De betekenis en ontwikkeling van het evangelie

Het Nederlandse taalgebied kent twee bepaalde lidwoorden: 'het' voor onzijdige woorden en 'de' voor mannelijke en vrouwelijke woorden. Voor moedertaalsprekers is het meestal vanzelfsprekend welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort. Voor wie Nederlands leert, is dit echter vaak een kwestie van uit het hoofd leren, aangezien er geen sluitende regels voor bestaan. De Ensie lidwoordentool, met een database van 134.587 lidwoorden, biedt hierbij uitkomst door eenvoudig het juiste lidwoord te achterhalen, met inachtneming van de officiële Nederlandse spelling.

De term "evangelie" is afkomstig van het Griekse woord euaggelion, wat 'goede (blijde) boodschap' betekent. De betekenis van het woord "Evangelie" verwijst primair naar het "Goede Nieuws van heil" en de verkondiging ervan. Dit kan zowel betrekking hebben op de prediking van Jezus zelf, die de nabijheid van het Koninkrijk van God verkondigde, als op de latere prediking van zijn volgelingen, die uiteenzetten hoe Gods heil in de persoon van Jezus Christus werd gerealiseerd. Aanvankelijk werd dit "Goede Nieuws" uitsluitend mondeling overgedragen en doorgegeven. Zo duidde de apostel Paulus in zijn brieven zijn verkondiging vaak aan als 'mijn evangelie'.

Pas in het midden van de tweede eeuw, bij de martelaar Justinus, werd met het woord 'evangelie' ook verwezen naar een geschreven tekst. Vanaf dat moment werd 'evangelie' de naam voor elk van de vier boeken van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes. Deze vier boeken delen de intentie om een schets te geven van de heilsbetekenis van Jezus' levensloop, zijn woorden en daden, met nadruk op zijn lijden, dood en verrijzenis. Omdat er in die tijd meerdere geschriften in omloop waren die aan deze doelstelling voldeden, werd het woord 'evangelie' voortaan ook in het meervoud gebruikt.

De vorming van de evangeliën

De vier evangeliën zijn niet in één keer op schrift gesteld, maar kennen een lange ontstaansgeschiedenis. Ze zijn samengesteld uit diverse tradities die teruggaan op Jezus zelf of op de eerste christelijke gemeenschappen. Elk evangelie verraadt echter ook de invloed van de evangelist-redacteur die verantwoordelijk is voor de huidige compositie. Over de precieze ontstaansgeschiedenis van de evangeliën bestaat geen consensus. Door de geschiedenis heen zijn er verschillende theorieën opgesteld om zowel de verschillen als de overeenkomsten tussen de evangeliën te verklaren. De heersende opvatting onder bijbelgeleerden is momenteel de 'tweebronnentheorie'.

Volgens de tweebronnentheorie is Marcus het oudste evangelie, waarschijnlijk rond 70 na Christus in Rome tot stand gekomen. De evangelisten Matteüs en Lucas hebben bij het schrijven van hun evangeliën het evangelie van Marcus als bron gebruikt. Daarnaast hebben zij, ieder op hun eigen wijze, een tweede bron benut: een apart bestaande verzameling uitspraken van Jezus. Het evangelie van Johannes staat los van deze tweebronnentheorie; de overeenkomsten met de synoptici zijn beperkt, maar dit sluit niet uit dat ook Johannes op oude bronnen teruggaat.

De synoptische evangeliën

Uit de ontstaansgeschiedenis blijkt dat de eerste drie evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas) een aparte categorie vormen in vergelijking met het vierde evangelie (Johannes). Dit komt door hun sterke overeenkomst in verhaalstof en ordening. Deze overeenkomst is zo significant dat ze in drie kolommen naast elkaar geplaatst kunnen worden voor een overzichtelijk beeld. Vanwege deze 'samen-zien' wordt het Griekse woord 'synopsis' gebruikt, wat verklaart waarom deze drie evangeliën de synoptische evangeliën worden genoemd.

