De Haagse Schilderswijk wordt gekenmerkt door een complexe realiteit, waar enerzijds sprake is van toenemende criminaliteit en sociale problemen, en anderzijds de invloed van historische en religieuze ontwikkelingen, zoals de Reformatie, voelbaar is.
Criminaliteit en Verloren Grip in de Schilderswijk
Een inval in een van de wijkclubhuizen leidde ertoe dat dolgedraaide onderwijzers weigerden nog langer in de school te werken. Vanuit het politiekorps komen signalen dat de sterke arm haar grip op de buurt heeft verloren. Een treffende uitspraak illustreert de situatie: „Als je daar met een Mercedes de straat inkomt, ligt óf je voor- óf je achterraam eruit." Desondanks blijven officiële spreekbuizen zich bedienen van verhullend taalgebruik, wat de situatie in de Haagse Schilderswijk en de bestuurlijke rookgordijnen verder compliceert.
Alleen al het noemen van de naam van de wijk is voldoende om de meest zwijgzame buurtbewoners, politieagenten en andere betrokkenen aan het praten te krijgen. Stuk voor stuk staan ze echter erop dat ze anoniem blijven. „Het is keihard publiek meneer," verontschuldigt zich een ex-Schilderswijkbewoner. „Ze zullen heus zijn ruiten niet ingooien. Ze pakken je wel op een andere manier."
Ziekte en angst voor represailles waren ook de reden dat de negen onderwijzers van de Van Ravensteinschool in de Schilderswijk zich vorige week maandag collectief ziek meldden. Vier dagen eerder had een speciaal politieteam een inval gedaan in het clubhuis 't Honk, dat op steenworp afstand ligt van de school, om een vijftien leden tellende jeugdbende op te rollen. Al vrij snel circuleerde in de wijk het gerucht dat de jeugdige verdachten door het personeel van de school waren verlinkt. Vanaf dat moment stond het besluit van de onderwijzers vast.
„Het gaat om leerkrachten die de wijk goed kennen," zegt gemeentevoorlichter Rein van Gisteren ten overvloede. Zelf weigeren de betrokken onderwijzers ieder commentaar. Volgens de gemeentelijke onderwijsinspectie zijn zij aan het eind van hun Latijn. Wat er in de maanden die aan hun ziekmelding voorafgingen, heeft afgespeeld, komt slechts stukje bij beetje aan het licht.
De gearresteerde jeugdbende is ingesloten op verdenking van een tachtigtal strafbare feiten, zoals vernielingen, geweldpleging, een gewapende overval, inbraken en diefstallen. De bende beschouwde heel Nederland als haar werkterrein. Intussen zijn ook de beheerders van het clubhuis aangehouden op verdenking van heling. De politie onderzoekt nog geruchten over kindermishandeling en „pesterijen". Verder zou de bende jeugdige buurtgenoten onder bedreiging hebben aangezet tot stelen en roven. Wie weigerde, mocht kennismaken met de Dobermann van een van de bendeleden.
„Van die verhalen," zegt politiewoordvoerder J. K. Nubé, „kunnen we redelijkerwijs wel inschatten wat er ongeveer heeft plaatsgevonden. In het proces-verbaal zullen die verhalen in ieder geval worden vermeld zodat de rechter daar kennis van kan nemen. Alleen, aangifte hebben we er niet van. Onder de buurtbewoners bestaat een behoorlijke drempel om naar de politie te stappen."

De Schilderswijk als een "Jungle"
De politiewoordvoerder ontkent dat de ordebewaarders hun zeggenschap in grote delen van de Schilderswijk hebben verloren. Maar in de buurt wordt om die ontkenning geglimlacht. „Een inval in 't Honk, dat durven ze nog wel. Dan komen ze met watergekletter en in 't harde pak. Dat buurthuis ligt ook wat afgezonderd. Maar hier in de straat zie je ze niet. Als hier ooit een politiewagen langskomt, keren we het hele zaakje gelijk om."
