J. Revius en de Nadere Reformatie: Een Diepgaande Studie

Jacobus Revius (1586-1658) wordt in deze studie, gebaseerd op het werk van Enny de Bruijn, belicht vanuit een breed perspectief, waarbij zijn rol als dichter, theoloog, geleerde, predikant en cultuurminnende literator centraal staat. De Bruijn beoogt een synthese te creëren tussen de verschillende facetten van Revius’ leven en werk, die voorheen vaak als gescheiden velden werden beschouwd. Het doel is om Revius’ ‘wereldbeeld’ duidelijker te contouren, met speciale aandacht voor zijn jonge jaren, waarover tot nu toe relatief weinig bekend was.

Revius in zijn Tijd: Theologische, Filosofische en Literaire Stromingen

De centrale vraag die De Bruijn tracht te beantwoorden, is welke plaats Revius innam te midden van de diverse theologische, filosofische en literair-culturele stromingen van zijn tijd. Ze streeft ernaar om voorbij de simplistische typering van Revius als een begaafd literator en een intolerante calvinist te gaan. Door gebruik te maken van bestaande teksten, deels aangevuld met nieuw materiaal, en door de historisch-biografische context te analyseren, brengt De Bruijn belangrijke nuances aan in ons begrip van Revius.

De Bruijn hanteert een voorzichtige benadering wanneer gegevens ontbreken of onduidelijk zijn. Ze formuleert haar bevindingen met zinnen als ‘Is dat de reden dat...?’, ‘dit maakt [ons] voorzichtig’, of geeft eerlijk toe dat sommige zaken ‘in nevelen gehuld’ zijn. Wanneer ze een voorzichtige constatering doet, zoals een mogelijk ‘optimistisch mens- en toekomstbeeld’ bij de jonge Revius, voegt ze het woord ‘lijkt’ toe om de stellingname te nuanceren.

Portret van Jacobus Revius

Opbouw van de Studie

Gezien de breedte van Revius’ werk, is de studie breed opgezet en onderverdeeld in drie delen:

Deel I: ‘Calvinisme en humanisme’ (1568-1612)

Dit deel richt zich op de jonge Revius. Hierin worden zijn afkomst, studietijd in Leiden en Franeker, zijn studiereis naar Frankrijk en de eerste literaire uitingen behandeld.

Deel II: ‘Kerk en cultuur’ (1612-1641)

Dit deel behandelt Revius’ periode in Deventer, waar hij actief was als predikant, geleerde en stimulator van culturele activiteiten, zoals een muziekcollege en de stadsbibliotheek.

Deel III: ‘Wetenschap en geloof’ (1641-1658)

Het laatste deel van de studie focust op Revius’ laatste levensfase in Leiden. Hier was hij regent van het Statencollege, een instelling voor beursstudenten theologie, en verdediger van het gereformeerde wereldbeeld. Voor dit deel maakt De Bruijn intensief gebruik van Revius’ bewaard gebleven disputaties (theologische verhandelingen bedoeld voor debat).

Bronnen en Ontdekkingen

Een cruciale factor voor de opzet en doelstelling van de studie is de beschikbaarheid van bronnen. Revius’ eigen publicaties omvatten meer dan 13.000 pagina’s. Omdat Revius terughoudend was over zijn persoonlijke leven in zijn geschriften, was aanvullend materiaal noodzakelijk. Dit vereiste een uitgebreide zoektocht in Nederlandse en buitenlandse archieven en bibliotheken, onder andere in Parijs, Londen en Berlijn, naar gedichten, brieven, notulen en publicaties die in Nederland niet beschikbaar waren. Ondanks het feit dat veel materiaal verloren is gegaan of onvindbaar bleef, heeft De Bruijn significante ontdekkingen gedaan. Hieronder vallen diverse Latijnse gedichten, waaronder een lofdicht uit zijn studententijd, en eigenhandig opgetekende verslagen uit zijn functie als bibliothecaris van de Nederlands-Duitse studentenvereniging in Orléans tijdens zijn Franse reis.

Analyse van ‘Hy droech onse smerten’

Het bekende gedicht van Revius, ‘Hy droech onse smerten’, dient als een treffend voorbeeld van De Bruijn’s werkwijze om de dichter en de theoloog met elkaar te verbinden. De Bruijn wijst erop dat de openingsregel, ‘T’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten’, gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd kan worden indien deze los van Revius’ overige werk wordt beschouwd. Wanneer het gedicht echter in verband wordt gebracht met andere passages waarin de Joden ter sprake komen, wordt duidelijk dat Revius met deze regel niet zozeer de Joden wil ‘verontschuldigen’, maar wil benadrukken dat ieder mens - christen én Jood - ‘in de eerste plaats naar zichzelf [moet] wijzen’.

Hy droech onse smertenT’en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,Noch die verradelijck u togen* voort gericht,Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten*,T’en sijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuystenDen rietstock hebben of den hamer opgelicht,Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten*:Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,Ick ben den swaren boom* die u had overlaen,Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Plaatsbepaling van Revius

Revius staat principieel binnen de calvinistische traditie. Hij verzette zich tegen alles wat naar zijn mening de gereformeerde levensbeschouwing en de omgang met de Schrift bedreigde, met name het ‘driekoppige gedrocht’ van arminianisme, socinianisme en cartesianisme. Voor hem waren niet persoonlijke ervaringen, maar de fundamentele waarheid van de Bijbel - schepping, zondeval, verlossing door Christus alleen, het laatste oordeel en het eeuwige leven - leidend. Deze waarheid stond vast, buiten de mens. Zijn lijfspreuk was: ‘Vincat Amor Christi’ - ‘Dat de liefde van Christus mag winnen.’