Van vele evangeliën naar vier canonieke evangeliën

Gedurende de tweede eeuw ontstonden er tal van nieuwe geschriften die qua naam, inhoud en stijl veel overeenkomsten vertoonden met de reeds bestaande (en oudere) brieven, evangeliën en handelingen zoals die bekend zijn uit het huidige Nieuwe Testament. Hierdoor ontstond geleidelijk de behoefte aan een vaste verzameling van erkende geschriften: een canon van het Nieuwe Testament. Deze ontwikkeling verliep spontaan, maar niet willekeurig. Bij het vaststellen van de canoniciteit van een geschrift werden criteria gehanteerd zoals:

  • Apostolische oorsprong: Ging het geschrift terug op een apostel of iemand uit zijn directe omgeving?
  • Gebruik in de liturgie: Werd het geschrift al lange tijd aangewend in liturgische samenkomsten?
  • Rechtgelovigheid: Vertolkte het geschrift inzichten die in overeenstemming waren met de bredere apostolische traditie en verkondiging?

Historisch gezien is bekend dat de huidige vier evangeliën reeds in het midden van de tweede eeuw als een onderdeel van het Nieuwe Testament werden beschouwd. Alleen deze evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes werden opgenomen in de canon en worden daarom de vier canonieke evangeliën genoemd. Naast deze vier werden echter ook andere, jongere, evangeliën geschreven, zoals het evangelie van de Nazareeërs, van de Hebreeën en van de Egyptenaren. Deze evangeliën kennen we slechts uit citaten in andere werken uit de christelijke oudheid. Van het evangelie van Petrus is slechts een fragment bewaard gebleven. Bekender zijn het evangelie van de Waarheid, van Filippus, van Judas en van Thomas. Deze evangeliën bevatten voornamelijk uitspraken en weinig verhalende stof over het leven van Jezus. Het proto-evangelie van Jakobus beperkt zich tot Maria en de omstandigheden rond de geboorte van Jezus. Deze niet-canonieke geschriften worden apocriefe evangeliën genoemd.

symbolen van de vier evangelisten: mens/engel voor Matteüs, leeuw voor Marcus, stier voor Lucas en adelaar voor Johannes

De evangelisten en hun symbolen

In de loop van de geschiedenis kreeg elk van de vier evangeliën een eigen symbool toegewezen, dat vaak terugkeert in glasramen, bas-reliëfs, mozaïeken en boekversieringen. Matteüs wordt afgebeeld als een mens (of engel), Marcus als een leeuw, Lucas als een stier en Johannes als een adelaar. De oorsprong hiervan ligt bij een passage uit de Openbaring van Johannes, waarin vier dieren rond de troon van God worden beschreven: een leeuw, een jonge stier, een dier met het gelaat van een mens en een adelaar in zijn vlucht. Oud-christelijke schrijvers, zoals Ireneüs van Lyon in de tweede eeuw, hebben deze vier dieren verbonden aan de vier evangelisten.

De oorspronkelijke betekenis van 'evangelie'

Het woord 'evangelie' duidt in het Nieuwe Testament op de 'goede boodschap' die door Jezus Christus is verkondigd. Het is afgeleid van het Griekse euangelion, wat 'goede boodschap' betekent. In het Nieuwe Testament komt dit woord voornamelijk voor in de brieven van Paulus en staat het steeds in het enkelvoud, verwijzend naar Jezus' verkondiging van de nabijheid van het Rijk Gods. De Blijde Boodschap werd aanvankelijk mondeling doorgegeven, zoals Paulus zijn prediking aanduidde als 'mijn evangelie'.

In het Oude Testament wordt het werkwoord 'evangelie verkondigen' gebruikt voor het verspreiden van een vreugdevolle tijding, zowel in profane zin (zoals de geboorte van een zoon) als in specifiek religieuze zin, ter aanduiding van Gods heilbrengende daden. Psalmen zoals 40,10 en 68,12 verwijzen naar concrete daden van uitredding, terwijl Psalm 96,2 spreekt over Gods heilbrengende daad in absolute zin, namelijk de boodschap dat de HERE Koning is. Deze boodschap moest niet beperkt blijven tot Israël, maar ook aan volken en natiën verkondigd worden.

