De Geschiedenis van het CGK Kampen Koor en de Christelijke Gereformeerde Kerk in Kampen

De geschiedenis van het CGK Kampen koor is nauw verweven met de ontwikkeling van de Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) in Kampen en Nederland.

Oprichting van het Evangelisatiekoor

Het Evangelisatiekoor werd in 1955 opgericht door predikant ds. S. van Zwoll. Aanvankelijk startte het koor onder de naam “Evangelisatiekoor” als een gemengd koor met ongeveer 25 leden.

De eerste dirigent vanaf de oprichting was de heer Vinke, die het koor enkele jaren onder zijn hoede had. Nadat diverse mannen waren afgehaakt, ging het koor verder als dameskoor, omdat er nauwelijks meer sprake was van een gemengd koor.

Bert Kunnen en de bloeiperiode van het koor

In 1960 kwam de heer Bert Kunnen als dirigent naar Kampen. Het koor heeft veel aan hem te danken. Onder zijn leiding werd het koor weer een gemengd koor. Zijn toewijding blijkt uit het feit dat hij zijn 35-jarig jubileum als dirigent van het Evangelisatiekoor mocht beleven.

In 1975 kreeg het “Evangelisatiekoor” de heer Wim Vredeveld als vaste organist.

Missie en Welkom van het koor

Als koor bieden we onze leden de gelegenheid om de zangkunst in het algemeen te beoefenen en zich te verdiepen in het christelijk lied in het bijzonder. Dit stimuleert niet alleen onze muzikale vaardigheden, maar versterkt ook onze spirituele band met de liederen die we zingen. We geloven dat ons gezamenlijk zingen een diepere betekenis krijgt wanneer we begrijpen en voelen wat we zingen, en dit maakt onze uitvoeringen des te meeslepender.

Het Hervormd Kerkkoor Kampen heet iedereen welkom die de liefde voor muziek en het geloof met ons deelt. Of je nu een ervaren zanger bent of net begint aan je zangreis, er is altijd een plek voor jou in onze warme en inspirerende gemeenschap.

Geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) in Kampen

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland. De wortels van het kerkverband liggen in de Afscheiding van 1834. In 1892 besloot een zeer kleine groep van drie gemeenten, onder leiding van de predikanten Frederik Philip Louis Constant van Lingen en Jacobus Wisse, om niet mee te gaan in de fusie met de dolerenden en Christelijk Gereformeerd te blijven. In de jaren daarna groeide het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerk weer snel aan.

De Ontstaan van de Afscheiding (1834)

De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. De gereformeerde belijdenis functioneerde in de Nederlandse Hervormde Kerk niet meer.

De Groninger hoogleraar Petrus Hofstede de Groot (1802-1886) vond dat de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Drie Formulieren van Enigheid niet meer gebonden was. Deze theologische stroming werd aangeduid als de Groninger Richting. Volgens kerkhistoricus Louis Praamsma (1910-1984) was het theologisch klimaat van de achttiende eeuw beïnvloed door de Verlichting en het Schrift-kritisch onderzoek. De theologie werd getypeerd door de kernwoorden: de Rede (de Bijbel diende als ieder menselijk boek kritisch gelezen te worden), de deugd (de mens is ten diepste goed en rechtschapen), de natuur (de mens is een veredelde wilde, hij moet opgevoed worden met christelijke deugden en waarden), verdraagzaamheid en tolerantie (ware deugd is belangrijker dan de wijze van godsdienstverering) en vooruitgang (ontwikkelingsgedachte vanuit een positief mensbeeld).

Tegen deze ontwikkelingen kwam verzet van orthodoxe zijde. Een voorbeeld was Antonius Driessen (1684-1748) die tussen 1717 en 1748 docent in Groningen was. Tot zijn leerlingen behoorden Wilhelmus Schortinghuis, de auteur van het Innige Christendom, en Alexander Comrie, die zijn medewerking verleende aan het boek Examen van het ontwerp van Tolerantie.

