De Christelijke Gereformeerde kerk te Delfzijl is een geloofsgemeenschap die behoort tot de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze kerken hebben geen statuten.
Vanaf 1 september 2025 wordt het kerkgebouw, Het Lichtbaken, bouwkundig versterkt. Het Lichtbaken wordt omschreven als een actieve, gastvrije en open gemeenschap. De gemeenschap richt zich op het ontdekken van God, de verdieping van geloof en de ontmoeting met elkaar, en iedereen die interesse heeft, is welkom.
De Ontstaan van de Afscheiding in Delfzijl
De geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Delfzijl begint op 15 september 1835, toen de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Delfzijl werd geïnstitueerd door ds. H. de Cock (1801-1842). De periode die hieraan voorafging, werd gekenmerkt door gebeurtenissen binnen de hervormde kerk van Delfzijl.
De Afscheiding in Delfzijl vond plaats tijdens de ambtsperiode van de hervormde predikant ds. Koenraad Heringa, die meer dan twintig jaar werkzaam was in de gemeente. In een oud geschrift wordt opgemerkt dat onder de prediking van ds. Heringa 'in verhouding weinigen opkwamen'. Echter, wanneer ouderling-oefenaar Albert Everts E. Mijdema, 68 jaar oud, bij afwezigheid van de predikant 'oefende' (een stichtelijk woord sprak), was er 'eene groote toevloed van menschen en de kerk schier opgevuld'.
In de winter van 1834-1835 was ds. Heringa ziek en kon hij gedurende enkele maanden zijn dienst niet waarnemen. De grote opkomst zinde de predikant in het geheel niet. Ook de burgemeester W. Bellinga had er niet op gerekend dat het aantal bezoekers in de kerk na verloop van tijd zo toenam. Hij vreesde onrust en woelingen, omdat de gereformeerde geestesgesteldheid van Mijdema kennelijk niet goed was ingeschat. Mijdema mocht met instemming van de classis en de predikant zijn dienst als oefenaar verrichten.
Toen zijn geestelijker 'ligging' duidelijk was geworden, werden door de burgemeester, gesteund door gouverneur Rengers, maatregelen getroffen om hem te laten stoppen. Deze poging mislukte, omdat het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen hem toestemming had gegeven om als vervanger van ds. Heringa op te treden. Hierdoor kon de kerkdienst op 7 juni 1835 met vele toehoorders gewoon doorgaan.
Toen ds. Heringa weer opgeknapt was, riep hij Mijdema bij zich en verbood hem om weer als oefenaar voor te gaan. Dit optreden tegen Mijdema kon op goedkeuring van zijn toehoorders niet rekenen. Ds. Meijering schreef hierover: ‘Wanneer de plaatselijke predikant in bond met anderen, zóo ging optreden tegen Mijdema en in hem tegen allen die de aloude belijdenis lief hadden, dan wordt dit de naaste aanleiding tot de Afscheiding alhier’.
Mijdema en met hem 'vele leden der gemeente' braken toen met de hervormde kerk. Het gevolg was dat Afgescheidenen uit Delfzijl en omliggende dorpen zoals Farmsum, Weiwerd, Meedhuizen en Uitwierde in conventikels bij elkaar kwamen om gezamenlijk te zingen, te bidden en te spreken over hun geestelijk leven. Soms werd in deze bijeenkomsten gedoopt of het avondmaal bediend.

Ds. De Cock en de Instituering van Gemeenten
Ds. H. De Cock was in die tijd op veel plaatsen aanwezig om te preken, kinderen te dopen, het avondmaal te bedienen en om Christelijke Afgescheidene Gemeenten te institueren. Hij stichtte op 22 maart 1835 de gemeente van Dwingeloo en drie dagen later die van Hoogeveen. Op 28 of 29 maart institueerde hij de gemeente van Beilen (Dr.) en de dag daarop de kerk van Hijken (ook in Drenthe). Op 2 april institueerde hij de gemeente van Assen en een week later bevestigde hij in Wildervank de verkozen ouderlingen en diakenen in het ambt. Stadskanaal volgde de dag daarop, en daarna Veendam, Koekange, Ruinerwold, Genemuiden en Kampen.
Op 11 juni 1835 volgde Zwolle, de dag daarop Meppel, op 20 juni Grootegast, de dagen daarop Burum en Oldehove, half juli Onstwedde, enzovoort. Zo kwam hij op 15 september 1835 ook in Delfzijl, terwijl diezelfde dag ook in het nabijgelegen Hellum een Christelijke Afgescheidene Gemeente werd geïnstitueerd.
