De term 'losmaking' van een predikant binnen een kerkelijke gemeente roept vaak associaties op met gedwongen procedures, spanningen en juridische procedures. Echter, de realiteit van een losmaking is complexer en kent diverse oorzaken en procedures, die per kerkgenootschap kunnen verschillen. Dit proces, dat de beëindiging van de verbintenis tussen een predikant en zijn gemeente markeert, kan ingrijpende gevolgen hebben voor alle betrokkenen: de predikant, zijn gezin en de gemeente zelf.
Verschillende Gronden voor Losmaking
Een losmaking kan om diverse redenen plaatsvinden, variërend van een vrijwillige keuze van de predikant tot onoverkomelijke spanningen binnen de gemeente. Enkele veelvoorkomende situaties die leiden tot losmaking zijn:
- Aanvaarding van een nieuw beroep: Dit kan een regulier beroep voor werkzaamheden zijn, een beroep voor een bijzondere opdracht, of een beroep tot predikant in algemene dienst.
- Emeritaat: Dit kan plaatsvinden wegens ouderdom, op verzoek van de predikant, meestal rond de AOW-leeftijd, of eerder of later in overleg. Ook emeritaat wegens arbeidsongeschiktheid is mogelijk na een medische beoordeling.
- Ontheffing van het ambt op eigen verzoek: Een predikant kan zelf verzoeken om ontheffing van zijn ambt.
- Losmaking op eigen verzoek: Onder bepaalde omstandigheden kan een predikant, na toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering, zijn werkzaamheden neerleggen en een status krijgen als predikant buiten vaste bediening.
- Losmaking met wederzijds goedvinden: Na een verbintenis van minimaal twaalf jaar kan, op gezamenlijk verzoek van de kerkenraad en predikant, losmaking worden uitgesproken, waarbij de predikant recht heeft op wachtgeld.
- Losmaking wegens spanningen: Wanneer er sprake is van onoverkomelijke spanningen tussen de predikant en de gemeente, die de voortgang van de kerkelijke gemeenschap belemmeren, kan losmaking noodzakelijk worden geacht. Dit is vastgelegd in ord. 3-20.
- Losmaking na twee jaar ziekte: Als een predikant twee jaar lang door ziekte niet in staat is geweest zijn werkzaamheden te hervatten, kan losmaking volgen, waarbij de predikant de status van predikant buiten vaste bediening behoudt met behoud van bevoegdheid tot bediening van Woord en sacramenten.
- Losmaking van een gemeente in opheffing: Wanneer een gemeente om uiteenlopende redenen niet langer kan voortbestaan, kan dit leiden tot losmaking van de predikant.
- Losmaking wegens insolvabiliteit van de gemeente: In geval van financiële problemen van de gemeente kan, na goedkeuring van de betreffende colleges, losmaking plaatsvinden.
- Schorsing voor onbepaalde tijd: Als disciplinaire maatregel kan een predikant geschorst worden in de uitoefening van zijn ambt.
- Ontheffing van het ambt wegens ongeschiktheid: Wanneer een predikant ongeschikt wordt geacht voor zijn ambt, kan ontheffing volgen.
- Ontzetting uit het ambt: Dit is een zware disciplinaire maatregel die wordt toegepast bij ernstige schendingen in leer of leven.

De Procedure van Losmaking
De procedures rondom losmaking zijn zorgvuldig uitgewerkt in de kerkordes, waarbij de kerkelijke rechtspraak centraal staat. De kerkordelijke voorwaarden moeten worden vervuld voordat een losmaking kan plaatsvinden.
Procedures binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN)
Binnen de PKN kan het Generale College voor de Ambtsontheffing (GCA) de verbintenis tussen predikant en gemeente beëindigen. Dit besluit wordt niet lichtvaardig genomen. Eerst wordt nagegaan of alle pogingen om losmaking te voorkomen zijn ondernomen. Een visitatie vindt plaats, en alle betrokken partijen worden gehoord. Het GCA spreekt zich niet uit over de schuldvraag, maar constateert dat de situatie onhoudbaar is geworden.
De kerkorde is terughoudend met het besluiten tot losmaking, onder meer vanwege de belofte van trouw tussen predikant en gemeente, en uit respect voor de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Financiële en arbeidsrechtelijke overwegingen spelen ook een rol, gezien de ingrijpende consequenties voor de predikant en de gemeente, waaronder de kosten voor wachtgeld.
De Generale Regeling voor de kerkelijke rechtspraak (art. 8 t/m 11) bevat de juridische waarborgen rondom de procedure. Er is een mogelijkheid tot beroep bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.
De losmaking gaat niet direct in. De predikant krijgt een periode van drie maanden tot een jaar om zelf een nieuwe gemeente of functie te vinden. Dit geldt ook wanneer het verzoek tot losmaking van de predikant zelf uitgaat, vanwege het gewicht van het ambt en de financiële consequenties.