Toen de achttiende eeuw in de negentiende eeuw was overgegaan, was de Nederlandse Hervormde Kerk naar het oordeel van Praamsma "in meerderheid vrijzinnig of gematigd orthodox." Hendrik de Cock was tijdens zijn studiejaren van de Institutie van Calvijn en de Dordtse Leerregels onkundig gebleven. De gereformeerde kerkregering (de Dordtse kerkorde) was in de Nederlandse Hervormde Kerk afgeschaft.

Op 13 oktober 1834 tekenden in Ulrum de eerste afgescheidenen de Acte van Afscheiding of Wederkeer. Ze wilden met deze term uitdrukken tot de gereformeerde leer te zijn teruggekeerd. De Afscheiding van 1834 was hiermee een feit. Binnen een jaar omvatte de groep landelijk 20.000 leden. De ARP-politicus Hendrik Algra (1896-1982) sprak in zijn boek Het wonder van de negentiende eeuw van een explosieve groei van afgescheiden gemeenten, met name in het noorden van het land.

De periode na de Afscheiding

De periode die volgde, kreeg de naam crisis der jeugd. Van buitenaf was er de vervolging door de overheid door hoge boetes, gevangenisstraf en inkwartiering van soldaten. Men werd gedwongen de naam gereformeerd prijs te geven. Intern openbaarde zich meningsverschillen. De afgescheidenen vielen in twee groepen uiteen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis.

Mede doordat de afgescheidenen in Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) een pleitbezorger hadden gevonden, besloot de overheid te stoppen met vervolging van de afgescheidenen. In 1869 vond een hereniging plaats tussen Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. De vereniging vond plaats op basis van de volgende overeenkomsten:

  • Het erkennen van elkaars kerken en voorgangers
  • De benaming zou voortaan Christelijke Gereformeerde Kerk zijn
  • In leer, eredienst en tucht moest het kerkverband aansluiten bij de gereformeerde leer en grondslagen.

Niet alle afgescheiden groeperingen deden mee. Rondom de predikanten Cornelis van den Oever (1802-1877) en Elias Fransen (1827-1898) bleven er gemeenten zelfstandig.

De splitsing in 1892 en de heroprichting van CGK Kampen

Het waren de predikanten Frederik Philip Louis van Lingen (1832-1913) en Jacobus Wisse (1843-1921) die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper (1837-1920). Voor de verspreiding van de boodschap was het middel Het Wekkertje waarmee zij het kerkvolk wilden wakker schudden. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door Kuyper werd voorgestaan. In zijn preken drong Kuyper aan op “de noodzaak van zelfonderzoek”, want hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren, maar wel dat het zaad der kerk ervoor moest worden gehouden tenzij het tegendeel zou blijken.

De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 zijn met elkaar in strijd. Voor Van Lingen en Wisse was het verlaten van het hervormde kerkgenootschap “ziende op Gods gebod en blind voor de toekomst” (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen maar terugkeer tot beginselen van de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. Achter de afscheidingsbeweging zat geen strategie of voorbewerkt plan. De Nederlandse Hervormde Kerk was volgens de afgescheidenen een 'valse kerk' vanwege de ongehoorzaamheid aan de gereformeerde belijdenis. Kerkrechtelijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren volgens de bezwaarden onvoldoende betrokken geweest in het verenigingsproces.

Op 1 januari 1893 telde de doorgestarte Christelijke Gereformeerde kerk negen gemeenten: Zierikzee, Noordeloos en Teuge, ’s-Gravenhage, Utrecht, Rotterdam, Dordrecht, Lutten en Arnhem. Op 15 januari 1893 werd de Christelijke Gereformeerde Kerk te Kampen ‘opnieuw opgericht’. In 1897 werd een pand aan de Buiten Nieuwstraat 67 aangekocht en geschikt gemaakt om als kerk te dienen. Er werden nu ook beroepen uitgebracht, aanvankelijk zonder het beoogde resultaat, maar in 1898 nam kandidaat M. Schouten uit Teuge een beroep aan. De gemeente groeide gestaag.