Een aannemer, die in opdracht van de gemeente een rijtje vervallen huizen aan de rand van de Schilderswijk opknapt, zou er niet van opkijken. „Ze zijn hier tot alles in staat. Dit is gewoon een jungle. Toen ik hier voor het eerst kwam om het werk op te nemen, kwam er meteen iemand op me af die vroeg wat ik te zoeken had. Ik kreeg niet eens de kans om het uit te leggen. Hij rende naar binnen, kwam terug met een stiletto en gaf me de keuze tussen een mes in m'n ribben of wegwezen. Wat ik hier in die tijd heb meegemaakt, daar kan ik wel een boek over schrijven. Als ik koffie ga drinken, kan ik nog geen stukje gereedschap laten liggen. Ze houden me constant in de gaten. Ik sta zo gespannen als een veer. Als ik 's avonds thuiskom, ben ik op van de zenuwen. Er is één voordeel. Ik heb er een best putje aan. Je rommelt maar wat, er durft toch geen opzichter te komen kijken. En waar zou je 't voor doen? Over een paar jaar kun je weer van voren af aan beginnen. De meesten hier in de straat werken niet. Al verschillende keren hebben ze ons gevraagd of we „geklauwde" spullen willen kopen. Waar die van leven, kun je wel raden."

Vroeger Gezellig, Nu Veranderd
Vroeger, zeggen ex-buurtbewoners, was de Schilderswijk nog gezellig. De bevolking bestond hoofdzakelijk uit vertegenwoordigers van de werkende klasse en wat hen verbond was de wetenschap dat ze voor een dubbeltje geboren waren en wel nooit een kwartje zouden worden. Over die tijd doen de meest kleurrijke anekdotes de ronde, zoals het verhaal van ome Siem die elke avond met een stuk in de kraag thuis kwam en elke avond weer door zijn vrouw werd afgedroogd. En burenruzies waren een vertrouwd verschijnsel, maar de volgende dag dronk je dan samen een potje bier en was alles vergeten en vergeven. Zo was er wel eens meer wat „maar dat kon je van mekaar hebben". De meesten zouden er dan ook het liefst tot hun laatste ademsnik zijn blijven wonen.
Dat voornemen hebben veel oorspronkelijke Schilderswijkbewoners echter al jaren geleden laten varen. De gemeente Den Haag besliste dat de Schilderswijk in het kader van de stadsvernieuwing een grondige opknapbeurt moest ondergaan en de staat van de meeste huizen was zo slecht dat er alom kaalslag diende plaats te vinden. Vooruitlopend op de sanering trokken de eerste Schilderswijkbewoners naar elders. Een kettingreactie was het gevolg. De leeggekomen huizen werden vrijwel zonder uitzondering betrokken door Turken, Marokkanen, Portugezen, Surinamers en anderen die zich op de laagste treden van de maatschappelijke ladder bevinden.
De nog overgebleven autochtonen trokken daaruit hun conclusies en pakten eveneens hun biezen. Hun huizen werden ook weer door „kansarmen" gekocht, gehuurd dan wel in bezit genomen. Zo kon het gebeuren dat verschillende gedeeltes van de Schilderswijk in enkele jaren tijds voor 80 tot 90 procent werden bevolkt door import, randgroepjongeren, drugshandelaars en andere vertegenwoordigers van de zelfkant van de samenleving. Sinds die tijd tieren verpaupering, criminaliteit en vandalisme er welig.
Officiële Reacties en Rookgordijnen
Van officiële zijde wordt daar merkwaardig genoeg slechts luchtigjes op gereageerd. Gemeentevoorlichter Rein van Gisteren wil dan wel toegeven dat de Schilderswijk „een probleembuurt" is, maar haast zich om daaraan toe te voegen dat dat een stad juist boeiend maakt. Al even dik is het rookgordijn dat zijn collega Paul Andriessen van de afdeling stadsvernieuwing probeert aan te leggen. „Er doen zich natuuriijk moeilijkheden voor in de Schilderswijk. Maar dat is niet iets wat voortkomt uit de samenstelling van de bevolking, althans dat is moeilijk te bepalen. Het is wel zo dat, naarmate de stadsvernieuwing voortschrijdt, we met elkaar moeten constateren dat je weliswaar mooie nieuwe woningen kunt neerzetten, maar dat je daar allerlei sociale problemen niet mee oplost. Dat is de reden dat we bezig zijn om stadsvernieuwingsprogramma's op te zetten in samenhang met sociale programma's. Dat betekent de bouw van club- en buurthuizen, scholen, winkelcentra en sportvoorzieningen. Dat beleid sorteert duidelijk effect, ook in de Schilderswijk die al voor 70 procent is gesaneerd."
