De Geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Bolsward

De Vroege Jaren: Scheuringen en Vorming van Gemeenten

De geschiedenis van de kerk in Bolsward is nauw verbonden met de kerkelijke ontwikkelingen in Nederland, met name de scheuringen binnen de Hervormde Kerk. In 1832 ontstonden er in Bolsward huisgodsdienstoefeningen, ook wel conventikels genoemd, geleid door oefenaar Jelle Cornelis Bredzee, een wever van beroep. Deze bijeenkomsten werden gehouden door hervormde gemeenteleden die zich niet langer konden vinden in de Hervormde Kerk.

De hervormde kerkenraad zag deze ontwikkeling met lede ogen aan en verzocht de burgerlijke gemeente om in te grijpen, aangezien dergelijke bijeenkomsten door de koning verboden waren. Echter, de gouverneur van Friesland en het college van Burgemeester en Wethouders (B en W) besloten vooralsnog niet in te grijpen. Zij constateerden dat de personen die zich hier verzamelden 'van een onberispelijk gedrag en wandel' waren. De burgemeester schreef in april 1832 dat in deze samenkomsten 'de Heilige Schrift wordt verklaard, gemoedelijke redevoeringen gehouden worden (die het gemoed roeren) en opgegeven vragen over de grondwaarheden van onze Godsdienst beantwoord worden'.

De voorganger en zijn toehoorders lieten zich inspireren door boeken en preken van theologen uit lang vervlogen tijden. Een verslag van een dergelijke bijeenkomst, bijgewoond door zeventig tot tachtig mensen, beschrijft de toespraak van oefenaar Bredzee. Na het zingen van psalm 72, verzen 5, 6 en 7, sprak hij uit het hoofd over Hebreeën 12 vers 24. 'Hij sprak met gevoel en verstaande hetgeen hij zei', zo werd geconstateerd. Schoenmaker Willem Arjans van der Heide stelde aan Bredzee de vraag wat men moest doen om tot de Middelaar Jezus te komen, waarna het tweede deel van de preek volgde. Een andere vraag van Van der Heide werd eveneens beantwoord. Gedurende de hele vergadering heerste er stille aandacht en een godsdienstige stemming.

De officiële kerkdiensten in Bolsward, geleid door rechtzinnige predikanten, trokken ook veel toehoorders uit de wijde omgeving. Namen als ds. C. Witteveen in Oosthem, ds. J.W. Becking te Heeg en ds. L. van Loon uit Welsrijp werden genoemd. Ook oefenaars zoals koopman Marten Feddema en koopman J. uit Leeuwarden trokken publiek.

B en W concludeerden dat er in de bijeenkomsten bij Bredzee geen onvertogen woord viel en er geen enkele reden was om in te grijpen. Wel uitten zij hun bezorgdheid over het feit dat zoveel mensen zich afscheidden en een afzonderlijke gemeente stichtten, wat voor de hervormde predikanten 'een zeer onaangenaam gevoel' was.

illustratie van een oude kerk in Bolsward

De Instituering van de Christelijke Afgescheidene Gemeente

In oktober 1822 stuurde oefenaar Bredzee, op verzoek van de bezoekers van zijn conventikel, een rekest aan koning Willem I met het verzoek om met meer dan twintig personen te mogen samenkomen als een zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente. De koning, die ieder die zich van zijn geliefde Hervormde Kerk losmaakte tegenwerkte, gaf geen toestemming. Dit weerhield de instituering van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Bolsward echter niet.

Op 27 november 1835 kwam ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland, persoonlijk naar Bolsward om daar een gemeente te stichten. De bijeenkomst vond plaats in de achterkamer van het woonhuis van 'suikervormbakkersknecht' Pieter Jaans Mobach aan het Grootzand. Er wordt verteld dat er in de zoldering een luik was gemaakt, zodat de zolder als galerij kon dienen wanneer de kamer vol was. Er werd zorg voor gedragen dat 'beneden' nooit meer dan twintig personen aanwezig waren, om een mogelijke inval van de burgemeester en/of politie te voorkomen.

In de achterkamer van de woning van Mobach aan het Grootzand werd de gemeente geïnstitueerd. De gemeenteleden hadden intussen al een ouderling en een diaken gekozen: Pieter Jaans Mobach en schoenmaker Willem Arjans van der Heide, die eerder al genoemd werd. Zij werden door ds. De Cock in het ambt bevestigd, waarmee de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Bolsward een feit was. De predikant doopte tevens twee kinderen.

