Diaconiewezenhuizen in Amsterdam: Geschiedenis en Functionering

De toegang tot de pagina die u probeert te bezoeken is (tijdelijk) geblokkeerd. Krijgt u deze melding vaker te zien? Probeer het dan op een later tijdstip nogmaals. Volgens deze controle wijkt uw bezoek af van het bezoek van een gemiddelde gebruiker. Mogelijk hebt u in korte tijd zeer veel pagina's opgevraagd of zeer veel formulieren verstuurd. Het is mogelijk dat uw computer een virus of andere schadelijke programma's bevat die invloed hebben op uw surfgedrag. Het kan voorkomen dat de automatische controle uw bezoek ten onrechte heeft opgemerkt en geblokkeerd. Blijft het probleem zich voordoen?

Historische Weeshuizen van de Diaconie

Op de locatie van het huidige pand aan de Stadhouderskade, bevond zich al sinds de zeventiende eeuw een weeshuis van de diaconie van de hervormde gemeente. Dit historische gebouw werd begin 1888 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw pand, ontworpen door architect Posthumus Meyjes, de huisarchitect van de hervormde gemeente. Het nieuwe weeshuis, met een rechthoekige plattegrond rond een binnenplaats, was bedoeld voor maximaal 200 'werkjongens': weesjongens die de lagere school hadden doorlopen en overdag werkten.

De begane grond van het nieuwe weeshuis bevatte ruimtes zoals keukens, bergplaatsen en badplaatsen. Op de eerste verdieping bevonden zich, naast de woning van de hoofdsuppoost, de grote eetzaal, drie 'conversatiezalen' voor verschillende leeftijdscategorieën (jongens van 14 tot 16, 16 tot 18 en 18 tot 20 jaar) en andere ruimtes voor dagelijks gebruik. De slaapzalen waren op de tweede verdieping gesitueerd.

Het oude weeshuis had zijn ingang aan de Zwanenburgerstraat, een nu verdwenen straat door Joods Vlooienburg. Bij de bouw van het nieuwe weeshuis werd de kade langs de Amstel doorgetrokken om het weeshuis heen.

Plattegrond van een 17e-eeuws Amsterdams weeshuis met binnenplaats

Verandering van Opvang: Gezinsverpleging en Nieuwe Bestemmingen

In 1904 stapte men voor de opvang van wezen over op 'gezinsverpleging', waarbij de wezen bij gezinnen werden ondergebracht. Hierdoor kwam het weeshuis leeg te staan en werd het enkele jaren verhuurd aan de provincie voor de verpleging van personen die destijds als 'krankzinnigen' werden aangeduid.

In de jaren '40 van de twintigste eeuw huisde het gebouw het hoofdkantoor van de gemeentelijke distributiedienst, de instantie die zorgde voor de uitgifte van bonnen voor schaarse producten. Later werden er diverse andere gemeentelijke diensten gevestigd.

Het Luthers Diaconie Weeshuis in Amsterdam

Naast het weeshuis aan de Stadhouderskade, speelde ook het Luthers Diaconie Weeshuis een belangrijke rol in de geschiedenis van de Amsterdamse armenzorg. De zorg voor armlastige gemeenteleden en hun nabestaanden behoorde van oudsher tot de taak van een Diaconie.

In 1811 moest het oude Weeshuis aan de Lauriergracht op bevel van Napoleon worden ontruimd, aangezien het pand nodig was als ziekenhuis voor gewonde soldaten. De Lutherse wezen werden hierdoor gedwongen te verhuizen.

Op 30 april 1811 werden 141 weeskinderen ondergebracht in het Diaconie Huis aan de Nieuwe Keizersgracht, dat vanaf dat moment ook wel het Wees-, Oude Mannen- en Vrouwenhuis werd genoemd. De verhuizing ging gepaard met aanzienlijke logistieke uitdagingen, waaronder het transport van bedden en kinderkleding per schuit.

Bestuur en Opnamecriteria

De algemene leiding van het Luthers Diaconie Weeshuis was opgedragen aan een college van acht regenten en zes regentessen, die werden gekozen door de Grote Diaconie Wees-, Oude Mannen- en Vrouwenhuis Vergadering. Tot hun bevoegdheden behoorden de algemene leiding, de inkoop van levensmiddelen en kleding, en de aanstelling van suppoosten.

