Bij de samenstelling van het Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk beoogde de redactie dat daarin zou worden aangeboden wat de gemeente nodig heeft om de liturgie tot een gezongen liturgie te maken. Daarom was het van meet af aan vanzelfsprekend dat naast strofische liederen ook andere zangvormen een plaats zouden krijgen. Een van die andere vormen is de toonzetting van de vaste gezangen van de liturgie, het zogenaamde ordinarium.

Het Ordinarium in het Liedboek
De liturgische gezangen die verzameld zijn als nr. 270 in het Liedboek, zijn vooral afkomstig uit de lutherse traditie en worden in het algemeen in gemeenten van lutherse oorsprong gezongen. Bij de plaatsing van de verschillende ordinariumtoonzettingen is ervoor gekozen dit ‘luthers ordinarium’ als een geheel onder één liedboeknummer onder te brengen, zodat men de eenheid van een ordinarium kan herkennen. De onderdelen van de overige toonzettingen van het ordinarium zijn te vinden in de betreffende subrubrieken.
De verschillende onderdelen van het lutherse ordinarium hebben niet dezelfde oorsprong, maar wel kennen verschillende melodieën een vroeg-reformatorisch ontstaan.
Historische Ontwikkeling van Liturgische Gezangen
De verzameling liturgische gezangen, die nu als Liedboek 270 is opgenomen, gaat terug op het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (1955). In dit gezangboek vinden we naast gezangen ook een voor die tijd vernieuwde liturgie. In datzelfde jaar ziet ook het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk het licht, met als toevoeging ‘in ontwerp’. Ook daarin treffen we verschillende liturgische gezangen aan, maar dat zijn andere toonzettingen dan die in het lutherse gezangboek, met uitzondering van het Agnus Dei (‘Christus, heilig Godslam’), dat al bekend was uit de ‘Hervormde Bundel van 1938’.
Ook binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland groeit in die jaren de liturgische bewustwording. De synode van Middelburg van 1965-1966 geeft orden van dienst vrij voor gebruik in de eredienst, waarin in beperkte mate enkele gezongen acclamaties en liturgische gezangen voorkomen, waaronder het hierboven genoemde ‘Christus, heilig Godslam’.
Het Liedboek voor de kerken, dat in 1973 aan vijf participerende kerken wordt gepresenteerd, bevat alleen strofische liederen. Men is van mening dat liturgische gezangen niet in een liedboek, maar in een dienstboek thuishoren. Dat had vooral een praktische reden: de liturgische vormgeving was in de participerende kerken verschillend. Na verschijning van het Liedboek voor de kerken bieden de onderscheiden kerken voor hun achterban katernen met orden van dienst aan.
In de katernen Bijlage ten gebruike in de eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk (z.p., z.j. [1974?]) en Orden van dienst en Heidelbergse Catechismus voor gebruik in de eredienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland (z.p., z.j. [1974]) treffen we verschillende liturgische gezangen aan, die corresponderen met het lutherse gezangboek. Van het gereformeerde katern verschijnt in 1981 een herziene uitgave. In 1988 verschijnt een uitgebreid liturgisch katern voor de Evangelisch-Lutherse Kerk. De liturgische gezangen uit het gezangboek van 1955 worden daarin nagenoeg ongewijzigd overgenomen.
In 1998 biedt de Commissie voor het Dienstboek van het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst van de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk, het eerste deel van het Dienstboek aan, bestemd voor de hoofddienst en de getijden. Deze uitgave heeft aanvankelijk de status van ‘een proeve’. Jaren later krijgt dit Dienstboek een officiële status. Ook daarin vinden we weer dezelfde liturgische gezangen als in de uitgaven van 1955 en 1988. Hoewel deze liturgische gezangen wortelen in de lutherse traditie, komen ze nu ook ten goede aan hervormden en gereformeerden.