De Erfenis van de Reformatie en Calvijn
Het Protestantisme vindt zijn specifieke oorsprong in de godsdienstige hervorming, de Reformatie, die in de 16e eeuw startte met Luther, Melanchton, Zwingli, Farel, Calvijn en anderen. De geschiedenis van het christendom begon vijftien eeuwen daarvoor. Ze is begonnen na de tijd dat Jezus van Nazareth leefde en stierf en een kleine gemeenschap van gelovigen voortging in zijn spoor. Na de opwekking van Jezus vormen zij een gemeente. Over de eerste christenen vertelt het boek Handelingen in het Nieuwe Testament: „Zij dan, die zijn woord aannamen werden gedoopt, en er werden op die dag omtrent drieduizend zielen toegevoegd… En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk." (Hand. 2:41, 44).
De lange geschiedenis van de leerlingen van Jezus werd getekend door vervolgingen maar ook door splitsingen. Al snel was er sprake van een breuk met het Jodendom, waar de eerste christenen aanvankelijk nog bij hoorden. Ook de ‘ketterijen’ uit de vierde en vijfde eeuw brachten veel strijd. Blijvend is ook de breuk geweest tussen de Rooms-Katholieke en de Orthodoxe Kerk in de 11e eeuw. In de 16e eeuw tekende zich in Europa een nieuwe breuk af tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Reformatie, die tot op vandaag bestaat (al bestaat er tegenwoordig een hartelijke oecumenische samenwerking).
Deze „nieuwe weg" in de geschiedenis van het christendom hebben de reformatoren als een noodzakelijke stap beleefd. Zoals Pierre Chanu stelt: „De Reformatie kan niet gelijkgesteld worden aan een ketterij. De Augustana, d.w.z. de Lutherse geloofsbelijdenis (25 juni 1530), en Calvijn staan aan de kant van de orthodoxie van de grote concilies van Nicea en Chalcedon, tegen de ketters van de eerste eeuwen en van alle eeuwen. Vanaf dat ogenblik krijgen we een Kerk die zich op twee manieren t.o.v. de wereld opstelt."
De hervorming binnen de Rooms-Katholieke Kerk was aan de orde sinds drie concilies in de loop van de vijftiende eeuw. Deze hadden gepoogd een oplossing te vinden voor het verval, zowel binnen de priesterklasse als bij de leken. Op 31 oktober 1517 had Martin Luther, door het publiek maken van zijn 95 stellingen, duidelijk zijn positie bepaald. De Reformatie begon in de 16e eeuw bijna tegelijk in verschillende Europese landen.
België was in de zestiende eeuw een kruispunt van Europa. Het maakte deel uit van prinsdommen, die door de Bourgondische hertogen in de voorgaande eeuw verzameld werden. Het geheel, beter bekend als „Zeventien provincies van de Nederlanden," omvat het geheel van de huidige Benelux, het noorden van Frankrijk en het westen van Duitsland. Onder keizer Karel V werden de eerste tekenen van de Reformatie zichtbaar. Deze prins werd te Gent geboren in 1500. Hij werd de keizer van Duitsland, koning van Spanje en Sicilië en erfde de Nederlanden in 1515. Hij heerste over de helft van de Europese wereld.
De Reformatie in ons land begon te Antwerpen, waar de gedachten van Martin Luther verspreid werden door de augustijner monniken, handelaren van het verbond van de Hanzesteden en door drukkers. Vanaf 1519 liet Desiderius Erasmus, een christelijk humanist, aan Luther weten dat zijn boeken in de stad gelezen werden en zijn evangelische boodschap verkondigd werd door o.a. de abt Jacobus Praepositus. De vervolging was hard en veel van deze monniken werden gevangen gezet te Vilvoorde. Op 1 juli 1523 werden twee van hen, Henri Voes en Jan van Esschen, die geweigerd hadden hun geloof af te zweren, ‘s morgens naar de Markt van Brussel gebracht. Eerst werden ze uit hun priesterlijke stand gezet en na de middag werden ze verbrand.