In deze studie krijgt Revius een duidelijkere plaats in het zeventiende-eeuwse theologische en culturele landschap. Hij nam een gematigde houding aan in kwesties als het toneel (hij schreef zelf een toneelstuk: Haman), het gebruik van mythologie, zondagsheiliging, kleding en haardracht, omdat de bovengenoemde bijbelse waarheid voor hem veel relevanter was. Hij vertoont raakvlakken met de Nadere Reformatie en de voetianen, maar kan daar niet volledig geplaatst worden vanwege zijn meer soepele standpunten aangaande het praktische, dagelijkse leven. Als literator staat hij dichter bij iemand als Constantijn Huygens dan bij predikantdichters als Sluiter en Van Lodenstein, vanwege de grote aandacht voor vorm en ‘het schitteren’, zoals eerder benadrukt door Els Stronks in haar dissertatie Stichten of schitteren.

Deze en andere constatering, zoals het rekening houden met de verschillende leeftijdsfasen van de dichter-theoloog (de oudere Revius komt krampachtiger over dan de jongere), zijn belangrijke resultaten van dit onderzoek. De studie wordt geprezen als een proefschrift van hoog niveau, dat bovendien goed leesbaar is.

Ik sluit af met een gedicht van Jacobus Revius.

De Nadere Reformatie was een belangrijke kerkelijke beweging uit de eerste helft van de 17e eeuw die zich door heel Nederland verspreidde. Ze ontstond in Zeeland, destijds de meest calvinistische provincie van de Republiek, en stond sterk onder invloed van het Engelse en Schotse puritanisme. De beweging streefde naar een diepere toepassing van de Reformatie in het persoonlijke leven, met nadruk op zowel geloofskennis als heilig gedrag. Belangrijke figuren zoals Gisbertus Voetius en Wilhelmus à Brakel benadrukten catechese, prediking en praktische godsvrucht.

Willem Teellinck (1579-1629) wordt beschouwd als een van de grondleggers van de Nadere Reformatie. Hij stond bekend om zijn vurige prediking en nadruk op persoonlijke bekering en een heilig leven. Zijn geschriften benadrukten de toepassing van de Bijbel in het dagelijkse leven. Wilhelmus à Brakel (1635-1711), auteur van het invloedrijke werk Redelijke Godsdienst, verbond leer, geloof en praktijk.

Andere prominente vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie waren Jacobus Koelman (1632-1695), die bekend stond om zijn inzet voor een heilig en toegewijd christelijk leven en in conflict kwam met autoriteiten; Bernardus Smytegelt (1665-1739), wiens preken, waaronder Het gekrookte riet, veel gelezen werden; en Theodorus van der Groe (1705-1784), die waarschuwde tegen oppervlakkig geloof.

De studie benadrukt dat de Nadere Reformatie gezien moet worden als een exponent van het internationale gereformeerde Piëtisme, dat zich keerde tegen misstanden en aandrong op innerlijke beleving en levensheiliging. Een belangrijk discussiepunt binnen het onderzoek naar de Nadere Reformatie is de vraag of en in hoeverre de beweging in de achttiende eeuw nog aanwezig was en of er sprake was van continuïteit of divergentie.

De relatie tussen de Nadere Reformatie en cultuur is een relatief jong onderzoeksveld. Hoewel er verschillende opvattingen bestaan over de culturele instelling van de beweging - sommigen beschouwen deze als a-cultureel of anti-cultureel, terwijl anderen wijzen op kritische, selectieve cultuurbeoefening en een positieve houding ten opzichte van bepaalde culturele uitingen - is er consensus dat de nadere reformatoren wel degelijk een bijdrage hebben geleverd aan de woordcultuur.

Onderzoek naar de woordeloze cultuuruitingen van de Nadere Reformatie omvat onder andere de uitleg van het tweede der Tien Geboden, de portrettering van vertegenwoordigers, de illustratie van hun geschriften en hun sociale positie. De analyse van de uitleg van het tweede gebod onthult een principiële, bijbelse visie op het maken van beelden, waarbij de beeldende kunst als een gave van Gods Geest wordt gezien en het nut ervan, zoals verfraaiing en ontspanning, wordt benadrukt. De studie wijst op overeenkomsten in argumentatie en woordgebruik binnen de verschillende verklaringen van de Heidelbergse Catechismus.

De portrettering van de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, waarbij van een ruime meerderheid portretten vervaardigd zijn, geeft inzicht in hun culturele gedrag. Het feit dat veel portretten tijdens hun leven verspreid werden, duidt op een zekere mate van publieke erkenning. De afbeeldingen zelf, met aandacht voor haardracht, hoofddeksels en kleding, bieden informatie over de conformiteit aan de gebruikelijke mode binnen hun sociale kringen. Hoewel er aanvankelijk verzet was tegen lang haar en pruiken, blijkt uit latere portretten dat de mode soms zwaarder woog dan de Schrift. De keuze van kunstenaars, waaronder gerenommeerde namen als Rembrandt en Frans Hals, suggereert een culturele en soms artistieke overweging bij de portrettering.

Voorbeelden van portretten van Nadere Reformatoren

De rol van Willem Teellinck in Zeeland was significant. Hij werd gezien als de Thomas à Kempis van het protestantisme. De Nadere Reformatie werd gedragen door de theocratische visie van het gereformeerd protestantisme, die uitging van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van kerk en overheid voor het volksleven. De magistraten in Zeeland werden aanspreekbaar gehouden op hun christen-zijn.

tags: #j #revius #nadere #reformatie