De houding van de gouverneur van de provincie was ondertussen veranderd. In een schrijven aan de gemeentebesturen maande hij B en W streng op te treden tegen de bijeenkomsten der separatisten en hen desnoods met geweld uiteen te jagen. Hoewel dit elders gebeurde (bijvoorbeeld in Tjalleberd), verliep het in Bolsward minder gewelddadig. De burgemeester riep 'het hoofd van de afgescheiden gemeente', Pieter Jaans Mobach, bij zich om hem te waarschuwen de diensten niet meer te houden. Mobach verzekerde de burgemeester, burgemeester Hoeksema, dat er streng op zou worden toegezien dat niet meer dan twintig personen de diensten zouden bijwonen.

Verdere Ontwikkelingen en Groei

Op 18 mei 1836 kwam de Friese Afgescheiden predikant 'in algemene dienst', ds. S. van Velzen (1809-1896), ook naar Bolsward om in een dienst voor te gaan. De burgemeester en de vrederechter Johannes Albarda spoedden zich naar de woning van Mobach en troffen daar vierentwintig personen aan die in stille aandacht luisterden naar de toespraak van ds. Van Velzen. Niet lang daarna werden er nog enkele boetes opgelegd; ds. Van Velzen kreeg een boete van fl. 100 voor een godsdienstoefening die hij op 18 december 1836 leidde in het naburige Oldeklooster, en Eeltje Hanses de Groot kreeg een boete van fl. ...

In 1839 had de Afgescheiden Gemeente van Bolsward erkenning bij koning Willem I gevraagd als zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente. Dit werd in februari 1840 negatief beoordeeld, onder meer omdat de gemeente naar het oordeel van de regering te klein was om zichzelf in stand te kunnen houden en omdat de leden te verspreid woonden om een gemeente te vormen.

Met de troonsbestijging van koning Willem II veranderde de situatie voor de Afgescheidenen aanzienlijk, aangezien de nieuwe vorst hen welgezinder was dan zijn vader. Hierop werd opnieuw een aanvraag voor rechtspersoonlijkheid (erkenning als zelfstandige gemeente) ingediend. In deze aanvraag werd ook de locatie van het kerkgebouw genoemd: een pand aan het tegenwoordige Broereplein 3. Op 28 maart 1841 werd het kerkgebouw aan het toenmalige Hengstepad (sinds 1950 Broereplein geheten) officieel in gebruik genomen; het werd overigens al sinds 1839 voor kerkdiensten gebruikt.

B en W werden uitgenodigd de bijeenkomst bij te wonen en de burgemeester werd gevraagd de politie opdracht te geven rond het gebouw toezicht uit te oefenen, 'opdat er geen ongeregeldheden plaats hebben'.

schematische weergave van de groei van de gemeente

Uitdagingen en Groei van de Gemeente

In november 1841 werd de eerste predikant van de Bolswarder Afgescheiden Gemeente, kandidaat F.A. van Gijssel (1811-1856), in het ambt bevestigd. Hij was opgeleid door onder anderen ds. H. de Cock. Van ds. Van Gijssel is geen afbeelding bekend.

Daarna volgde een lange vacante periode waarin de Afgescheiden Gemeente van Bolsward 'vrede en rust' verre te zoeken was. Er ontstond weerstand onder de gemeenteleden tegen oefenaar Bredzee, die op zondagavond in de diensten voorging. Bredzee trok zich later terug uit de Afgescheiden Kerk omdat hij meerdere malen onder censuur kwam te staan. De verhouding tussen de kerkenraad en de gemeentelijke steunpilaar en ouderling Mobach was gedurende drie jaar niet goed, wat de toestand van de gemeente niet verbeterde. Vervolgens vertrok ds. Van Gijssel naar Rouveen, waardoor er geen vaste leiding meer was en de situatie verder verslechterde. De kerkenraad kreeg verwijten van nalatigheid in de bediening van doop en avondmaal.