Ook andere invloeden deden zich in onze Provincies gelden. De gedachten van Martin Bucer (van Straatsburg) en van Ulrich Zwingli (van Zürich) waren er bijvoorbeeld. Deze werden uitgewerkt door Johannes Calvijn. Ook de zg. ‘wederdopers’ lieten van zich weten, hier onder leiding van Conrad Grebel en Melchior Hoffmann. Het anabaptisme erkende weliswaar de kinderdoop, maar eiste een herdoop op volwassen leeftijd. Tot op vandaag zijn de baptisten en de mennonieten de nazaten van het geweldloze anabaptisme.
Verschillende ideeën waren dus in omloop, die van ‘populaire spontane bewegingen’ stilaan overgingen naar een kerkelijk instituut, in de loop van het tweede kwart van de zestiende eeuw. Het Calvinisme, dat zich vanaf de jaren 1540 manifesteerde, gaf een nieuwe oriëntatie aan de beweging, door op te komen voor de godsdienstige en politieke vrijheid. In minder dan twintig jaar nam het Calvinisme een overheersende plaats in tussen de kerken die uit de Reformatie stamden. Er kwam een georganiseerde, dynamische en democratische beweging op gang, via de ontwikkeling van de kleine, verboden bijeenkomsten. Er ontstonden geleidelijk goed georganiseerde kerken, geleid door ‘kerkenraden’, die waren samengesteld uit een pastor (voorganger) en leken (ouderlingen en diakenen) en op hun beurt weer bijeengebracht in een nationale Synode.
Vanaf het eerste begin van de Reformatie hadden burgerlijke en religieuze overheden gereageerd door het publiceren van talrijke verordeningen - plakkaten - tegen de ‘ketterij’. Reeds in 1527 werd de schilder Bernard de Orley wegens ketterij veroordeeld. Zijn standbeeld werd opgericht op de Kleine Zavel te Brussel. Daar verkeert hij in goed gezelschap van andere bekende protestanten, zoals Willem van Nassau (de Zwijger), die in het paleis van Dürer verbleef in 1520 en waarvan we als laatste overblijfsel de kapel van Nassau kennen, palende aan de Albertina bibliotheek.
Op 14 oktober 1529 werden alle ketters tot de doodstraf veroordeeld en werd overgegaan tot inbeslagname van hun goederen. De Rooms-Katholieke Kerk kende de Inquisitie en Karel V schiep een staatsinquisitie. Duizenden verdachten werden aangehouden en velen ter dood gebracht. In het Brusselse werden vele gereformeerden opgesloten in de gevangenis die zich in een straat achter het Stadhuis bevond.
In 1566 wordt het aantal protestanten op driehonderdduizend geschat, 20% van de bevolking. In het hotel Culembourg te Brussel (waar zich vandaag de kazerne Prins Albert bevindt) werd een smeekschrift opgesteld en getekend door meer dan duizend edelen, dat door 300 van hen aan de gouvernante Margaretha van Parma werd voorgelegd met het oog op de opheffing van de plakkaten. Op 5 april 1566 diende deze stoet van het Verbond, gekend onder de naam van het ‘Eedverbond van de Edelen’, zich aan bij het paleis van de gouvernante.
De hertog van Alva liet vervolgens in 1568 het hotel van Culembourg met de grond gelijk maken en er zout uitstrooien om die plaats te zuiveren. Een verzoeningskolom werd opgericht “wegens de conspiraties die men er hield tegen de Rooms-Katholieke Kerk en tegen de koning Filips II, katholieke koning van Spanje”. In 1568 werden negentien edelen onthoofd op de plaats van de Grote Zavel, die toen de Paardenmarkt werd genoemd. Andere massale en spectaculaire terechtstellingen hadden plaats op de plek waar nu het Paleis van Justitie staat of op de Grote Markt. Daar werden Lamoral, graaf van Egmont, en Philippe de Montmorency, graaf van Hoorn, onthoofd.
Een kroniek van die tijd preciseert: “Hun hoofden werden op hoge palen gespiesd en bleven er. Bij het lichaam van de graaf van Egmont werden twee brandende kaarsen geplaatst omdat hij als katholiek stierf. De gereformeerden hielden hagenpreken, die duizenden hoorders bijeenbrachten. De beeldenstormers, die ongelukkigerwijze de heiligenbeelden in de kerken vernielden, verbroken het wankel evenwicht tussen de aanwezige machten. Velen werden ter dood veroordeeld.
