In de krant van gisteren reageerde de heer Kok op de lezing die ik hield op het predikantencontio van de Gereformeerde Bond. Het onderwerp van de lezing was ”Moslims liefhebben! - De islam haten?”. Ik wil graag op zijn betoog ingaan.
Door een verblijf van negen jaren als predikant en docent in Indonesië ben ik volkomen vertrouwd geraakt met het taaleigen van de Indonesische christenheid. In de Indonesische Bijbel is het woord ”God” vertaald met het Arabische woord ”Allah”. Dat woord staat taalkundig dichter bij het oudtestamentische woord ”El” dan ons Germaanse woord ”God”. In aansluiting daarbij luiden de eerste artikelen van de christelijke geloofsbelijdenis in het Indonesisch: „Ik geloof in Allah, de Vader, de Almachtige.”
Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen terminologie en geloofsinhoud. Evenals het Germaanse taaleigen kan het Arabische taalgebruik dienstbaar gemaakt worden aan het christelijke geloof. Zo vind ik de term ”Allahoe akbar”, de Arabische vertaling van ”God is groot/groter”, goed bruikbaar in christelijk en kerkelijk verband. Ik vul al deze termen dan echter wel voluit christelijk in.
Als missioloog gaat het mij erom met moslims in gesprek te komen over het christelijke geloof. Daarbij maak ik dankbaar gebruik van de inzichten van christenen in een islamitisch milieu. Christenen in de Arabische wereld en in Indonesië vervullen hun zendingsopdracht door zich in hun woordgebruik aan te passen en zich tegelijkertijd in hun geloofsvertolking en geloofsbeleving niet aan te passen.
Op het vlak van bijvoorbeeld het bidden ligt het verschil tussen christenen en moslims niet in het gebruik van de term ”Allah”, maar in het verstaan van ”Allah” als ”de Vader van Jezus Christus”. God/Allah is „onze Vader Die in de hemelen zijt.” Bovendien onderscheidt een christelijk gebed zich van een islamitisch gebed doordat het beëindigd wordt met de woorden: „Dit bidden wij U in Jezus’ naam.” Dat zal een traditionele moslim nooit doen.
Doordat ik lang in Indonesië heb gewoond en gewerkt ben ik mij waarschijnlijk meer dan de heer Kok bewust van de grote verschillen tussen het christelijke geloof en het islamitische geloof. Daardoor ben ik mij verder meer dan hij bewust van de noodzaak het verschil niet in de terminologie te zoeken, maar in de inhoud. Moslims spreken over God, maar erkennen Zijn menswording niet. Moslims spreken over liefde, maar kennen geenszins de vijandsliefde.
Ik heb mijn betoog voor de predikanten van de Gereformeerde Bond bewust beëindigd met een bespreking van ”Allahoe akbar”, ”God is groot/groter”. De Bijbel is vol van dit onderwerp. De Bijbel vult het begrip echter anders in dan de islam en sluit een gewelddadige interpretatie en invulling hiervan totaal uit. Juist een gesprek over de grootheid van God kan moslims helpen dit begrip Bijbels te leren verstaan en gebruiken. Het kan hen ertoe aansporen radicaal afstand te nemen van het koppelen van de geloofsbelijdenis ”Allahoe akbar” aan jihad, het uitschreeuwen van ”Allahu akbar” als inleiding op terrorisme.
In mijn lezing heb ik mij tamelijk bezorgd uitgelaten over de groei van de islam in de wereld, te beginnen met Europa. Daarop moet een christelijk antwoord gegeven worden. Ik zie enerzijds geen heil in een eigentijdse kruistocht tegen de islam, en anderzijds geen heil in een zich eindeloos aanpassen en in dat kader het Evangelie onbetuigd laten, zogenaamd om der lieve vrede wil.
Drie pijlers voor een christelijke reactie op de islam
Wat ons, in het voetspoor van de apostel Paulus, te doen staat is:
- Alle moslims zonder onderscheid liefhebben.
- Hoop bieden aan islamitische vluchtelingen die ons land binnenstromen.
- Ons christelijk geloof betuigen: wij hebben lief en geven hoop om Christus’ wil.

Historische context van christologie en de islam
Daarbij moeten wij in gedachten houden dat God/Allah de gekruisigde en opgestane Christus gemachtigd heeft het eindoordeel over de wereldgeschiedenis uit te spreken.