Hetzelfde gebeurde toen de kerkenraad aan oefenaar D.A. Detmar vroeg om eens per zondag in de gemeente voor te gaan. Het probleem was dat hij zich nog maar kort had afgescheiden van de hervormde gemeente, zodat hij in de Afgescheiden wereld nog een vreemde was. Bovendien was hij 'slechts' dooplid. De classis was fel tegen zijn voorgaan in de diensten en adviseerde hem eerst te laten opleiden door ds. T.F. de Haan (1791-1868), die in Groningen aanstaande Afgescheiden predikanten opleidde. Detmar maakte zich bovendien schuldig aan wangedrag; hij dronk in het veerhuis veel sterke drank en 'voerde vele belaggelijke praatjes'.

Ondanks deze onrustige tijden slaagden kerkenraad en gemeente erin om in 1849 een eigen kerkgebouw op te richten in de Witheerenstraat. Al snel bleek dit gebouw te klein, zodat het (vermoedelijk in de jaren '50) verbouwd moest worden. De notulen uit de begintijd ontbreken, waardoor details hierover onbekend zijn. De gemeente groeide echter gestaag en telde in die tijd ongeveer honderd leden.

In 1852 werd een nieuwe predikant gevonden: ds. Theeuwis de With (1814-1868). Hij bleef echter niet lang; zijn intrede was op 23 november 1852, en zijn afscheid op 17 mei 1854. Hij wordt beschouwd als een krachtig, vurig prediker, die echter niet in ieders smaak viel.

Vrij snel na het vertrek van ds. De With naar Leiden, deed ds. W. Coelingh (1826-1895) van Enter op 6 oktober 1855 intrede in Bolsward.

Op 27 februari 1859 deed ds. W. Weijenberg (1819-1885) uit Meppel intrede in Bolsward. Hij kon zeer slecht zien, maar was een goed spreker die uitstekend memoriseerde en stond bekend als een geleerde.

Na diverse vergeefse beroepen op andere predikanten werd er toch al vrij snel een nieuwe predikant gevonden in de persoon van kandidaat J. Hessels (1836-1907). Op 21 december 1862 deed hij intrede. Ook hij bleef slechts kort.

In februari 1864 werd er een klacht ingediend bij de kerkenraad over een ouderling die teveel aan Bacchus offerde. 'De gevallen broeder' zou ernstig worden vermaand, zo besloot de kerkenraad in zijn afwezigheid. De broeder werd aangezegd de avondmaalsviering niet bij te wonen en werd gedurende zeven weken als ouderling geschorst. Hij mocht in die tijd niet in de ouderlingenbank zitten. Als hij dat toch zou doen, zou zijn tuchtgeval tijdens dezelfde dienst van de kansel worden afgekondigd.

Toen oefenaar B.C. Felix (1827-1907) op 7 november 1864 met zijn pastorale werk begon, werd hem te kennen gegeven zich van het voorgaan in de gemeente te onthouden zolang hij zijn predikantsexamen nog niet had afgelegd. Vanaf 8 oktober 1865 mocht hij echter ook de diensten als voorganger leiden, omdat hij toen als predikant bevestigd werd en intrede deed. Hoewel er op een gegeven moment door een deel van de gemeente bezwaren tegen hem werden ingebracht, bleek de kerkenraad verheugd toen hij in juli 1866 voor een beroep naar Gouda bedankte.

Het in de jaren '50 uitgebreide kerkje aan de Witheerenstraat werd opnieuw te klein. Dit was een duidelijk teken dat de gemeente tot rust was gekomen en groeide. Eind december 1864 oordeelde de kerkenraad dat een nieuwe, grotere kerk nodig was. Een half jaar later, in juli 1865, onderzocht een commissie of de bouw van een nieuwe kerk inderdaad wenselijk was. Een jaar later oordeelde men inderdaad dat er nieuwbouw gepleegd moest worden.

In de oude kerk in de Witheerenstraat werd op 5 augustus 1866 de laatste dienst gehouden, waarna het bedehuis werd afgebroken. Ondertussen was op 13 juni 1866 de eerste steen voor het nieuwe kerkgebouw gelegd door het zoontje van ds. Felix. De bouw van de kerk vorderde gestaag; de gemeenteleden hadden vrijwillige bijdragen geschonken, waardoor het grootste deel van de bouw gefinancierd werd.

De kerkenraad kreeg niet direct de juiste man op de preekstoel. Het duurde tot 16 april 1869 tot ds. H. Vissink intrede deed.

De Christelijke Gereformeerde Kerken storten in. Hoe moet het verder?