Predikanten in Kampen

In 1903 vertrok ds. Schouten naar Bunschoten. De gemeente bleef 4 jaar vacant. Op 10 november 1907 deed J.J. van der Schuit intrede. Hij was toen nog kandidaat en geliefd in de gemeente, mede door zijn ‘gewone’ optreden. In Kampen kwamen en gingen diverse predikanten.

Een moeilijke tijd was de periode onder ds. B. Oosthoek, die hier begin van de jaren ’30 stond. Een tijd van spanningen - in de maatschappij, maar zeker ook in de gemeente. In 1934 overleed ds. Oosthoek. Het werd als een wonder ervaren dat de gemeente daarna ds. W. Ramaker kon beroepen - en nog meer, dat hij het beroep ook aannam. In deze tijd werd een eigen verenigingsgebouw in gebruik genomen; geen overbodige luxe voor een gemeente die inmiddels zo’n 450 leden telde.

Van 1945 tot 1950 stond ds. B. van Smeden te Kampen; hij was een zoon van ds. K.G. van Smeden, die hier stond van 1925 tot 1928. In 1953 kwam ds. S. van Zwoll - toen nog kandidaat - naar Kampen. Een zeer actief predikant, met name op het gebied van evangelisatie. De gemeente groeide tot meer dan 600 leden. Ds. Van Zwoll ging vanuit Kampen naar Eindhoven.

In 1961 nam ds. J.H. Carlier het beroep naar Kampen aan. Hij is hier bekend geworden als ‘de bouwpastor’. In de zes jaar dat hij hier was, werd het oude kerkgebouw afgebroken en vervangen door het huidige. In 1967 kwam ds. J.J. de Jonge naar Kampen. Hij kwam in Kampen in roerige tijden: er ontstond een scheuring in de Geref. Kerk (vrijgemaakt). Het merendeel van de gemeente te Kampen (ong. 2500 van de 3000 leden) kwam buiten het kerkverband te staan. In IJsselmuiden gebeurde hetzelfde. In de tijd van ds. De Jonge ontstond de zgn. Zijn opvolger was dr. T. In zijn tijd werd ook ds. Th. Peppink aan de gemeente verbonden, maar niet voor werk in de gemeente. Hij werd als predikant in bijzondere dienst (art. Na dr. Brienen kwam drs. J.C.L. Starreveld. Hij heeft de gemeente 14 jaar gediend. Hij werd opgevolgd door ds. A. Op 23 augustus 2015 deed ds. A. Hakvoort intrede.

Theologische Opleiding en Publicaties

In 1894 werd besloten tot de oprichting van een Theologische School, die voorlopig in Den Haag werd gevestigd. De doorgestarte Christelijke Gereformeerde Kerk werd vanuit de Gereformeerde Kerken gezien als een "scheurkerk" en ook zou zich onder hen "geen enkele knappe kop" begeven. De Haarlemse predikant Johannes Schotel (1825-1914) die zich na enkele jaren alsnog aan de zijde van de bezwaarden voegde schreef in De Wekker:

"Voor enige jaren, meen ik, schreef dr. Kuyper, dat de eenvoudigste gelovige Kootwijker boer meer kennis van de theologie had dan een beroemd professor aan de Leidsche hogeschool, die door zijn kritiek den Bijbel trachtte af te breken. Jammer, dat die Kootwijkers weer onttroond worden. Och, men bouwt op en breekt af, verhoogt en vernedert naar believen, al naar dat het in de kraam te pas komt. Gelukkig, dat de Heere zelf de armen van geest tot echte theologen stempelt. Er staat een overblijfsel, een wonder van Gods genade, een klein hoopske, doch in ‘s Heeren kracht een Gideons bende. In haar vaandel prijkt: „D’ eenvoudigen wil God steeds gadeslaan.”"

Een afbeelding van de Theologische School van de CGK in Apeldoorn

Toch wilde de Christelijke Gereformeerde Kerk wel gaan bouwen aan een serieuze theologische opleiding in de lijn van het Convent van Wezel (1568) en in de traditie van Johannes Calvijn (1509-1564). Op 11 september 1894 werd door Schotel de Theologische School geopend. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd, hierna verhuisde de opleiding definitief naar Apeldoorn.