De Eerste Bijeenkomsten en Gevolgen
De behandeling van Mijdema had tot gevolg gehad dat Afgescheidenen en andere belangstellenden in elkaars huizen samenkwamen om in kleine kring, in een conventikel, 'godsdienst te vieren'. Twee van de drie ouderlingen in Delfzijl verzetten zich tegen de predikant en zijn prediking en tegen de ontwikkelingen die de laatste tijd hadden plaatsgevonden.
Op 10 september 1835 leidde ds. De Cock een kerkdienst in een woning aan de Landstraat, bewoond en als bedrijf gebruikt door bakker Koene S. van der Schuur (1803-1876) en schoenmaker N. Ronner. Twee veldwachters kwamen de zaak inspecteren en rapporteerden aan de burgemeester dat in de kamer waar ds. De Cock de preek hield en de dienst leidde, 19 personen aanwezig waren, waarmee het door de wet aan dit soort bijeenkomsten verbonden maximale aantal bezoekers niet werd overschreden. Echter, op de zolder waren nog eens vijftien toehoorders aanwezig en in een kamer, grenzend aan die waar ds. De Cock verbleef, zaten nog eens negentien.
Nadat hij de preek had gehouden, werden door de aanwezigen drie diakenen gekozen, twee uit Delfzijl en een uit het nabijgelegen dorp Farmsum. Een dag later, op 11 september 1835, was ds. De Cock in Farmsum. Ten huize van Jan S. van der Schuur (net als zijn broer in Delfzijl ook bakker) werd een kerkdienst gehouden, waar ongeveer veertig tot vijftig toehoorders aanwezig waren. Ook ’s avonds kwam men weer bij elkaar, maar nu in de woning van Jakobus Klok, die aan de Landstraat woonde. Daar waren dertien personen aanwezig.
De veldwachters kwamen ook weer kijken en bevalen de aanwezigen de ruimte te verlaten. Maar ds. De Cock gaf te kennen dat dit niet kon gebeuren, want de bevelen van de wereldse macht moesten worden getoetst aan Gods Woord. Toen de veldwachters de burgemeester daarvan op de hoogte stelden, zorgde die ervoor dat een detachement soldaten naar Delfzijl gestuurd werd.
De burgemeester kwam ook kijken: “Ik begaf mij [met het detachement soldaten] naar het huis van Jacobus Klok en deed het detachement voor de deur halt houden, terwijl ik mij door de officier vergezeld, naar binnen begaf en daar een talrijk gezelschap aantrof, gedeeltelijk nederzittende, gedeeltelijk door elkander lopende en waarvan ik uit hoofde van het zwakke lamplicht en de bij mijn komst plaatshebbende confusie, slechts enkelen kon herkennen. Ik wendde mij onverwijld tot meergemelde H. de Cock, die ik boven aan de tafel vond geplaatst, deed aan hem voorlezen, voor zover nodig, mijn stellige order van Z. Ex. De burgemeester richtte toen het woord tot ds. De Cock en beval de aanwezigen zich te verwijderen. Dat werd geweigerd. Hij herhaalde het bevel tot vijf maal toe, ook dit baatte niet. Ds. De burgemeester liet zich echter niet om de tuin leiden en gaf de veldwachters en militairen opdracht de kamer en de gang te ontruimen, en op straat aangekomen raadde de burgervader de aanwezigen dringend aan rustig naar huis te gaan. Hoewel de burgemeester ds.
Ds. De Cock was echter van zins om de verkiezing van ambtsdragers in Delfzijl voort te zetten, aangezien er nog alleen diakenen waren gekozen. Eerst ging de predikant echter naar Appingedam, waar hij op 13 september de Christelijke Afgescheidene Gemeente institueerde. Vermoedelijk werd daarna op 15 september in Delfzijl de instituering verder afgemaakt door ouderlingen te verkiezen en de ambtsdragers in het ambt te bevestigen.
De Eerste Kerkgebouwen en Uitbreidingen
Vanaf 30 oktober 1836 werden de bijeenkomsten gehouden in het huis van Koene S. van der Schuur. De samenkomsten werden al snel druk bezocht, waardoor er zelfs meerdere diensten gehouden moesten worden om iedereen plaats te kunnen geven.