Specifieke Ordinariumdelen en hun Oorsprong
Kyrie
De melodie van het Kyrie is van de hand van Martin Luther en voor het eerst gepubliceerd in zijn Deutsche Messe (1526). Luther schafte de gewoonte van het negenvoudige Kyrie af ten gunste van een drievoudig gezang, bestemd voor de gemeente. Na het Kyrie volgt in Luthers Deutsche Messe niet het Gloria, maar reciteert de priester het collectagebed. Door melodieën te gebruiken waarmee de gemeente vertrouwd was, konden nieuwe gezangen meteen gepraktiseerd worden. De Griekse tekst werd later in dorpskerken, maar ook in steden als Nürnberg en Straatsburg door een Duitse tekst vervangen: ‘Herre Gott, erbarme dich’. Momenteel worden in Duitsland beide tekstversies gezongen. De syllabische melodie is met nagenoeg uitsluitend secundeschreden zeer eenvoudig en toont veel overeenkomst met Luthers Agnus Dei (Liedboek 270g).

Gloria
In het midden van de zestiende eeuw ontstonden diverse melodieën voor het Gloria met een Duitse tekst, gebaseerd op het gregoriaans. Een voorbeeld is het ‘Straßburger Kyrie en Gloria’ (zie Liedboek 299h). In Kirchengesänge Deutsch (1545) publiceert Johann Spangenberg een Gloria waarvan hij de melodie mogelijk zelf heeft geschreven. Deze melodie staat in de lydische modus, en contrasteert daarmee met de dorische modus van het Kyrie.
De uitgave van de liturgische orde van Rheinland en Westfalen van de toenmalige Evangelische Kirche der altpreußischen Union kende naast het ‘Straßburger Gloria’ ook een verkort Gloria met de tekst van de engelenzang (Lucas 2,14): ‘Ehre sei Gott in der Höhe!’. Wie de Duitse uitgaven van dit Kyrie en Gloria beziet, zal ontdekken dat het Gloria een kwart hoger staat dan in de Nederlandse uitgaven vanaf 1955. Het is onduidelijk waarom in de Nederlandse uitgaven het Gloria lager is genoteerd dan in de Duitse uitgaven. Als het Gloria een kwart hoger wordt genoteerd dan in het Liedboek en eerdere uitgaven, sluit de lydische melodie beter aan op de dorische melodie van het Kyrie. Het Gloria krijgt bovendien veel meer glans als het, net als in Duitsland, een kwart hoger gezongen wordt.
Gezongen Groet
De melodie van de gezongen groet is gelijk aan een van de vele melodieën in het gregoriaans. Er zijn twee tekstvarianten opgenomen in het Liedboek. De eerste is volgens de lutherse orden, de tweede is door de liedboekredactie toegevoegd en is ontleend aan het Dienstboek.
Halleluja
Voor het Halleluja zijn twee melodieën opgenomen, beide met een psalmtoon om een psalm- of evangelievers te reciteren. De eerste melodie is overgenomen uit de eerdere lutherse orden van dienst en het gereformeerde liturgiekatern (1974/1981). In het Dienstboek is het liturgisch gezang 42. De melodie is afkomstig uit de Codex Hartker, het manuscript uit de Stiftsbibliotheek van St. Gallen, en geschreven rond het jaar 1000. Het Bijbelvers wordt gereciteerd op de negende gregoriaanse psalmtoon, de zogenaamde ‘tonus peregrinus’. Deze negende psalmtoon is vooral in het Duitse spraakgebied veelvuldig toegepast en daarom ook in de lutherse traditie vertrouwd. In de vespers wordt het Magnificat vaak op deze psalmtoon gezongen. Illustratief voor de bekendheid van de tonus peregrinus in de lutherse traditie is dat Johann Sebastian Bach de melodie verschillende keren heeft toegepast.

De tweede melodie komt niet uit de eerdergenoemde lutherse orden van dienst, maar is door de liedboekredactie toegevoegd. Het is een gregoriaanse melodie die alom bekend is.
Acclamatie na het Epistel
Deze acclamatie komt in twee tekstvarianten voor: ‘Lof zij U, o Christus’ en ‘Lof zij U, o Here’. In de orde van dienst in het lutherse gezangboek van 1955 wordt de eerste gebruikt. Het lutherse katern van 1988 beperkt zich tot ‘Lof zij U, o Here’. Het Dienstboek noemt deze tekstversie ook, maar vermeldt als alternatief een beurtzang: ‘Lof zij U, Christus! / in eeuwigheid. Amen’ en verwijst daarnaast ook naar de acclamatie ‘U komt de lof toe’.
Gezongen Prefatie
Deze gezongen prefatie vinden we ook in het Duitse Evangelisches Gottesdienstbuch.