Bij de komst van Gerard Wisse in 1928 werden de docenten op voorstel van ds. De meeste studenten kregen eerst een vooropleiding voor begonnen werd met het theologisch onderwijs en de oude talen. Als docenten werden Van Lingen en J. Wisse Czn. benoemd. In het curatorium zaten de predikanten: PH.J. Wessels, P.J.M. de Bruin, J. Schotel, J.W. Drayer en J.R. Kreulen. Laatst genoemde keerde in 1899 met een groot deel van de gemeente Suawoude weer terug naar de Gereformeerde Kerken.

In 1857 en 1858 schreef deze predikant in De Bazuin een aantal artikelen over het aanbod van genade. Dit bracht hem in conflict met de Drentse richting van ds. Hendrik Joffers (1807-1874) die leerde: de beloften van het evangelie zijn alleen voor de uitverkorenen. Bekend was ook het boekje van ds. In 1898 kwamen er zes kandidaten van de theologische school af waaronder Hector Janssen (1872-1944), destijds 26 jaar oud. Janssen werd predikant in Amsterdam. In 1904 vertrok Janssen naar Leiden waar zich een kleine gemeente had gevormd van spijtoptanten (leden die vanuit de Gereformeerde Kerken in Nederland terugkeerden naar de Christelijke Gereformeerde Kerk). Kort daarna werd er in Rijnsburg een gemeente gesticht. In 1909 werd Janssen benoemd als hulpdocent aan de theologische school. Deze taak vervulde hij tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Toen werd hij veldprediker.

In 1928 werden de eerste zendelingen namens de Christelijke Gereformeerde Kerk uitgezonden. Arie Bikker (1898-1977) en Maarten Geleijnse (1893-1985) werkten in het Torajaland, een gebied in de toenmalige Nederlandse kolonie Indonesië.

Het kleine blaadje dat aanvankelijk verscheen onder de naam van Het Wekkertje groeide uit tot een tamelijk weekblad De Wekker. Een maandelijks zendingsblad verscheen onder de naam Uw Koninkrijk kome terwijl de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongelingsverenigingen het blad Luctor et Emergo uitgaf.

Bevindelijk-Gereformeerde Karakteristiek

In haar doorstartperiode na 1892 profileerde de Christelijke Gereformeerde Kerk zich overwegend als bevindelijk-gereformeerd. Docent Van Lingen legde nadruk op de noodzaak van wedergeboorte en bekering die van Boven komt. Anderzijds sloot dit voor hem het staan naar kennis en waardering van de wetenschap, voor zover niet in strijd met de Schrift als Gods openbaring, niet in de weg.

Volgens T. Brienen "werd er vroeger binnen de CGK sterke nadruk gelegd op de wedergeboorte; in later tijd kwam het accent meer te liggen op de rechtvaardiging door het geloof. Er is wel gesproken van een Calvijn-reveil waar ds. W. In 1933 benadrukte Leendert Huibert van der Meiden (1882-1962) tijdens een predikantenvergadering in Apeldoorn het belang van een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Volgens hem behoorde men niet alleen te preken wat Christus voor de Zijnen deed, "maar ook wat Hij door Woord en Geest in hun harten werkt." Hiermee knoopte hij aan bij een zinsnede die uit de Institutie van Calvijn te herleiden is. "Het bevindelijk element in de prediking is niet iets aparts, bijkomend bij de bediening des Woords, maar is er een essentieel deel van, want de Inspirator der Heilige Schrift, Die ook de Generator des zondaars is, geeft ons in het Woord te verstaan, wat het bevindelijke leven is." "Wie waarlijk Gods Woord preekt, preekt bevindelijk leven." "Waar het bevindelijk element gemist wordt in de prediking of niet ten volle uitkomt, is er dus niet van volle bediening des Woords sprake.