Omdat het aantal dorstigen naar het Woord groeide, besloot men in 1838 een huis te kopen aan de Oude Schans. De kosten bedroegen fl. 700, op naam van zes kopers, leden van de gemeente. Het doel was om het achterste deel van het huis tot kerk in te richten. Onder opzicht van dokter J. Smit werd het huis verbouwd, wat nog eens fl. 700 kostte. Om de schuld te kunnen aflossen, ging in de kerkdienst geregeld een 'tweede zakje' rond.
Oefenaar Mijdema ging voor in de diensten. Dit werk heeft hij ruim vijf jaar verricht. Op 5 januari 1843 overleed hij, 73 jaar oud. 'Zijn overlijden werd een gevoelige slag voor de gemeente genoemd'. Er was vroeger nog een oefenaar, K.S. van der Schuur, maar deze was inmiddels naar Groningen verhuisd om daar door ds. T.F. de Haan (1791-1868) voor predikant te gaan studeren. Vandaar dat de ouderlingen A. Kema, J. Schuitema, S. Schreuder, A. de Graaf en H. Weuler in het vervolg een preek lazen, en zo nu en dan een predikant of een oefenaar lieten voorgaan.

Op Zoek naar een Eigen Predikant
De gemeente van Delfzijl had een eigen predikant nodig. Het voorgaan van al deze ouderlingen, afgewisseld door 'heuse predikanten', had geen gunstige invloed op de eenheid van de gemeente. Zelfs de kerkvisitatoren merkten in hun verslag op dat in de gemeente 'veel ellende en verdeeldheid' heersten.
Een van de twistappels was de vraag of de gemeente van Delfzijl bij de overheid erkenning zou vragen of niet. De eerste predikant die een beroep ontving was ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863) uit Benthuizen. Deze was bekend door zijn felle verzet tegen de door de overheid ingevoerde nieuwe psalmbundel, 'Evangelische Gezangen' genaamd. Het was verplicht in elke hervormde kerkdienst uit die bundel te laten zingen. De Afgescheidenen hadden daar grote bezwaren tegen, omdat zij die gezangenbundel beschouwden als een verzameling 'minneliederen', waarin de belijdenis van de kerk niet uitkwam.
De eerder genoemde Jacobus Klok, 'verwer en koopman te Delfzijl', schreef de brochure 'De Evangelische gezangen getoetst en gewogen en te ligt bevonden'. Ds. Ledeboer had de bundel, samen met het 'Algemeen Reglement' (dat in 1816 door de overheid in de plaats gesteld was van de aloude 'Dordtse Kerken Orde') van de preekstoel gegooid en in zijn tuin begraven.
Toen de kerkenraad van Delfzijl ds. Ledeboer beriep, zat hij in de gevangenis. Het schrijven (gedateerd 11 februari 1845) was gericht aan 'Den Wel Eerwaardigen Heer Ledeboer, Gereformeerd Leeraar van Benthuizen, thans gevangen'. De kerkenraad kon hem 'geen beloften van goud en zilver' doen, maar 'de Heere zal het brood zeker en het water gewis doen zijn'.
Ds. Th. De With (1814-1864) van ’t Zandt was de consulent van Delfzijl en hielp bij het opstellen van de brief. Maar de kerkenraad wachtte kennelijk de verdere gebeurtenissen af, want pas anderhalf jaar later besloot men de beroepsbrief toch maar niet te versturen. Mogelijk had de kerkelijk zeer onafhankelijke koers van ds. Ledeboer met dit besluit te maken. Toen bedacht de kerkenraad dat ds. De With misschien wel wilde, en beriepen ze hem.
Johannes Balhuizen: Oefenaar en Ouderling
Toen de kerkenraad in 1849 aan de manslidmatenvergadering voorstelde om de toen 25-jarige student Johannes Balhuizen (1823-1893) uit Winschoten te beroepen om als oefenaar in de gemeente te werken, ging men daarmee akkoord. Na afronding van zijn studie kon beslist worden hem als predikant te beroepen.
Hij studeerde bij ds. T.F. de Haan in Groningen en moest met de tijd die hij daarvoor nodig had rekening gehouden worden. Om de twee of drie weken zou hij komen 'oefenen' en catechiseren. Daarvoor kreeg hij fl. 300 per jaar. Maar de classis Appingedam had bezwaar tegen de door de classis Pekela verstrekte acte van bekwaamheid en besloot dat oefenaar Balhuizen niet vaker dan om de veertien dagen dienst mocht doen, en dat elke officiële verbintenis tussen hem en de gemeente van Delfzijl niet erkend werd.