Aanvankelijk konden alleen eigen wezen, wier ouders gedurende een bepaald aantal jaren als burgers in Amsterdam hadden gewoond en lidmaten waren van de Evangelisch-Lutherse gemeente, worden opgenomen. Tevens mochten de ouders geen ondersteuning van de diaconie hebben genoten. Bij uitzondering kon toestemming voor opname verkregen worden van de Grote Diaconie Weeshuis Vergadering. Wezen die op geen van deze wijzen konden worden geplaatst, werden door de diaconie bij particulieren uitbesteed, wat echter vaak leidde tot klachten over slechte verzorging en opvoeding.

Om deze wantoestand te verhelpen, besloot men deze groep alsnog als diaconie wezen in het Weeshuis op te nemen. De diaconie verleende subsidie per diaconie wees, maar behield zich het recht voor deze kinderen weer uit het Weeshuis te nemen. Tot 1851 werden op deze wijze diaconie wezen opgenomen.

Oude gravure van de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam

Groeiend Aantal Wezen en Persoonlijke Verhalen

Het aantal wezen in het Luthers Diaconie Weeshuis nam aanzienlijk toe. In 1835 telde men ruim 160 wezen, na 1840 meer dan 200, en in 1861 overschreed het getal de 300. Tussen 1811 en 1861 werden er naast 2300 oudelieden ook 1348 wezen verpleegd.

Het inschrijven in het Boek der opgenomen kinderen onthult persoonlijke verhalen, zoals dat van de drie jongste kinderen van beroepsmilitair Jacobus Haagen en Juriane Brouwer. Na het overlijden van hun ouders in 1837 werden zij tijdelijk opgenomen in het Luthers Diaconieweeshuis aan de Nieuwe Keizersgracht.

De opname van deze kinderen vereiste een grondige procedure, waarbij geboorteakten, doopcedulles, trouwakte, attestatiebriefjes van lidmaatschap en opgemaakte boedellijsten moesten worden overlegd. De familie Haagen leek weinig bezittingen te hebben, en ouderling Vierkant pleitte voor hun opname, aangezien er geen vermogende vrienden waren.

Ook de kinderen Kaaijmolen kwamen in 1845 in het Diaconieweeshuis terecht. Hun moeder, Eliezabeth de Bruin, had zelf een deel van haar jeugd in het Aalmoezeniersweeshuis doorgebracht en wilde dit haar kinderen besparen. Ondanks dat haar kinderen niet vanzelfsprekend in aanmerking kwamen voor opname, werd na beraadslaging in de Groote Vergadering der Diakenen besloten hen toe te laten.

Ruim een kwart eeuw later, in de maand maart, werden de jongste drie kinderen van Elisabeth van Meerten en korenmolenaar Pieter Pietersze Pruijs opgenomen in het Diaconieweeshuis na goedkeuring van de Grote Vergadering. Hun oudere zussen werden als intern dienstmeisje geplaatst.

Illustratie van weeskinderen die zich melden bij een weeshuis

Het Leven in het Weeshuis: Onderwijs, Dagindeling en Kleding

Naast het Luthers Weeshuis, was er ook een gebouw met drie klaslokalen waar verplicht onderwijs werd gegeven aan de wezen. Twee schoolmeesters, een voor de jongens en een voor de meisjes, werden aangesteld.

Het onderwijs omvatte lezen, schrijven, rekenen, de Nederlandse taal, de beginselen van de christelijke godsdienst en zedenkunde, geschiedenis en staatskunde. De jongens en meisjes van 6 tot 14 jaar zaten afzonderlijk in drie klassen. De schooltijden waren van 9 tot 11 uur en van 2 tot 5 uur (zomer) of 4 uur (winter). Bij wangedrag werden strenge straffen uitgedeeld, zoals acht dagen met het blok aan het been, geseling of acht dagen op water en brood.

Na het doorlopen van de school werden de weesjongens meestal als werkjongens bij ambachtslieden in de leer gedaan, met een ruime keuze aan beroepen zoals smid, timmerman, slager, behanger, kleermaker, instrumentenmaker, kantoorbediende of boekbinder. Het verdiende geld ging naar het gesticht. Onhandelbare jongens werden soms aangeboden aan het leger of gingen naar zee.

Voor de meisjes was de beroepskeuze na de schoolopleiding beperkter; zij verrichtten huishoudelijke werkzaamheden of werden naaister.

Dagindeling en Voeding

De kinderen sliepen met twee of drie in 'krebben' op de slaapzalen, met bedden gedekt met linnen lakens en wollen dekens. De bedden werden eens per maand verschoond. Kleinere kinderen gingen om half zeven naar bed, de grotere om tien uur 's avonds. Ze stonden om half zeven op.