Jan Hovius (1900-1979) die in 1947 hoogleraar in Apeldoorn werd schreef: "De voorwerpelijke zijde bestaat in de verzoening door het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Door de arbeid van Zijn ziel heeft Hij de vergeving verworven en verzoening aangebracht. En mede door deze arbeid heeft Hij de levendmakende Geest verworven, die nu de aangebrachte verzoening zal toepassen en bovendien het hart zal vernieuwen. Dit alles is de voorwerpelijke zijde, waar nu de onderwerpelijke zijde bij moet komen. Willem Kremer (1896-1985) schreef in 1954 "dat de terechte kritiek op veel prediking is, niet dat ze te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is." "Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid moeten beide in de prediking ten volle gehandhaafd worden: Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden.

De christelijk-gereformeerden voelden zich geroepen tot vereniging van alle gereformeerden "die ten volle wilden leven naar Schrift en Belijdenis." In 1909 was er aandacht voor het inmiddels in 1907 ontstane kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten. Andersom bleek gereserveerdheid. Ds. G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk "gebrek aan beginsel." Hij wilde de Nederlandse Hervormde Kerk ook niet als ‘vals’ bestempelen. Op de achtergrond speelden politieke aspecten een rol (ARP-SGP). Een deel van de bevindelijke richting binnen de CGK bleef de ARP steunen.

Visies op Belijdenis en Geloof

Voor J.J. Van der Schuit (1882-1968) was het christelijk-gereformeerd beginsel het beginsel der Afscheiding. In een artikelenserie van zijn hand dat in 1919 verscheen in boekvorm zette hij uiteen wat dit beginsel der Afscheiding volgens hem inhield. Van der Schuit had een standpunt dat uitging van het ideaal en hier waren binnen het kerkverband verschillende visies over waar te nemen. Op 23 augustus 1912 schreef Van der Schuit in De Wekker: “Wij moeten vasthouden, dat het in heilige ure van belijdenis doen niet gaat over het geloof in den voorwerpelijke, maar in den onderwerpelijke zin van ‘t woord. Er moet hoe klein ook, toch aanwezig zijn een levend geloof.”

Zijn collega De Bruin reageerde hierop en schreef: "Indien de schrijver dezer regelen hier alleen bedoelde dat een Gode welbehagelijk belijden alleen dan kan geschieden, wanneer het levend geloof aanwezig is, en dat als eis Gods op het bezit van een levend geloof moet aangedrongen worden, wij zouden het terstond toestemmen. Maar dat bedoelt de schrijver niet." (...) "Wij onderscheiden wat God eist en wat de kerk mag eisen. Deze tweeërlei eis bij het doen van belijdenis, de eis Gods en de eis van de kerk mag niet uit het oog verloren worden. Door de eersten eis te verwaarlozen verzwakt men het belijdenis doen tot een examen van goed afgelegd catechetisch onderwijs; door den laatste voorbij te zien en als Kerk van ieder belijder een zaligmakend geloof te eisen, wordt men Labadist. Dit het laatste moet ook volgen, dat men dan ieder, die op belijdenis van zaligmakend geloof wordt toegelaten tot het Avondmaal, ook verplichten moet ten Avondmaal. In de Gereformeerde Kerken wordt den belijders die verplichting opgelegd; immers hunne belijdenis onderstelt het zaligmakend geloof. Wij komen dan, evenals bij de onderstelde wedergeboorte bij den doop, ook bij het Avondmaal op het gebied der onderstellingen en wij halen de neo-gereformeerde leer, welke onze Kerk verwerpt, door een achterdeur weer binnen. Wil ds. De verschillende visies zorgen voor een scheidslijn die vooral na de Tweede Wereldoorlog scherper geworden is.

Binnen de CGK werd de Nadere Reformatie overwegend gewaardeerd. Van der Schuit verwees naar Alexander Comrie (1706-1774) als het ging om de praktijk dat het voorkwam dat doopleden geen belijdenis des geloofs af leggen of belijdende leden niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal omdat men geen geloofszekerheid had.Alleen vergete men niet, dat er onderscheid is tussen „zekerheid” en „zekerheid”. Er is om met Comrie te spreken een zekerheid des geloofs en er is een zekerheid des gevoels. Het is de...

tags: #cgk #kampen #koor