De kerkenraad stemde er niet mee in. Het preeklezen door ouderlingen bracht lang niet zoveel mensen naar de kerk als wanneer Balhuizen oefende. Vandaar dat de kerkenraad hem tot ouderling benoemde en zo kon hij in de dienst toch voorgaan. De gemeente was tevreden met de oefenaar: 'Hij heeft hier vrij wat aanhangers verworven'. In september 1852 vertrok hij echter naar Groningen, om zich beter op zijn studie te kunnen concentreren.
Onenigheden en Fusie met Uitwierde
In Delfzijl waren nog steeds onenigheden aan de orde van de dag. Sommigen kwamen niet meer in de kerk maar kwamen in conventikels (huisgezelschappen) bij elkaar. Vandaar dat een commissie uit de classis een onderzoek instelde.
Op bezoek bij dissident A.D. de Graaf werd duidelijk dat deze drie jaar geleden zijns inziens niet billijk behandeld was toen hij op tal stond voor ouderling. Een andere bezwaarde, de vrouw van Jacob Zwarts, werd ook gevraagd waarom zij de kerkdiensten verzuimde. Zij vond dat 'de wereld teveel in de kerk' kwam. Ze was heel tevreden met het lezen van preken van de 'vrome oudvaders', zeer orthodoxe predikanten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Maar toen commissielid ds. A.B. Groen (1796-1854) van Garrelsweer zei dat ook vromen konden dwalen, werd ze vreselijk boos. Ook dokter Smit werd bezocht. Hij zei dat hij zich achter het uiteindelijke oordeel van de classicale commissie zou stellen.
Jacobus Klok wilde met de Afgescheiden kerk niets meer te maken hebben. Het was 'een valsche kerk', zo wist hij zeker (de voorgaande jaren waren een periode van aanvaringen en twisten tussen de kerkenraad en hem). Een van de bezwaarden had gezegd dat het het beste was de kerkenraad te laten aftreden en een nieuwe te kiezen en dan ook meteen een dominee te beroepen.
Dus ging men in 1852 op zoek naar een dominee. Dat wilde men graag doen in combinatie met de kleine - niet levensvatbare - gemeente van Uitwierde, in 1836 door ds. De Cock geïnstitueerd. Dat lukte het jaar daarop, toen meteen maar besloten werd de gemeente van Uitwierde bij die van Delfzijl te voegen. Besloten werd dat de vereniging van beide gemeenten geëffectueerd zou worden zodra een predikant gevonden was. Na een vergeefs beroep op ds. K.H. Talen (1815-1911) van Onstwedde nam kandidaat J.H.

Vergroting en Financiële Stabiliteit
Het huis aan de Oude Schans, dat in 1838 gekocht en deels als kerkruimte ingericht was, werd na verloop van tijd te klein. Al enige tijd werd gesproken over vergroting van de kerkzaal, tot naast de kerk aan de Oude Schans een huis te koop kwam. Het werd in 1850 door zeven gemeenteleden voor de gemeente aangekocht voor fl. 1.600. Beide nu in het bezit zijnde woningen (uiteraard minus de kerkruimte) konden toen worden verhuurd (een speciale commissie van 'kerkvoogden en notabelen' zorgde voor het onderhoud en de financiën).
Met de opbrengst daarvan kon de kerkruimte in het huis uit 1838 vergroot worden. Het bouwwerk werd uitbesteed aan Zwarts en Gransbergen en schilder Weuler zette het geheel in een fris verfje. In totaal kostte deze operatie fl. Het huis waarachter de kerkruimte zich bevond werd per 1 september 1850 verkocht (niet de kerkruimte zélf!). Dat bracht fl. 1.000 op.
De financiële situatie van de gemeente was in die tijd trouwens behoorlijk goed. In 1852 schreef een historieschrijver: ‘Hoewel de gemeente met vele wederwaardigheden heeft moeten worstelen, mocht dezelve evenwel onder dat alles nu en dan ‘s Heeren zegeningen nogal genieten, zoowel in- als uitwendig, meestal een goede opkomst onder de verkondiging des Woords, en waarbij de Heere zich niet onbetuigd heeft gelaten, daar menige vertroosting, bemoediging op opbeuring mocht worden gemaakt en wij nog mochten zien dat de Heere zich door genade ontdekte aan dezulken, die naar hem niet vraagden.’
Dienstplicht: wat was dat ook alweer? | ANDERE TIJDEN
tags: #christelijk #gereformeerde #kerk #delfzijl