Vroege diversiteit binnen het christendom
Al vanaf het prille begin van de Jezus-beweging zijn er grote verschillen tussen zijn aanhangers. Sporen daarvan zijn in de nieuwtestamentische teksten terug te vinden. Met name het verschil tussen Joodse Jezusaanhangers en christenen uit andere bevolkingsgroepen (heidenen, in het Bijbelse jargon), springt eruit. Zoals Jezus een Jood was, waren zijn leerlingen dat ook. Maar al snel gingen ook niet-Joden erbij horen. Later ontstonden er andere twistpunten. Die hadden betrekking op de eventuele goddelijke status van Jezus. Was Jezus nu een bijzonder mens of was hij God, of allebei, maar op wat voor manier dan?
De vorming van orthodoxie onder keizerlijke druk
Toen het christendom na ruim driehonderd jaar de officiële godsdienst van de macht werd, drong de keizer aan op kerkelijke eenheid. Ondanks keizerlijke druk, hadden de theologen nog zo’n anderhalve eeuw tijd nodig voordat ze, na diverse vergaderingen (concilies), één verbindende orthodoxe geloofsbelijdenis opstelden. Jezus kreeg daarin een goddelijke status. Maar: “is het juist als met meerderheid van stemmen wordt uitgemaakt wat ‘orthodox’ is? Hoeveel ruimte is er voor bezinning als onder invloed van de keizer wordt vastgesteld wat men moet geloven? En hebben dan de andersdenkenden die het veld moesten ruimte een onjuiste mening?“, vraagt Verhoef zich terecht af.
Hij laat vervolgens zien dat het verschil tussen de orthodoxe conciliechristenen en ketterse christenen ook een geografisch karakter heeft. Dat was de situatie in de zevende eeuw, toen de Islam zijn stormachtige opkomst beleefde. Op het Arabisch schiereiland kwam Mohammed in aanraking met christelijke groeperingen die Jezus als profeet zagen en minder ophadden met de officiële vergoddelijkte Jezus. Deze groepen stonden daardoor open voor de nieuwe leer die Mohammed introduceerde.
Duidelijk is dat er vanaf het begin verschillende visies op Jezus naast elkaar hebben bestaan. Met de vaststelling van het christologisch dogma is geprobeerd om daar een einde aan te maken, maar tevergeefs. Het leven is - gelukkig - weerbarstiger dan de leer.
De rol van terminologie en geloofsverschillen
Juist de erkenning dat er verscheidenheid in visie op Jezus mogelijk is, kan het gesprek tussen christenen en moslims bevorderen. “Misschien komen we zo al pratend dichter bij een samenleving waarin mensen met verschillende visies naast elkaar staan in plaats van tegenover elkaar” (p. Eduard Verhoef, Jezus in Christendom en Islam. Uitgeverij Skandalon, Middelburg 2021).
De opkomst en ondergang van het middeleeuwse islamitische rijk - Petra Sijpesteijn & Birte Kristiansen
De etymologische kwestie van het woord 'Allah'
Het verwijt dat Mohammed geen zuiver monotheïsme bracht, maar één van de populaire goden van Mekka naar voren schoof, is historisch onjuist. De naam Allah is een samentrekking van het Arabische 'al-ilah', wat 'de god' betekent. Dit woord werd al in de pre-islamitische tijd gebruikt door joden, christenen en monotheïsten (hanief) om te verwijzen naar de enige schepper-God. Ook polytheïstische dichters gebruikten het om naar een specifieke godheid te verwijzen.
Mohammed sloot aan bij het bestaande godsbesef van Joden, christenen en hanief en wees het Arabische polytheïsme af. Historische gronden voor de bewering dat Allah een andere naam voor de maangod Hubal zou zijn, ontbreken. Het woord 'ilah' is verwant aan het Semitische 'el' of 'il', wat ook in het Hebreeuws van het Oude Testament voorkomt.
Hoewel de vroege islam aansluiting zocht bij het monotheïsme van joden en christenen, heeft de latere islamitische theologie afstand genomen van de oorspronkelijke openbaringen, zoals de Thora, Psalmen en het Evangelie, die door de Koran als vervalst worden beschouwd. Mohammed zag zichzelf aanvankelijk niet als brenger van een nieuwe boodschap, maar als degene die het monotheïsme van eerdere profeten opnieuw bekendmaakte aan het Arabische volk.
Invloed van Joods-christelijke tradities op Mohammed
Mohammed trad niet op in een religieus vacuüm. Hij had contact met christenen, niet alleen tijdens zijn handelsreizen naar Syrië, maar ook binnen Mekka zelf. Er waren belangrijke christelijke nederzettingen in de buurt, zoals in Najran. Verhalen over monniken die Mohammed als profeet herkenden, circuleerden in zowel vroege islamitische als Syrisch-christelijke kringen.