Sanctus
Ook deze melodie is van gregoriaanse oorsprong. De vereenvoudiging van de melodie voor gemeentezang is van de hand van Hermann Wilken (ook genoemd Witekind), gemaakt voor de Kirchernordnung van Neuenrade (1564). Ook Martin Luther baseerde zijn bewerking voor het Sanctus op deze melodie. Aanvankelijk ging de melodie gepaard met de Latijnse tekst, in de negentiende eeuw vinden we haar met de Duitse tekst in dienstboeken en gezangboeken.
Agnus Dei
Met de melodie van het Agnus Dei keren we weer terug naar Martin Luther en zijn aanpassingen van de Latijnse gezangen voor de gemeentezang. Vanwege de duidelijke overeenkomst tussen de beginmotieven van het Kyrie (Liedboek 270a) en dit Agnus Dei, is het zo goed als zeker dat Luther ook deze melodie schreef. Het Agnus Dei van Luther verscheen voor het eerst in de Kirchenordnung van Braunschweig (Wittenberg 1528). De melodie verloopt, evenals die van het Kyrie, uitsluitend in secundeschreden, en staat in de eerste gregoriaanse psalmtoon. Door de melodie drie keer te zingen, ontstaat een liedachtige vorm van drie strofen. In Nederland wordt het in de loop van de twintigste eeuw populair als ‘Christus, o Lam Godes’ en als ‘Christus, heilig Godslam’. In deze bundels krijgt het een plaats in de rubriek ‘Lijdenstijd’ en staat het buiten de avondmaalsliturgie. In gereformeerde kringen wordt de bekendheid gestimuleerd doordat het gezang een plaats heeft in de orden die door de synode van 1965-1966 waren vrijgegeven. De Nederlandse tekst uit de uitgaven van 1955, 1988 en 1998 is een letterlijke vertaling van Luthers Duitse tekst. Daardoor ontstond een niet fraai melisme op ‘Gods’. Omdat het gehele gezang van oorsprong syllabisch is, heeft de liedboekredactie daarom de aanhef van de drie tekstdelen gewijzigd in ‘Lam van God, o Christus’.

Postcommunio
Avondmaalsdiensten worden in de lutherse liturgie besloten met een gezongen postcommunio, waarna een slotgebed wordt uitgesproken of gereciteerd. De tekst van dit gezang is ontleend aan Psalm 136,1. De beide psalmvershelften klinken op een reciteertoon (bes’), waarna een Halleluja klinkt. Het Halleluja wordt niet in de veertigdagentijd gezongen. Het lijkt dan vanzelfsprekend om in die periode de laatste twee lettergrepen van ‘eeuwigheid’ een terts lager te zingen (op g’).
Zending en Zegen
In dezelfde bronnen vinden we de gezongen zending en zegen. Ook deze vorm is ontleend aan de Duitse praktijk. Opvallend is dat in de orden van dienst van 1955 en 1988 geen slotlied wordt vermeld. De dienst wordt besloten met de postcommunio, het slotgebed en de zegen. Het Dienstboek vermeldt een slotlied tussen het slotgebed en de zegen.
Aanvullende Liturgische Zangbundels
Naast het Liedboek zijn er diverse andere bundels die liturgische gezangen bevatten:
- Liturgische Gezangen (Huub Oosterhuis en Bernard Huijbers): Deze bundel, uitgegeven vanaf 1967, bevat teksten van Huub Oosterhuis en melodieën van Bernard Huijbers. Er volgde een tweede deel, dat in 1992 voor het laatst werd aangevuld.
- Gezangen voor Liturgie: De tweede, herziene editie uit 1996 is de meest gebruikte zangbundel in rooms-katholiek Nederland. Deze bundel biedt een ruime keuze voor alle zondagen en kerkelijke feesten, en is samengesteld uit in de praktijk veelgezongen psalmen en gezangen, geschikt voor elk type koor. Het bevat de officiële teksten van het misformulier en vaak gezongen gregoriaanse gezangen.
07 Liturgievernieuwing: kiem van controverse
Verder zijn er diverse publicaties die specifieke aspecten van liturgische gezangen belichten, zoals Middelnederlandse vertalingen van Latijnse hymnen en sequensen, en studies over psalmen en geestelijke liederen.
tags: #boek #liturgische #gezangen