zichtbare kerk kunnen bevinden. De oproep tot zelfonderzoek kan dan ontbreken, ook naar ambtsdragers toe. De boodschap van het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt en van de Geest die ons wederbaart en met Christus mede levend maakt, gaat echter boven de leer van het verbond en de doop uit. Met deze twee laatste zaken staat of valt onze zaligheid.

Sommige predikanten hanteren een ander referentiekader dan de taal van de Statenvertaling, waarbij het beeld van een boerderij (het erf) wordt gebruikt. Als kinderen niet bij de kerk (voorgesteld als boerderij) behoren maar slechts op het erf ervan zijn, mogen zij het teken en zegel van de doop, dat ook een teken van lidmaatschap van Gods kerk is, niet ontvangen.

Voor gereformeerde baptisten is een doopdienst altijd ook een avondmaalsdienst. Nieuwgedoopten gebruiken samen met reeds gedoopten het avondmaal. Er wordt gestreefd naar de band tussen doop en avondmaal, en naar het verlangen dat zij die als kind gedoopt zijn, tot een levend geloof en ware bekering komen. Dit is niet vanzelfsprekend, zoals blijkt uit de prediking van oudtestamentische profeten en Johannes de Doper.

Echt gereformeerde baptisten zijn goed vertegenwoordigd in de Engelssprekende wereld. In Nederland zijn zij nauwelijks te vinden. Zij zien de eerste dag van de week als de nieuwtestamentische sabbat (in lijn met de Westminster Confession), met twee diensten op zondag en vaak ook een doordeweekse dienst. Er zijn echter ook in Nederland christenen die anders tegen de kinderdoop aankijken, maar met wie toch gemeenschap der heiligen mogelijk is vanuit de gemeenschap met Christus.

Historische Oorsprong en Ontwikkeling

Voor de buitenstaander lijken baptisten en doopsgezinden veel op elkaar, omdat zij beiden de geloofsdoop voorstaan. Er is echter een aanmerkelijk verschil: doopsgezinden komen voort uit de radicale tak van de Reformatie rond Zürich in de zestiende eeuw, terwijl baptisten een puriteinse oorsprong hebben. Doopsgezinden waren spiritueler, afkerig van overheid, eed en militaire dienst, terwijl de eerste baptisten in Engeland meevochten in het leger van Cromwell.

Het Nederlandse baptisme kent een andere, niet-puriteinse oorsprong. Het ontstond toen de hervormde predikant dr. Feisser in 1845 uit zijn ambt werd gezet vanwege kritiek op het 'gewoontechristendom'. Hij ontmoette Duitse baptisten, zonder te weten wat dat inhield. Hoewel het baptisme 400 jaar bestaat, is het in Nederland pas 150 jaar aanwezig. De oorsprong wordt wel getraceerd tot John Smyth in Amsterdam in 1609, maar pas later werden de eerste gemeenten baptistengemeenten genoemd.

Dr. Tom Nettles stelt dat de oorsprong van het baptisme een puriteins en gereformeerd karakter droeg. De eerste baptisten waren puriteinen, maar vanaf het begin heeft het baptisme invloeden ondergaan van de doperse en arminiaanse richting. Later kreeg het calvinisme meer ingang, met name door de Westminster Confessie. Tegenwoordig is er bij de opkomst van het gereformeerde baptisme, met name in de Verenigde Staten, een verlangen naar 'nieuwe orthodoxie'.

In Nederland is het baptisme meer evangelicaal dan reformatorisch getint. Feisser was calvinistisch, maar de invloed van Jan de Liefde was ook significant, wat leidde tot de oprichting van evangelistenscholen en het ontstaan van tal van gemeenten. Terwijl Feisser gericht was op de zichtbare gemeente, was De Liefde gericht op het redden van zielen, wat een kenmerkende missionaire insteek voor het Nederlandse baptisme is gebleven.

Het typische van het baptisme is dat men uitgaat van de gemeenschap, waar de Bijbel wordt gelezen. Er is geen normatieve baptistische theologie; men sluit aan bij de traditie en ziet de identiteit in de wijze waarop de gemeente het geloof van God ontvangt en uitdrukt. Baptisten zijn orthodoxer dan Nederlandse doopsgezinden en putten uit de bronnen van de Reformatie, de vroege kerk, het puritanisme en de evangelische opwekkingsbewegingen.

De invloed van de opwekkingsbeweging (zoals de Awakening van Edwards, Wesley en Whitefield) was van grote betekenis voor het baptisme, met name in de achttiende eeuw tijdens een periode van vervlakking en liberalisering. Sindsdien heeft het baptisme een 'scheut' van de opwekkingsbeweging gekregen die nooit meer is verdwenen.

Binnen het wereldwijde baptisme is er ruimte voor calvinistische baptisten zoals Gill, Philpot, Bunyan en Spurgeon. John Gill was de eerste systematische theoloog van de baptisten en schreef het eerste commentaar op de hele Bijbel. De correctie van Andrew Fuller op diens hypercalvinistische gedachtegoed werd echter de algemene lijn. Niet alle orthodoxie onder baptisten is van calvinistische oorsprong. Bij de Zuidelijke Baptisten in Amerika was er in de jaren tachtig van de vorige eeuw een omslag naar een meer fundamentalistische dan calvinistische richting.

Gemeenteleven en Lidmaatschap

Kenmerkend voor het baptisme is de voorstand van de geloofsdoop. Echter, het hart van het baptisme klopt niet primair in de doop, maar in het gemeenteleven. De oorsprong van het baptisme ligt bij een groep gelovigen die een verbond sloten met God en met elkaar. De doop is gemeentevormend: hij verbindt de gelovige aan God én aan de gemeente.

