Gezangen: Lof-, Dank-, Smeek- en Klaagliederen

Dit document bevat een verzameling van gezangen, voornamelijk gericht op lof- en dankliederen, maar ook smeek- en klaagliederen zijn opgenomen. De uitgave is verzorgd door de Synode der Evangelisch-Lutherse Kerk te Amsterdam, met medewerking van drukkerijen in Haarlem en Groningen.

I. Kerkelijke Gelegenheden

De gezangen zijn onderverdeeld in diverse gelegenheden:

  • Hervormingsdag
  • Andere Gelegenheden:
    • Morgen en Avond
    • Jaargetijden
    • Oud- en Nieuwjaar
    • Huwelijk

II. Lof- en Dankliederen

Lofliederen

O God, onze God! De schepping prijst de macht van de schepper, en de nacht verkondt dit aan de volgende nacht, tot aan de ochtendpoort. De zon verrijst en toont het levenspad, wijzend naar een heerlijke loon voor deugd. Niets blijft verborgen voor Gods glans.

Gij toont mij 't levenspad, o God! Het sterrenbeeld prijst des scheppers macht. De nacht verkondt hem aan den nacht, tot hoog aan d' open morgenpoort. De zon verrijst aan 't hoofd van heel zijn oorlogsdrom. Niets blijft verborgen voor zijn glans, en wijst der deugd een heerlijk loon.

Verbreek, o God! Dat mij nog al te vaak vervult, en wel bewaard voor groote schuld. Mijn hulp, mijn heil in eeuwigheid!

God is mijn licht, mijn heil! In zulk geloof mocht wandlen hier beneeden. Mijn God! O God mijns heils!

Mijn hart zegt mij, o Heer! Alleen bij U, o bron van troost en licht, verhoor m' o Heer! Ik zal mijn stem verheffen naar omhoog, die aller werken gadeslaat, op al 't menschdom neer.

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen! Dien naam zoo heilig, groot en goed! Heilig vreugd en smart!

O, onze God! En 't verst gelegen strand! O Hoorder der gebeden! Uw goedheid en Uw lof. Leid ons op Uwe wegen! En blijv' Uw heil begeren! 't Roem' al den naam des Heeren! 't Is alles, Heer! Zoo stijg' ons lied naar boven! Zoo moet ons hart U loven!

Geloofd zij God met diepst ontzag! Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid! Dan niet met eerbied prijzen? Volkomen vrede geven.

Uw naam o God! moet eer ontvangen! Met Amen, Amen na! Uw waarheid t' allen tijd vermelden door mijn reen. Zoo min zal Uwe trouw ooit wanklen of bezwijken. Zij wandlen, Heer! Komt, laat ons dankbaar juichen! De rots der eeuwen, buigen. Niets gaat zijn macht te boven. Waar is een God, zoo groot als Hij? Wie buigt niet voor zijn heerschappij? Word' eens aan 't eind der aard gehoord!

Dien grooten God, die wondren deed! Voor 't wereldrond ten toon gespreid.

Nu onze God Zijn heil ons schenkt. Gij gansche wereld! De gansche wereld geev' Hem eer! Wordt in Zijn waarheid voortgeleid.

Gij vrienden van den Heer! Hij, die in tegenspoed. Den goeden is Hij goed. Ten troost verspreid in smarten. Juicht vromen in uw lot! Verblijdt u steeds in God! Roemt, roemt Zijn heiligheid!

Roem' U het lied der dankbaarheid! Gij schiept ons door Uw wondermacht. U zoekt ons hart. Brengt U 't gezegend volk zijn dank. Gij spijst hen. U loov' en prijz' wat adem heeft! De blijde lofzang toegebracht!

Loof, loof den Heer, mijn ziel! Verhef Zijn naam, zoo groot, zoo heilig t' achten! Och of nu al wat in mij is, Hem preez'! Vergeet ze niet; 't is God, die z' u bewees! Die in den nood uw redder is geweest!

En dat wij stof, van jorigs af, zijn geweest. Zich zelf gelijk.

Verheft Gods eer, gij alle Zijne werken! Loov', loov' den Heer! En gij, mijn ziel! loof gij Hem bovenal!

U Heere God! Tot boden en trawanten zijn! O Bron van alles wat bestaat! Die aansnelt, en de wereld bukt! Verblijd U in Uw werken, Heere! En gun m' och, doe mij 't voorrecht smaken! Een tong, die haar bezingen mag! Ja, Heer! Elk' ademtocht, mijn leven lang! Wel hem, dien zij heeft uitverkoren! Alleen d' ondankbre wacht Uw toren. Waak op, mijn ziel! Hallelujah!

U heb ik lief, want Gij, getrouwe Heer! Gij schenkt mij hulp, Gij redt mij keer op keer. Niet ongetroost liet Gij mij. Keer nu, mijn ziel!