Verschillen tussen Kerkgenootschappen
De procedures rondom losmaking kunnen aanzienlijk verschillen tussen kerkgenootschappen, grotendeels gebaseerd op hun specifieke kerkordes:
- Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en Hersteld Hervormde Kerk (HHK): De PKN baseert zich op de kerkorde van 2004, voortgekomen uit die van 1951. De HHK volgt eveneens deze lijn.
- Gereformeerde Gemeenten (GG), Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland: Deze kerkgenootschappen houden de DKO (Dordtse Kerkorde) zoveel mogelijk aan.
- Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK): De CGK hebben de DKO bewerkt en uitgebreid.
- Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK): De NGK hebben de DKO diepergaand aangepast.
In de NGK wordt na een losmaking altijd getoetst of een predikant elders kan functioneren. Binnen de Gereformeerde Gemeenten vindt deze toetsing niet plaats, maar moet wel een akte van ontslag worden afgegeven. De HHK kent een situatie waarin een gedwongen losgemaakte predikant automatisch weer beroepbaar is, terwijl bij een losmaking op eigen verzoek dit niet gegarandeerd is. De HHK bezint zich momenteel op deze procedures.

Gevolgen van Losmaking
Een losmaking heeft diverse consequenties voor de predikant en de gemeente:
- Voor de Predikant:
- Verlies van inkomen uit de gemeente; de predikant moet omzien naar een andere bron van inkomsten.
- Verplichting om de pastorie te verlaten en andere huisvesting te zoeken.
- In sommige gevallen kan de predikant de bevoegdheden van een emeritus verkrijgen, wat inhoudt dat hij nog wel de belangrijkste ambtelijke werkzaamheden mag verrichten, maar geen consulent of afgevaardigde mag zijn. Dit is echter geen recht en verschilt per kerkverband.
- Een gedwongen losmaking kan leiden tot een tijdelijke wachtgeldregeling.
- Een losgemaakte predikant is niet altijd direct weer beroepbaar; dit hangt af van de kerkorde en de specifieke omstandigheden.
- Voor de Gemeente:
- Verlies van de predikant, wat kan leiden tot spanningen, verdeeldheid en een periode van leiderschapsvacuüm.
- Financiële bijdrage aan de wachtgeldregeling voor de losgemaakte predikant.
- Voor de Landelijke Kerk:
- Financiële consequenties door de wachtgeldregeling.
- Betrokkenheid bij de juridische en kerkelijke procedures.
Juridische Aspecten en Transitievergoeding
Een belangrijk juridisch aspect rondom losmaking betreft de vraag of een predikant recht heeft op een transitievergoeding. In een uitspraak van het gerechtshof in Leeuwarden (november 2021) werd een predikant van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) losgemaakt na een conflict met de kerkenraad. De predikant eiste een transitievergoeding, die door de kerkenraad werd afgewezen.
De kantonrechter wees het verzoek tot transitievergoeding af, verwijzend naar een uitspraak van de Hoge Raad over de rechtsverhouding tussen een kerk en een predikant. In hoger beroep stelde de predikant dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en dus van recht op transitievergoeding.
Het hof oordeelde dat een kerkgenootschap de vrijheid heeft om de rechtsverhouding met een geestelijk ambtsdrager vorm te geven en van dwingend recht mag afwijken, tenzij fundamentele belangen worden geschaad. Het hof achtte de transitievergoeding geen fundamenteel recht dat voortvloeit uit de Grondwet of internationale verdragen. Er was volgens het hof geen sprake van schending van eigendomsrecht.
Deze uitspraak bevestigt dat de juridische status van een predikant binnen een kerkelijke gemeente complex is en niet altijd gelijkgesteld kan worden aan een standaard arbeidsovereenkomst, wat consequenties heeft voor aanspraken zoals een transitievergoeding.
Ontheffing, Ontzetting en Schorsing
Naast losmaking zijn er andere kerkrechtelijke maatregelen die een predikant kunnen treffen:
- Ontheffing uit het ambt: Dit kan plaatsvinden wegens ongeschiktheid, op eigen verzoek, of in sommige gevallen als gevolg van een losmaking (bijvoorbeeld binnen de CGK na drie jaar zonder beroep). Binnen de NGK komt ontheffing relatief vaak voor, omdat het ambt niet altijd als levenslang wordt beschouwd.
- Ontzetting uit het ambt: Dit is een disciplinaire maatregel voor ernstige zonden in leer of leven, die in principe onomkeerbaar is.
- Schorsing: Een predikant kan geschorst worden, wat leidt tot verlies van titel en bevoegdheden, vergelijkbaar met ontheffing. Terugkeer na ontzetting is echter veel moeilijker dan na ontheffing.
- Non-actiefstelling: Sommige kerkverbanden kennen deze maatregel, waarmee een predikant tijdelijk van bepaalde werkzaamheden kan worden vrijgesteld.
De termen 'losmaking', 'ontheffing' en 'ontzetting' worden soms verwarrend gebruikt, maar hebben elk hun eigen specifieke betekenis en procedure binnen het kerkrecht.