In het tweede deel van de profetie van Jesaja (vanaf hoofdstuk 40) krijgt het woord 'evangelie' een nog grotere betekenis. Hierin is het verkondigen van het evangelie de boodschap van de definitieve overwinning van de HERE en het aanbreken van de verwachte heilstijd. De inhoud van deze boodschap is de komst van God zelf tot zijn volk, wat tevens de komst van het rijk van heil en vrede betekent. De 'vreugdebode' die deze boodschap verkondigt, wordt opgeroepen om zijn stem met kracht te verheffen, zoals beschreven in Jesaja 40,9 en 52,7-8. Deze vreugdebode werd in de Joodse literatuur vaak geïdentificeerd met de Messias, die vrede aankondigt.

In de nieuwtestamentische tijd dacht men binnen het Palestijnse jodendom bij het 'verkondigen van het evangelie' dus niet aan een willekeurige goede tijding, maar specifiek aan de in Jesaja aangekondigde boodschap van het vervulde heil van God. Wanneer in het Nieuwe Testament de woorden 'evangelie' en '(het evangelie) verkondigen' worden gebruikt, wordt hiermee aangegeven dat wat het Oude Testament in het vooruitzicht stelde en waar men naar uitzag, nu, met de komst van Jezus, werkelijkheid is geworden. Jezus' antwoord op de vraag van Johannes de Doper, "armen ontvangen het evangelie", benadrukt de centrale betekenis van deze boodschap. De apostelen mochten na Pinksteren eveneens het evangelie verkondigen, waarbij dit werkwoord een specifieke zendingsterm werd.

Toen het evangelie van de aangebroken heilstijd zich verspreidde in de hellenistische wereld, kreeg het woord 'evangelie' een nieuwe kleur door de opkomende keizercultus. De keizer werd vereerd als een heiland, en momenten uit zijn leven werden beschouwd als bewijs van goddelijk ingrijpen, wat aanleiding gaf tot het verkondigen van een 'evangelie'. Zo luidt een inscriptie uit Priëne (9 v. Chr.): "De geboortedag van de god (= keizer Augustus) was voor de wereld het begin van de evangeliën die om zijnentwil zijn uitgegaan". De hellenistische wereld was gevuld met dergelijke 'evangeliën', en juist door het zendingswerk kreeg de verkondiging van het ene ware evangelie een sterk antithetisch karakter.

Pas later kreeg het woord 'evangelie' de betekenis van 'evangelieboek'. Bij Ignatius van Antiochië (begin tweede eeuw) heeft het deze betekenis nog niet; hij verwijst naar het evangelie als 'het vlees van Jezus', wat duidt op de inhoud ervan. In de eerste brief van Clemens en de Didachè (eind eerste en begin tweede eeuw) wordt het woord 'evangelie' evenmin gebruikt in de zin van een evangelieboek. In de vroege kerk beschouwden veel kerkvaders met het woord 'evangelie' het hele Nieuwe Testament, in tegenstelling tot het Oude Testament. Irenaeus van Lyon (rond 185) onderscheidde weliswaar het ene evangelie van de verschillende evangeliën, maar benadrukte dat het ging om 'het evangelie Gods'.

De betekenis 'evangelieboek' is specifiek voor het christelijk spraakgebruik. Voor het begrip van de evangeliën is het cruciaal om te onthouden dat het woord oorspronkelijk verwees naar de verkondiging van de blijde boodschap. Tussen het verkondigde en geschreven evangelie bestaat een direct verband van herkomst en doel. Het geschreven evangelie gaat terug op het verkondigde evangelie, een opvatting die breed gedragen werd in de oudkerkelijke traditie. Eusebius en Irenaeus vermelden dat Marcus zijn evangelie schreef op basis van Petrus' onderricht, Lucas het door Paulus verkondigde evangelie te boek stelde, en Matteüs' evangelie een neerslag is van vroegere prediking. Johannes' evangelie staat waarschijnlijk verder af van de directe mondelinge verkondiging.

De evangeliën geven geen 'neutrale' informatie over Jezus, maar beschrijven wat nodig is in verband met het geloof. De nadruk ligt op Jezus' sterven en opstanding, omdat deze van centrale betekenis zijn voor het geloof. Een onevenredig groot deel van de evangeliën wordt hieraan besteed, terwijl er minder aandacht is voor Jezus' leven vóór zijn publieke optreden. Dit unieke karakter van de evangeliën, dat geen letterlijk biografisch genre is, hangt samen met hun doel: het overbrengen van de geloofsboodschap.

tags: #wat #is #het #meervoud #van #evangelie