Want goed is d' Oppermajesteit! Zijn goedheid duurt in eeuwigheid. Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Wij zien bet, maar doorgronden 't niet!

Dien God ten feest geheiligd heeft. Hem roemen, die ons blijdschap geeft! Och Beer! Och Beer! Een oogst van vrome blijdschap zag!

Die tot ons komt in 's Heeren naam! Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

Waaraan elks harte zich verblijdt.

Niets is, o Oppermajesteit! Gij kent van verre mijn gedachten.

Waar zou ik Uwen Geest ontvlien? Waar zou m', o Heer, Uw oog niet zien? Daar zijt Gij, daar vertoont G' Uw glans! Ook daar vond ik UW aanschijn weder.

Uw rechterhand met van mij scheiden.

Illustratie van een koor dat zingt in een kerk

Lofliederen uit de Oude Bundel

Wij loven U, o Opperheer! Van al wat leeft, gezongen! Wij danken U uit 's harten grond. Vader! Vader! hebt gegeven, Liefdrijk Wezen! Eeuwig zij Uw naam geprezen!

De Schepper aller dingen.! Door lof en dankgebeden. Licht en vreugd op al hun wegen.

Ontvang, oneindig God! Die G' op ons deedt nederdalen.

O Heiland! Ach, blijf, verheerlijkt opperhoofd! Haar krachtig onderschragen! Altoos op Uw bijstand bouwen. Op 't doel des levens staren! Naar den prijs van 't eeuwig leven!

Wat adem heeft, moet Hem vereeren! Het buige voor Zijn troon in 't stof! In blij ge juich tot 's Hoogsten lof! Uit liefde in 't aanzijn riep. Houdt alles wat Hij schiep in stand.

Den God, die is en wezen zal. Die boven alle heemlen troont.

Blijmoedig offrend goed en bloed. In 't rijk van vreed' en zaligheid.

Juicht, verblijde Christenscharen! Door Hem vindt gij den Vader weer. Gestreefd naar 't onverderflijk goed!

Heiland! Ooit door ons dankbaar hart beloond?

Geest der waarheid! Die dolen in een duistren nacht. En straal in altoos reiner pracht! En leid ons naar 't beloofde land!

Die mij alles, alles schenkt? Ja, mijn Schepper!

Zijn bij U geteld, mijn God! Schikt miin aardsch en eeuwig lot. Naar mijn hemelsch vaderland.

Niets is U, mijn God! 't Dwaalspoor! Schenk mij ijver tot mijn plicht! Die, als Gij, oneindig is.

Den hoogen God alleen zij eer! Elk kniel' voor Hem aanbiddend neer! Elk moet hem dank bewijzen! Heft aan, heft aan! roemt Zijn gena! Zingt dan den hoogen God ter eer! Looft God! looft Zijn ontferming!

Ja, Vader! O Bron van licht en leven! Daar rijzen werelden uit niet. U Vader!

Moet al wat ademt zingen. Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer! Zoo heerscht G' als aller Koning!

Ons tot het licht moet leiden. Schenk moed en kracht in lijden!

Zingt, aard' en hemel, zingt uw Heer! Het driemaal heilig meld' Zijn eer!

Zoo, heerlijk, zoo volkomen? De rots van ons vertrouwen.

Hij kent en weegt het mede.

En schenkt Hem Uwen vrede. Juich ik verheugd: de Heer is groot! De Heer is onuitspreeklijk groot! Oneindig groot in liefde!

O goedheid Gods nooit recht geprezen! Heet hij een mensch, dien gij niet treft? Die 't hart niet vroolijk tot U heft! Zij steeds mijn plicht, mijn werk, mijn lied! Vergeet, mijn ziel, den Heer ook niet!

Wie won mij wonderbaar bereiden? Hij, die mij 't eerst heeft liefgehad. Wie wou mij zoo geduldig leiden? Wie wekt in mijn gemoed den vrede?

Sla 't oog, mijn ziel!

Een engel die een menselijke ziel naar de hemel leidt

Van heel 't menschelijk geslacht! U zijn dank betalen mag!

Zegent Gij het. vroom gemoed.

Als het hoogst en heerlijkst goed!

Is op de trouw en 't recht gesticht. O Heer! wie is aan U gelijk?

En ijlt ter hulp in onze smart. Maar alles Gods geschenken.

Mijn 'hart, o Heer! Uw lof op mijne lippen zijn.

Alle roem is uitgesloten! Menschen-tong, verheerlijkt 'Hem!

Liefdrijk God! U, die alles waardig zijt? Komt' het U niet eeuwig toe?

Dat Gij ons hier smaken doet! Och! Uwer liefd' alomme door!

Wat heil! Schenk ons 't eeuwig, zalig leven!