Kleinere kinderen kregen enkele speeluren op de binnenplaats. Grotere kinderen hadden het recht om op zon- of feestdagen uit te gaan. Artsen merkten echter een tekort aan lichamelijke beweging in de buitenlucht op, zeker gezien de zware, maar niet altijd voedzame, maaltijden.

Het dagelijks menu varieerde. Op zondag werd er in de zomermaanden 'sop met groente' gegeten, of soep van gepelde rijst of gerst, met 's avonds rijstebrij. Op maandag bestond het middageten uit grauwe erwten met vet, en 's avonds karnemelksepap. Dinsdag stond gort met stroop op het menu, woensdag verse groenten met rookspek, en donderdag witte bonen met zure saus. Vrijdag was er gort met boter, en op zaterdag groene erwten.

Op feestdagen was er extra eten, zoals Paasbrood en eieren op Pasen, gebraden vlees en grauwe erwten met Pinksteren, en witte broodpap met jonge kaas op Eerste Kerstdag.

De 'vaders en moeders' en suppoosten aten niet samen met de kinderen, om hun prestige en gezag te handhaven. Hoewel zij pretendeerden hetzelfde menu te nuttigen, aten zij in werkelijkheid dagelijks vlees, spek of worst, en op woensdag vis en een dubbele portie groente. Dit misbruik kwam uiteindelijk aan het licht, waardoor de kosten per kind hoger uitvielen dan begroot. Uiteindelijk moesten de Regentessen bezuinigen op vlees en spek.

Illustratie van een weeshuiskeuken uit de 19e eeuw

Kleding

De jongens kregen elke twee jaar een nieuwe rok van bruin laken met tinnen knopen, en elk jaar een nieuwe broek van bruin karsaai. Ze droegen een platte pet. De weesmeisjes waren aanvankelijk gekleed in zwarte lakense tabbaarden met korte mouwen, witte schorten, lange zeemleren handschoenen en een zwart kapje op hun haar. In de zomer droegen ze een witte boord met een zwart strikje, en in de winter een bruine omslagdoek. Later werd er voor minder strenge kleding gekozen.

Elk kind had een nummer op zijn of haar kleding, waaronder ze ook stonden ingeschreven.

Diaconieweeshuis der Nederlands Hervormde Gemeente (1932-1978)

Het Diaconieweeshuis der Nederlands Hervormde gemeente, beter bekend als het "Weeshuis aan de Wielingenstraat", was gelegen aan de Volkerakstraat 61. De bouw begon in 1930 en het pand, dat plaats bood aan 175 wezen, werd in oktober 1932 gereed verklaard en op 15 december 1932 officieel geopend.

Een krantenartikel van het Algemeen Handelsblad beschreef het gebouw op 13 december 1932 als "EEN PRETTIG GEBOUW, VOL LICHT, LUCHT, SFEER EN GEZELLIGHEID". Architect Gijsbert Friedhoff ontwierp een complex met een rechthoekige en streng symmetrische plattegrond, met twee binnenplaatsen. Het hoofdgebouw was drie lagen hoog, de vleugels twee en de achterbouw één. In het interieur speelden licht en ruimtecontrasten een opvallende rol.

Foto van het Diaconieweeshuis aan de Volkerakstraat, Amsterdam

Einde van de Functie als Weeshuis

In 1970 kwam er een einde aan de functie als weeshuis, maar het pand bleef in bezit van de Hervormde Gemeente. Het complex werd verhuurd aan drie instellingen: het Orthopedagogisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam (OPI), het Agogisch Centrum Woodrose en De Wielingen, een centrum voor moeilijk opvoedbare kinderen.

Eind 1977 verkocht de Hervormde Gemeente het pand. Na meerdere eigenaren kocht de gemeente Amsterdam het pand in 1988.

Kraakpand "De Wielingen" en Huidige Bebouwing

Het complex werd in 1978 gekraakt en stond tot de sloop in 1991 bekend als kraakpand "De Wielingen". Na een roerige periode en uiteindelijke ontruiming werd het pand in 1991 gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw.

Het huidige nieuwbouwcomplex bestaat uit 5 verdiepingen met 101 woningen, variërend van portiekwoningen tot penthouses. De begane grond is bestemd voor kantoor- en handelsactiviteiten, en de kelder biedt parkeergelegenheid.

De geboorte van de stad: Vogelvlucht impressie van Amsterdam in 1275

tags: #diaconie #weeshuis #stadhouderskade