De reformatorische traditie, in navolging van Calvijn, stelt dat een kind door de doop verbonden wordt aan de gemeente en ingelijfd in het Lichaam van Christus, krachtens het verbond. Het probleem met de kinderdoop is dat er geen verankering van wordt gezien in het Nieuwe Testament, daarentegen wel de nadruk op wedergeboorte en bekering die door de doop bezegeld worden.

In de Vroege Kerk werd door vervolging de doop naar een steeds vroeger tijdstip verschoven, uit angst dat kinderen zouden sterven. Steeds meer jonge kinderen namen ook deel aan het avondmaal. Vanuit het puritanisme is de nadruk gelegd op de gemeente als 'zichtbare gemeente' (visible saints), wat leidt tot de 'believers church' en 'believers baptism'.

Het opdragen van kinderen is pas na de Tweede Wereldoorlog echt in gebruik geraakt. Daarvóór bestond de angst dat deze handeling te veel op de kinderdoop zou lijken. Tegenwoordig ziet men een ceremonie rond het opdragen ontstaan, wat zorgelijk kan zijn. Het opdragen van kinderen houdt in dat er gebeden wordt voor de opvoeding van het kind in de dienst van God, en de hoop wordt uitgesproken dat het kind tot persoonlijk geloof mag komen en gedoopt wordt. Dit laatste is echter niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger.

Qua ledenaantal blijven de baptisten redelijk stabiel, met zelfs een lichte groei. Echter, kerkverlaters worden niet altijd geregistreerd, waardoor zij minder in de statistieken terugkomen. Nederlandse baptistengemeenten evangelicaliseren in toenemende mate. Wat erbij komt, is vaak van niet-baptistenhuize, terwijl de oorspronkelijke baptistengemeenten vergrijzen. Nieuwe leden komen vaak uit de Protestantse Kerk of de Nederlands Gereformeerde Kerken.

Baptistengemeenten bevinden zich vaak tussen de PKN en de pinkstergemeenten. Men waardeert het orthodoxe geluid en de prediking en structuur. Er is een brede en diepe traditie die honderd jaar na Calvijn begon. Het thema van het jubileumjaar van 400 jaar baptisme is verbinding, met de opwekkingsbeweging, de zendingsbeweging en het calvinisme.

Verschillen met Hervormden en Andere Stromingen

Hervormden, Gereformeerden en Baptisten vertegenwoordigen verschillende 'filialen' binnen het christendom in Nederland. Hoewel er concurrentie kan zijn, biedt diversiteit juist kansen. Het is belangrijk te realiseren dat mensen verschillend zijn, maar allen naar Gods beeld gemaakt zijn. Het kennen van mensen die anders zijn, vergroot het beeld van God.

Het belangrijkste verschil tussen baptisten en gereformeerden ligt in de opvatting over de doop. Baptisten hanteren de geloofsdoop door onderdompeling, terwijl gereformeerden de kinderdoop praktiseren op basis van de genadeverbondsgedachte. Bij baptisten is de doop vaak een bezegeling van het ware geloof, terwijl bij gereformeerden de doop een bezegeling is van Gods belofte, die persoonlijk geloofd wordt. Vanaf de Reformatie bestaan deze twee stromingen naast elkaar.

Een ander verschil is de nadruk op de keuze van de mens bij de baptisten, wat soms aan het remonstrantisme doet denken. Ook leeft in baptistische kringen vaak de neiging de heiligmaking te benadrukken, waardoor de rechtvaardigmaking van de goddeloze in het gedrang kan komen. Het blijvend zondaar zijn, ook na wedergeboorte en bekering, wordt al te zeer vergeten.

De hervormde en gereformeerde kerken vertegenwoordigen de genadeverbondsgedachte: wie uit christelijke ouders geboren is, hoort er uitwendig bij en wordt als kind gedoopt op grond van Gods belofte. In de weg van persoonlijk geloof (door wedergeboorte en bekering) hoort men ook van binnenuit bij de kerk.

Er is een verschil in liturgie en zang. De nadruk ligt vaak op de keuze van de mens, hetgeen soms doet denken aan het remonstrantisme. Sommige bronnen suggereren dat baptisten en doopsgezinden, ondanks hun gedeelde standpunt over de geloofsdoop, toch aanzienlijke verschillen vertonen in hun theologische wortels en praktijken.

Hoewel er verschillen zijn, kunnen veel baptisten ook in een bijbels gereformeerde traditie staan. Het is belangrijk om geen karikaturen te maken en te erkennen dat er binnen het baptisme ook 'zwaardere' gemeenten bestaan.

Er was ook sprake van verschillende soorten Anabaptisten (wederdopers), waaronder de gematigden die zich onderscheidden van de fanatieke groeperingen zoals de Münsterse opstandelingen. De vervolging van gematigde wederdopers in Zwitserland schokte partijen. Deze groepen eisten een kerk bestaande uit geestelijke personen, geïntroduceerd door een vrijwillige doop. Simon Menno werd een belangrijke leider en instrument voor de organisatie van de Anabaptisten tot een erkend lichaam van protestantse christenen.

De discussie over de rol van het verbond, de doop en het gemeenteleven blijft een belangrijk punt van theologische reflectie binnen het baptisme en in vergelijking met andere protestantse stromingen.

Illustratie van een doopdienst met onderdompeling in water

Studie: Geschiedenis van het Baptisme deel 1: ontstaansgeschiedenis

tags: #verschil #hervormde #en #bapti