Aan 't hoogste doel moog' wijden! In all' eeuwigheid geprezen!

U onzen God en Heer!

Aan U, aan Uwen dienst, o God! Zij steeds ons hart gewijd.

Schenkt vreed' aan 't bang gemoed. Uw kind'ren vreezen niet.

Zie voor Uw troon ons neergeknield. Wij zingen U ons vroolijk lied. Versmaadt G' o God, die hulde niet.

Het kwaad' is eigen zond' en schuld. Gelooven, dat Gij helpen kunt! Trekk' ons tot U, die ons bemint!

Dat rust geeft in den stillen nacht.

Hoe heerlijk zijn Uw werken, Heer! Wat is, wat was, of worde! Hier lof en dank te gader! Elk zing' Uw' lof, o Vader!

Ja, overal is God! Ja, overal is God.

Dien redt en zegent Hij. Zijn troost, zyn steun is God. Niet helpen, daar helpt God!

Tot U rijz' ons lied, o Vader! Uit een hart in dank ontgloeid. Wordt door Uwe liefde licht.

Gansch Uw schoone wereld, Heer! Liefde Gods!

Vader! Wederliefde wijd ik haar. Heilge liefde!

Tot 's levens hoogste goed. De vreugd die 't leven kroont.

In 't geen Uw hand voltooit. En troost het moedloos hart.

O, God!

Kan ooit Uw eeuw'gen raad verhindren? Uw wenk doet, Heer! Uw wil, Uw raad houdt eeuwig stand.

Gij hebt die wonde weer geheeld.

Wat troonen zinken, Heer der heeren! Maar deze macht werkt zaligheid.

O Vader!

Noch jagend wenschen naar den dood. Dat tot het ware leven leidt!

Eeuwig God! 't Roemt Uw naam, o Heer der Heeren! Alles predikt ons Uw macht!

Eeuwig God! Uwe hand houdt alles saam. Redt G' Uw kind uit duizend nooden!

Heer en Schepper der natuur!

Eeuwig God! Alles zingt Uw macht een lied. Onze hulde toegebracht.

Dat hij de hooge Godheid kent? Zijn wezen heeft niet een doorgrond.

Al noemt Gij mij Uw naam ook niet. Dan brengt G', o Oppermachtig Koning! Verstand en hart in U tot rust.

Aan Uw goed-heid toegebracht! God en Vader! U zij d' eer! 't Woord van zaligheid en leven.

Vader, hoor ons biddend zingen! Zegen thans Uw woord, o Heer! 't Keer niet ledig tot U weer. Opdat wij haar lessen hooren!

God! U belijden w' als den Heer! Eeuwge Vader, geeft U eer. Menglen U hun lofgeschal.

"Heilig! heilig! Zijt Gij, Heere Zebaoth!

Alles, alles zingt U lof!

En aanbiddelijke Zoon! Geest van d' ongeschapen troon! En der hel de zeeg' ontroofd! Voor de ziele, die gelooft!

Dat geen zond' ons struiklen doe! Heer, ontferm U! Heer, erharm U! Word' Uw erfdeel riih gezegend! Word' Uw volk door U geleid! Heer, tot in all' eeuwigheid!

Zou ik zwijgen van Zijn trouw? Hem ter eer, op Wien ik bouw. Draagt mij o ver d' afgrond been. God blijft trouw in eeuwigheid.

God blijft trouw in eeuwigheid.

't Rust in Vaders armen goed. Hoe zou 't kwaad mijn sponde naken. Waar Zijn almacht mij behoedt? 'k Waar' reeds lang in rauw vergaan. Dat mijn God voor mij wit zorgen. Veel verloren, vaak geschreid!

't Licht doen stralen voor mijn oog. God blijft trouw in eeuw-igheid.

En dank voor Zijn genade! In vreugd en smart ons gade. En niets Zijn kind'ren schade!

Bij juichen en bij klagen! Ja! En dank voor Zijn genade!

Dat Hij ons Zijn kind'ren noemt! Van het eeuwig vreeverbond! Hem aanschouwen, Hem gelijken.

God is mijn God! Voor mij ook klopt zijn vaderhart.

God is mijn God! De Wachter slaapt of sluimert niet.

God is mijn God! Mij door Zijn bijstand van omhoog.

God is mijn God! Van uit den nacht der graven op.

God! Gij mijn God!

Ons Uwe liefde tegen! Ach, vaak verdienen wij Uw straf,. Toch daalt op ons Uw zegen.

Uw kind bij U versmachten.

Van U o God! Van U de zegeningen, O hoorder der gebeen!

Wien Gij geen hulpe biedt?

Mij leiden als uw kind!

Die eeuwig goedheid zijt! U blijf', o Heer der Heeren! Geheel mijn hart gewijd! Wanneer Uw hand mij leidt?