De gouvernante liet de troepen uitrukken om haar wil op te leggen, wat een opstand in verschillende steden tot gevolg had: Bois-le-Duc, Doornik, Valenciennes. Deze laatste gaf zich na een langdurig beleg over. Koning Filips II stuurde de hertog van Alva met 12.000 soldaten. Hij richtte de ‘Raad van Beroerte’ op die meer dan 12.500 personen veroordeelde. Talrijke gereformeerden doken onder en kwamen in opstand. De Bos- en de Zeegeuzen namen op 1 april 1572 Den Briel in.
Alva werd door de koning teruggeroepen. De nieuwe gouverneur Don Luis de Requesens kende verscheidene militaire nederlagen en probeerde via onderhandelingen tot een akkoord te komen. Gedurende de periode zonder gouverneur hadden de Staten Generaal de macht en riepen op 8 november 1576 de Pacificatie van Gent uit, terwijl de muitende soldaten - de Spaanse furie - de stad Antwerpen onder de voet liepen.
In de loop van de maand augustus 1577 nam een opstandige groep van 18 leden de macht over te Brussel. De stad werd een kleine calvinistische republiek: de Geuzen waren op het stadhuis. De steden Gent, Antwerpen, Brugge, Kortrijk, Ieper, Doornik en Dendermonde volgden dit voorbeeld. Gedurende de periode van de calvinistische republiek (1577-1585) werden de kerken van de stad en zelfs de St.-Michielskathedraal als cultusplaatsen van de gereformeerden gebruikt en werden de diensten in het Nederlands gehouden.
Intussen werd het leger van de Staten Generaal verslagen te Gembloers. Don Juan kon van deze overwinning geen voordeel behalen, aangezien hij kort daarop overleed te Bouge. Zijn luitenant, Alexander Farnèse, prins van Parma, volgde hem op. De Unie van Arras (1579) riep de afscheiding van de Generale Staten van de staten Artois, Henegouwen en Frans Vlaanderen uit. De troepen van Farnèse bezetten de provincies Namen, Limburg en Luxemburg. De prins van Parma begon een heroveringstocht. Zo vielen Maastricht in 1579, Cambrai in 1581, Doornik in 1582 en Ninove, Duinkerke en Eindhoven, waarna het Waasland, Ieper, Brugge en Gent werden geïsoleerd en vielen in 1584.
Willem van Nassau, prins van Oranje, werd in die tijd te Delft vermoord. Oostende hield stand tot in 1604. In Brabant werden Brussel, Mechelen en Antwerpen belegerd; zij moesten zich ‘verzoenen’ in 1585.

Migratie en Religieuze Vrijheid
Gedurende de tijd van het Ancien Régime waren er perioden dat mensen vluchtten wegens geloofsredenen. In de zestiende eeuw echter ging het om een massale uitwijking waarbij ongeveer 250.000 personen betrokken waren. Sommigen trokken naar de noordelijke Nederlanden, die bevrijd waren door de Geuzen. De Vlamingen mengden zich onder de Nederlandstalige bevolking. In Engeland, onder de bescherming van koning Eduard VI, werd te Londen een eerste gemeente van ‘Strangers’ opgericht in 1547. De vluchtelingenkerk te Canterbury (oud-Nederlands Kantelberg) bestaat nog altijd en houdt haar diensten elke zondag om 15 uur in de krocht van de Anglicaanse kathedraal.
In Duitsland werden twintig Waalse en dertien Vlaamse gemeenten opgericht, namelijk te Emden, Wezel en Frankfurt, en later in de Palts. In de 18e eeuw strekte de emigratie zich uit tot Polen en Hongarije. Louis de Geer trok naar Zweden waar hij de hoogovens vernieuwde. Het gebied er omheen werd de Nederlandse provincie van Nieuw-België.
De aartshertogen Albert en Isabella poogden het Protestantisme een halt toe te roepen door het uitvaardigen van plakkaten, door religieuze orden (o.a. de Jezuïeten) te bevoordelen, door Oostende aan hun genade over te leveren en de laatste mennonieten gemeenschappen van Zomergem en Lovendegem uiteen te drijven.