Fusie en Naamswijziging

Tijdens de ambtsperiode van ds. Vissink veranderde de naam van de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Bolsward. Dit kwam door een landelijke kerkenfusie van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de daarvan in en na 1838 afgescheiden Gereformeerde Kerk onder 't Kruis. Er was in de jaren '30 in Afgescheiden kringen onenigheid ontstaan over de vraag of Afgescheiden Gemeenten bij de overheid om erkenning mochten vragen, met als consequentie dat die gemeente de naam 'gereformeerd' niet meer zou mogen dragen (die benaming kwam de Nederlandse Hervormde Kerk toe, aldus de overheid); en of Afgescheiden Gemeenten een andere kerkorde mochten aannemen dan de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde.

Zo'n dertig jaar na de scheuring in 1838 waren de meningsverschillen echter nauwelijks nog actueel en besloten beide synodes tot hereniging over te gaan. Dit gebeurde in juni 1869. Besloten werd dat de naam van de verenigde kerk zou zijn: 'Christelijke Gereformeerde Kerk'.

Latere Predikanten en Kerkelijke Zaken

In 1873 werd een klacht tegen een vrouwelijk gemeentelid ingediend die een kermistent bezocht zou hebben. Haar man had met haar onder één hoedje gespeeld. De kermis werd geregeld ook door gemeenteleden bezocht, waarmee de kerkenraad zich niet kon verenigen. Het werd beschouwd als een 'poel des verderfs'.

In 1874 was een van de ambtsdragers dronken geweest. Toen dit kennelijk onverwachts op de kerkenraadsvergadering aan de orde gesteld werd, stond hij op en verliet de kerkenraadsvergadering, en bedankte tegelijk voor het ambt. Een commissie ging naar zijn woning om hem te vermanen, maar dit had geen effect.

Op 28 februari 1875 deed ds. A. Wijnstra intrede.

De kerk in de Witheerenstraat bleek na onderzoek in 1873 – de kerk zou 'gewit' worden – 'niet al te solied' gebouwd te zijn. Aanvankelijk werd getracht de Kleine- of Broerekerk te kopen, maar dat mislukte. Tijdens de versterking van het eigen bedehuis kon men er wel gedurende ongeveer zes weken kerkdiensten houden.

In 1875 werd afgesproken de Witheerenstraatkerk op te knappen, 'overmits het gebouw geen stevigheid genoeg heeft, waardoor de kerkeraad niet verantwoord is tegen het publiek, dat des zondags ter kerke komt'. Een deskundige inspecteerde het gebouw en verklaarde 'dat de kerk door het aanbrengen van ankers en ijzeren balken een genoegzame stevigheid bekomt'. Na anderhalf jaar in de gemeente te hebben gewerkt, nam ds. Wijnstra afscheid.

In november 1873 werd besloten dat de ouderlingen verplicht waren om het catechisatieonderwijs beurtelings te verzorgen voor het geval de dominee afwezig zou zijn.

Lijst van Predikanten (selectie)

Naam Predikant Periode
ds. H. de Cock 1835 (Instituering)
ds. S. van Velzen 1836
ds. F.A. van Gijssel 1841-1846
ds. T.F. de Haan (Opleider)
ds. Theeuwis de With 1852-1854
ds. W. Coelingh 1855-1859
ds. W. Weijenberg 1859-1864
kandidaat J. Hessels 1862-1864
ds. B.C. Felix 1865-1866
ds. H. Vissink 1869-1873
ds. A. Wijnstra 1875-1876

Recente Geschiedenis en Persoonlijke Ervaringen

Ds. W. van der Wind (55), predikant in het Groningse Siddeburen, deelt zijn persoonlijke verhaal over tegenslagen en herstel. Hij werd in 1995 als 38-jarige kandidaat bevestigd in de Nederlands Gereformeerde Kerk van Bunschoten-Spakenburg. Vanwege de omvang van de gemeente en het vervroegd emeritaat van zijn collega, maakte hij typische beginnersfouten en verkeerde inschattingen. Hij voelde dat hij de ervaring miste om met zoveel ambtelijke gremia om te gaan. Toen er strijd ontstond tussen verschillende groepen, ging het mis. Hij wist niet hoe hij moest coachen of leiding moest geven. Twee jaar na zijn bevestiging werd hij losgemaakt van de gemeente.