Erkent bet, alle volken! In 't rood der avond-wolken. Verheerlijkt Hem, gij vromen!

Heer!

En hooploos weg doet sterven. Zij wand'len Heer!

O God! Uw dankbaar volk vergaarde.

Buig, buig u neder, alle knie! Dat elke tong Hem hulde bie! Aanbid en word hehouden! In 't hart van alle vromen.

Den hemel nader.

Zal nimmer wijken!

Heer, God! Looft U, o Heer! in eeuwigheid. Koning is onze God! Heilig is Zijn gebod! Van Zijnen troon in't rond! Wat heeft de wereld dat ons deert? Wees onze steun, wees onze kracht! Amen!

God, aanbidlijk Opperheer! Moet ons hoogste loflied wezem!

Eindloos houdt Gods liefde stand! Komt het arme hart tot rust.

Eindloos houdt Gods liefde stand! Ach! wij struiklen, ach!

Eindloos houdt Gods liefde stand!

Eindloos houdt Gods liefde stand!

Band, die aard en hemel kluistert!

God is licht! Siddren voor Uw heiligheid. Wil dan, Heer! Tot de laatste, neevlen zwichten!

God is liefd', alom, altoos! Smelt het ijs in 't kilst gemoed. Leer ons, Heer!

Als een schaduwbeeld vnorbij! Zend dan, Heer! D' Englen, die ons Huiswaarts leiden!

Dat is Uw aanbidlijk wezen! Sla Uw kindren zeegnend ga! Schepper en Herschepper! Dat Uw beeld in ons herleev'! Maak ons Uw natuur deelachtig!

Dat onze mond U noemen moog'! Wij smachten naar Uw Vaderoog. Uw spoor terug: ook daar zijt Gij!

Wacht z' U en zoekt z' Uw schaduw op. Steeds grijpt zij naar Uw hand... En hebben U in niets genoeg.

Een erfgenaam van Uw natuur. Gij Licht- en Liefd'- en Levensbron!

De goedheid des Heeren! Viert Hem een feest! Op tot de heiligste sferen!

U, onzen Vader! Vader! U wijden w' ons leven!

Wijsheid en goedheid, o God van gena, zijn Uw wegen. Overal stroomt ons het licht van Uw vadertrouw tegen. Loov' en verheerlijk' Uw naam !

Dat in mijn vredig hart geen nacht der vreeze daalt? Door Uw almachten geest het slavenjuk gebroken. Heb dank, o liefd'rijk God!

Verheerlijk' U, die 't al gebiedt! Uw heildag is gekomen.

Bij 't hell, waarmee Gij ons verblijdt! Liefdrijk verder! Als we U zien, dan juicht ons harte.

Aan het Goede! Biddend werken! Daartoe moog' Uw Geest ons sterken!

U 't schoonste loflied zingen!

Moog' 't hart soms ook sidd'ren in 't heetst van den strijd. Zijn liefd' en ontferming vertroosten m' altijd.

Uw macht, God! kent geen perken! Al wondren zijn Uw werken! Ach! Volprijst U nimmermeer.

De diepte van Uw wegen! Durft oopnen, waar Gij richt!

Laat rusten aan Uw horst!

Dankt daarom allen God! Heft tot Hem hart en handen! Zijn macht slaakt onze banden.

Lofzang van Maria | 1700 mannen zingen | Katwijkse Mannenzang

III. Smeek- en Klaagliederen

Roekeloos en stout verachten.

Heer, ach! En waarheen G' Uw treden wendt. Want Gij zijt mijn heil, mijn eer! Zijn bij U in eeuwigheid.

Ik heb tegen U, o Heer! Zwaar en menigmaal misdreven. Heer, naar U, Gij zijt mijn God! Allerhoogst en eeuwig goed! God des levens! ach! 't Licht Uws aanschijns groeten mogen? Heer!

O mijn ziel! wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Hoop op God, sla 't oog naar boven! 'k Zal Zijn heilgen n...

Afbeelding van een persoon die in gebed is

Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels. Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. In deze beurtzang heeft Huub Oosterhuis gebruik gemaakt van de psalmvertaling uit Vijftig psalmen. Hij heeft een selectie gemaakt uit de psalmverzen en enkele tekstuele wijzigingen aangebracht. Huijbers gebruikte voor deze beurtzang de Gregoriaanse Alleluja VIII. Uit het stof van de aarde. 13 beurtzangen naar oude wijzen. Teksten van Huub Oosterhuis; muziek van Bernard Huijbers. Vijftig psalmen, Proeve van een nieuwe vertaling, door Huub Oosterhuis en Michel van der Plas, in samenwerking met P. Drijvers en H. Renckens.

tags: #wijkplaats #schuilplaats #strijder #lijder #gezangen