Bekend is ook de gestalte van Waraqa, een christen en neef van Mohammeds eerste vrouw Khadiedja, die Mohammed na zijn eerste openbaringen zou hebben overtuigd dat deze van God kwamen. Ook de tradities over de vier hanief, Arabische monotheïsten die in Mekka actief waren, wijzen op een spirituele zoektocht die Mohammed diepgaand zou hebben beïnvloed.
De aansluiting bij het monotheïstische geloof van de joden, waarmee intensief contact was, is bepalend geweest voor tal van religieuze gewoonten, zoals de richting van het gebed (qibla), de oproep tot gebed, de samenkomst op vrijdag en het vasten tijdens Asjoera. Joden migreerden naar Arabië en Arabieren bekeerden zich tot dit jodendom.
De invloed van dit Arabische jodendom op Mohammed en de vroege islam wordt geïllustreerd door het gebruik van de naam Rahman (Barmhartige) voor God, een naam die frequent in de Koran voorkomt.
Mohammed had vooral belangstelling voor de profetenverhalen van Abraham en Mozes, waarmee hij zich voortdurend identificeerde. Hoewel er geen citaten uit de Bijbel in de Koran voorkomen, ontleent Mohammed veel uit mondelinge tradities die we in de Mishnah en de Talmoed tegenkomen. Zijn verwijzing naar het evangelie in enkelvoud suggereert het gebruik van een evangelieharmonie, mogelijk het Diatessaron van Tatianus.

Jezus in de Koran en de christelijke theologie
De Koran vermeldt de naam Jezus (Isa) 25 keer. Moslims zien hem als een groot profeet die wonderen verrichtte, maar verwerpen dat hij de zoon van God is, zelf God, of deel van een goddelijke drie-eenheid. Ook verwerpen zij dat hij aan het kruis gestorven is; God zou ervoor gezorgd hebben dat iemand anders in zijn plaats werd gekruisigd. De Koran stelt: “De Messias, Jezus is niet een van de drie goden”.
Tijdens de eerste eeuwen van het christendom bestond er verdeeldheid over de goddelijkheid van Jezus. Johannes plaatst Jezus in zijn evangelie dichter bij God dan de andere evangelisten. De benaming ‘zoon van God’ werd aanvankelijk opgevat in de traditionele joodse betekenis: iemand die trouw is aan de Wet.
Pas toen het christendom staatsgodsdienst werd, kreeg de visie op Jezus een definitieve vorm. Tijdens het Concilie van Chalcedon (451) werd vastgelegd dat Jezus volkomen God én volkomen mens is. Christenen die zich niet konden vinden in deze officiële leer, weken uit naar gebieden waar de Romeinse keizers geen invloed hadden. Mohammed kende deze groepen en nam de visie op Jezus over zoals hij die kende.
Het vers over de kruisiging in de Koran (Soera 4:157) is geen weloverwogen verzet tegen het kruis van Christus, maar een polemiek tegen joden die zich ook tegen eerdere profeten, waaronder Jezus, verzetten. Het idee dat het leek alsof Jezus gekruisigd werd (shoebbiha lahoem), echo't het apocriefe evangelie van Thomas en het docetisme, waar benadrukt werd dat Jezus naar zijn ware, goddelijke wezen niet het slachtoffer was van de feitelijke kruisiging.
Mohammed spiegelde zich in Jezus in de discussie rondom de erkenning van zijn eigen profeetschap. Er is geen theologische verhandeling in de Koran over het offer en de verzoening in relatie tot Jezus. Het verzet tegen het Zoonschap van Christus kwam voort uit de polemiek met de polytheïstische Qoeraish in Mekka, die Mohammed vroegen of hij wilde dat zij hem net zo vereerden als de christenen Jezus.
Mogelijkheden voor interreligieuze dialoog
Eduard Verhoef wil laten zien dat het christendom en de islam op het punt van de visie op Jezus niet zo veel van elkaar verschillen als op het eerste gezicht lijkt. Hij benadrukt dat de vroege christenen, inclusief Paulus, Jezus niet als God beschouwden. De keuze voor het dogma van de drie-eenheid zou zelfs vooral politiek gemotiveerd zijn geweest.
Verhoef werpt een informatieve en verkoelende blik op een nog altijd smeulende religieuze controverse. Hij stelt dat de erkenning van verscheidenheid in visie op Jezus het gesprek tussen christenen en moslims kan bevorderen, leidend tot een samenleving waarin mensen met verschillende visies naast elkaar staan in plaats van tegenover elkaar.