Dit had ingrijpende gevolgen. Hij had een gezin en moest voor brood op de plank zorgen. Hij ontving een vergoeding voor negen maanden levensonderhoud en ging daarnaast werken als schoonmaker, trainer bij de Belastingdienst en touringcarchauffeur. In deze periode ervoer hij diepe teleurstelling tegenover God en riep verbitterd tot Hem: 'Nooit van z'n leven ga ik terug in Uw dienst!' Tegen zijn vrouw sprak hij dit ook uit. Zij reageerde echter: 'Nee, Wim, God heeft jou geroepen. Hij zal het weer goedmaken.' Langzaamaan werd duidelijk dat zij gelijk had.

Van een psychotherapeut ontving hij goede begeleiding. In dezelfde periode vroeg hij kerkelijke overgang aan naar de Hervormde Kerk, waarin hij was opgegroeid. In 1998 werd hij toegelaten na het afleggen van enkele examens. Hij nam een beroep aan naar het Brabantse 's Gravenmoer. Daar hadden ze een goede tijd, totdat zich na enkele jaren een ernstige slokdarmziekte openbaarde. Hij werkte te lang door en raakte in een burn-out. Op advies van een adviseur en verschillende artsen vroeg hij invaliditeitsemeritaat aan.

Hij zat weer werkloos thuis, voor de tweede keer afgebroken. Ditmaal was hij niet boos, maar wel erg verdrietig. Hij snapte er niets meer van. In deze periode ontving hij veel steun van maatschappelijk werker Lex Enklaar en Gideon van Dam, werkbegeleider binnen de Hervormde Kerk. Artsen vertelden hem dat hij er niet meer bovenop zou komen. Een van hen adviseerde hem een 'holletje' te zoeken, net als een ziek dier, waar hij mogelijk zijn kracht weer zou terugvinden.

Dat holletje vonden ze in het Groningse Onstwedde, nabij Stadskanaal. Kort na de verhuizing werd hij geopereerd en zijn slokdarmziekte kwam tot staan. Hij voelde zich fitter en maakte tijd vrij voor zijn hobby's. Gaandeweg werd hij sterker en ging hij steeds vaker voor als gastpredikant of als invaller voor zieke collega's. Ook verleende hij bijstand in het pastoraat van een naburige gemeente. Hij werkte zoveel als zijn lichaam aankon.

De hervormde gemeente Siddeburen-Steendam-Tjuchem vroeg in 2008 of hij als consulent wilde functioneren en pastoraal werk kon verrichten. Toen hij hiermee instemde, werd hem door de kerkenraad steeds gevraagd waarom ze hem niet gewoon konden beroepen. Uiteindelijk liet hij zich herkeuren en werd hij weer voor 75 procent gezond verklaard. De Groningse kerkenraad beriep hem vervolgens, en hij doet zijn werk nu met veel vreugde en zegen. De gemeente groeit in kerkbezoek en ledental, ondanks dat ze in een krimpregio zitten.

Ze wonen nu op ongeveer 35 kilometer afstand van de gemeente, wat voor hen erg heilzaam is. Als hij even niet meer kan, trekt hij zich letterlijk terug. Hij stapt dan op de fiets of loopt een rondje. Het voordeel van de afstand is dat hij geen gemeenteleden tegenkomt. Als hij destijds bij hun 's Gravenmoerse pastorie één stap buiten de monumentale voordeur zette, was daar alweer een gemeentelid dat vroeg: 'En, dominee, hoe gaat het ermee?'

Wat hij nu dagelijks ervaart, is diepe dankbaarheid en grote verwondering over God. In alles wat ze hebben meegemaakt, heeft God Zijn grote plan getrokken. Het heeft hem een verdieping in zijn geloof en van de kennis van de Heere gegeven, en die heeft hij hard nodig in de Groningse diaspora, want zo voelt het hier, als christen in het overwegend seculiere noorden.

In zijn eerste gemeente stond hij voor een kerkzaal van 900 mensen. Eerlijk gezegd was hij daar best een beetje trots op. Nu gaat hij voor in kerken waar aanzienlijk minder mensen samenkomen. En ook daar klinkt iedere zondag het votum: 'Onze hulp en onze verwachting is van de Heere.' Wat hem betreft het mooiste moment van de eredienst. 'De Heere is goed voor ons geweest.'

tags: #dominee #de #wind #uit #bolsward