Op het eind van de 17e eeuw en het begin van de 18e brachten de oorlogen tegen Louis XIV Engelse en Nederlandse troepen, o.l.v. generaal John Churchill, graaf van Marlborough, in onze streken, die de gereformeerden gunstig gezind waren. Aan deze situatie kwam een einde door het Barrièretraktaat (1715), alhoewel de Verenigde Provincies gepoogd hadden een algemene godsdienstvrijheid te bekomen voor onze provincies, die van de Spaanse Habsburgers overgingen naar de Oostenrijkse Habsburgers.
De godsdienstvrijheid werd wel verleend aan de soldaten van de Hollandse garnizoenen en protestantse kerken werden geopend te Namen, Doornik, Menen (sinds 1706 was de St.-Janskapel aan de gereformeerden toegewezen), Veurne, Waasten, Ieper en Dendermonde.
Door de Verlichting kwam een tolerantere houding t.o.v. de protestanten. Op 12 november 1781 kondigde Jozef II het decreet ‘over de Tolerantie’ af dat ook aan de ‘akatholieken’ godsdienstvrijheid toekende. De cultusvrijheid werd beperkt tot het privé-leven. Het decreet werd verder uitgewerkt i.v.m. scholen en gemengde huwelijken.
Tussen 1789 en 1800 veranderde België voortdurend van politiek regime: Verenigde Belgische Staten, herstel van het Oostenrijks bewind, Franse invasie en annexatie en bewind onder de naam van de Verenigde Departementen. Met de veranderingen veranderde ook het religieuze leven: herstel van tolerantie, vrijheid van eredienst, die later weer verboden werd. Men moest wachten op Napoleon Bonaparte voordat zich een definitieve vrijheid aankondigde, via een wet op de protestantse eredienst van 18 germinal van het jaar 10 (8 april 1802). Deze wet hield ook rekening met de kerken van de Augsburgse Confessie (luthersen). Ze werd voor een groot deel overgenomen door de Belgische wetgeving.
Het departement van de Ourthe vermeldt de gemeente van Eupen, Hodimont, Olne-Dalhem, Kirscheiffen en Schleiden. Het departement van Jemappes had de gemeenten Dour, Wasmes-Paturages en Rogny. In het departement van de Dijle werd een gemeenschap erkend te Brussel, terwijl niet-officiële gemeenten bestonden te Gent, Etikhove, Horebeke en Mater in het departement van de Schelde en te Antwerpen voor het departement van de twee Neten.
Het congres van Wenen in 1814 verbond België en Holland onder Willem I. Hij reorganiseerde de protestantse cultus in België en nieuwe gemeenten ontstonden te Brussel (in het Nederlands), te Luik, Hoei, Doornik en Oostende. Militaire aalmoezeniers werden aangesteld te Brugge, Namen, Bergen, Bouillon, Oudenaarde en Aarlen.
Vanaf 1836 hadden voorgangers de ‘Société évangélique belge’ opgericht, die zich vooral in Wallonië met een intensieve verkondiging bezighield. Anderzijds gingen 16 gemeenten, die aan zichzelf overgelaten waren sedert de Belgische revolutie, over tot het oprichten van de ‘Bond van de protestantse-evangelische kerken’, die in de oprichtingsvergadering van 22 april 1839 een synode instelde. Volgens een tekst van 6 mei 1839 (niet gepubliceerd in Het Staatsblad) werd de synode erkend als enige kerkelijke overheid van deze kerken en als hun spreekbuis.
De grondwet zorgde voor een basis voor een Staat die zich neutraal opstelde in religieuze zaken, maar die tegelijk een positieve houding aannam t.o.v. van de verschillende rites. Deze pluraliteit werd goedgekeurd, ook al maakten de protestanten slechts een minderheid van de bevolking uit. Zou men hierin de invloed van Leopold I, zelf protestant en vrijmetselaar, kunnen terugvinden? Dominee Sheler werd door de koning als zijn kandidaat voor de kerk van Brussel (Koninklijke Kapel) naar voren geschoven.
In 1875 wordt door dominee Nicolaas de Jonge te Brussel een ‘Vlaamse Opleidingsschool voor evangelisten’ opgericht, waarvan de bekendste leerling Vincent Van Gogh zou worden. In 1880 werd door dominee James Hocart de Protestantse Liberale Kerk van Brussel gesticht die in 1888 door d...