Introductie en Historische Context
De Sint-Magnuskerk in Anloo, Drenthe, heeft een rijke en complexe geschiedenis die teruggaat tot de 9e eeuw. Opgravingen hebben aangetoond dat op deze locatie al sinds de 9e eeuw het evangelie werd verkondigd, met houten voorgangers van de huidige kerk die waarschijnlijk in de 9e en 10e eeuw werden gebouwd. In de Middeleeuwen was Anloo de hoofdplaats van het dingspil (rechtsgebied) Oostermoer. De kerk van Anloo fungeerde als moederkerk van dit gebied, dat zich uitstrekte van Zuidlaren tot Borger. De kerk is vernoemd naar Magnus, bisschop van Trani in Italië, die na zijn marteldood heilig werd verklaard en wiens sterfdag op 19 augustus wordt herdacht.
De huidige romaanse Sint-Magnuskerk werd rond 1100 gebouwd en is daarmee een van de oudste gebouwen van Drenthe, na de hunebedden. In tegenstelling tot veel andere kerken, is het oudste deel van deze kerk opgetrokken uit tufsteen uit de Eifel, Duitsland. Later is er een deel aangebouwd in Gotische stijl, terwijl het oudere gedeelte meer Romaanse kenmerken vertoont, zoals een robuuste vormgeving met kleine ramen.

Onderzoek en Ontdekkingen
In de afgelopen jaren heeft de Magnuskerk bol gestaan van onderzoeken die meer inzicht moesten geven in haar geschiedenis. Een belangrijke aanleiding was de opening van een achttiende-eeuwse grafkelder van de rijke familie Alberda. Om deze kelder te bereiken, moest eerst een trap worden blootgelegd, waarvan vermoed werd dat deze uit de Middeleeuwen zou kunnen stammen. Deze trap, opgetrokken uit grote, dikke veldkeien, terwijl de kelder van gemetselde baksteen is, leidde tot discussie onder archeologen. Hoewel sommigen, zoals archeoloog Pieter den Hengst, ervan overtuigd zijn dat de trap achttiende-eeuws is en hergebruikt werd door de bouwers van de kelder, twijfelt Cuno Koopstra aan deze datering en pleit voor verder onderzoek.
Tegelijkertijd werd het onderzoek van de beroemde Drentse professor Van Giffen uit 1942, dat hij destijds had stopgezet, afgemaakt. Van Giffen groef in 1942 het middenschip van de huidige kerk op en stuitte op restanten van verbrand hout en leem van eerdere kerkgebouwen. Archeoloog Pieter den Hengst heeft zijn werk voltooid en de gegevens opnieuw onderzocht. Zijn conclusie is dat de Magnuskerk zes of zeven voorgangers heeft gehad, waarvan de eerste in de negende eeuw.
Om de datering preciezer vast te stellen, werden oude vondsten uit 1942 opnieuw onderzocht met de C14-methode. Deze methode, gebaseerd op de afname van koolstofisotopen na het sterven van een organisme, leverde echter verwarrende resultaten op: een stuk hout uit de onderste laag van de kerk bleek jonger dan een stuk uit de laag erboven. Dit suggereert dat de oude vondsten mogelijk 'vervuild' waren, wat de datering onbetrouwbaar maakt. Nieuw onderzoek van meerdere oude vondsten zou een betrouwbaarder resultaat kunnen opleveren.
De Grafkelder van de Familie Alberda
De grafkelder van de familie Alberda, geopend als onderdeel van de onderzoeken, bracht meer dan verwacht aan het licht. Hoewel er gezocht werd naar de resten van twee echtgenotes en een kind van de landheer Unico Evert Alberda, werden er botten van zeven mensen gevonden. Wie de overige zeven personen waren, blijft een mysterie. Fysisch antropoloog Margot Daleman wilde DNA-onderzoek uitvoeren, maar dit bleek niet mogelijk vanwege de slechte staat van de botten en het ontbreken van gebitsresten.
Uitvoerig historisch onderzoek van archeoloog Michèl de Jong bevestigde dat in ieder geval twee echtgenotes en een kind van Alberda in de grafkelder begraven moesten zijn. Mogelijk lagen er ook meer familieleden van Alberda in de kelder. De Jong merkte echter op dat de andere botresten ook uit de kerk zelf konden komen, aangezien men vroeger doden met 'status' in de kerk begroef. Door de vele verbouwingen van de kerk zijn mogelijk graven geruimd en de botten in de grafkelder terechtgekomen.

De Structuur en Bouwgeschiedenis van de Kerk
De Magnuskerk is door de eeuwen heen vaak verbouwd en uitgebreid. Het oudste deel van de huidige kerk, de noordgevel en een groot deel van het koor, zijn opgetrokken uit zogenaamde kloostermoppen, waarschijnlijk uit de 14e eeuw. De zuidmuur is volledig van Friese gele stenen gebouwd. De noordingang, een korfboog met geprofileerde bakstenen, dateert eveneens uit de 14e eeuw. Links hiervan is een dichtgemetselde, voormalige ingang te zien.
Aan de noordzijde bij het koor bevindt zich een nis in de buitenmuur, waar vroeger het zogenaamde 'Noormannenpoortje' was. De lage ligging van deze poortjes wordt verklaard doordat het kerkhof in de loop der jaren is opgehoogd. Bij de laatste restauratie bleek dit poortje een 'normale' hoogte te hebben gehad.
De zuid-entree is een rijk geprofileerde spitsboognis met daarin een korfboognis. Boven de deur hangt een rond houten schild ter herinnering aan de verbouwing van 1879.
Tijdens de opgravingen ontstond het vermoeden dat de kerk vroeger ook een koor had. Grondonderzoek met een grondradar liet de fundering van twee buitenmuren zien, wat wijst op een forse Romaanse voorganger van het huidige koor. Hoe de achterkant van dit koor eruitzag, blijft onduidelijk. Door de aanwezigheid van een trap in het huidige koor kon de grondradar daar geen metingen verrichten.

Interieur en Meubilair
De inrichting van de Magnuskerk heeft aanzienlijke veranderingen ondergaan, met name tijdens de restauratie van 1970-1977. Vroeger had de kerk, net als veel Friese dorpskerken, een dwarsinrichting, waarbij de zitplaatsen van de kerkenraad en de preekstoel zich in het midden bevonden. De gemeente zat 'rond' het Woord, met de vrouwenbanken dwars op de zuidmuur en de mannenbanken tegenover de kansel langs de noordmuur. Dit creëerde een gezellige, zij het soms wat rommelige, ruimte met oliekachels en losse stoelen.
Na de ingrijpende wijzigingen is de kerkruimte nu anders ingericht. Via een breed middenpad kan men tot het verhoogde koor lopen. Van het oude meubilair zijn voornamelijk de kansel uit de late 17e eeuw en het bijbehorende hekwerk overgebleven. Het merendeel van het meubilair, grotendeels 19e-eeuws, is verdwenen of vervangen. De kansel bevindt zich nu in het noordoosten van de kerk, op de koorgrens, terwijl het doophek in het westen het bankenblok afsluit.
Deze nieuwe inrichting, met een lengte-inrichting, vergroot de afstand tussen gemeente en voorganger. De gemeente komt niet meer rondom de kansel en doopvont bijeen, maar daartegenover. Ook is de koorruimte, het liturgisch centrum, minder geschikt voor de viering van het Avondmaal dan de oude ruimte. De viering vindt nu niet meer plaats in het koor, maar ervoor, waarbij een aantal banken wordt omgezet.
Kansel en Doophek
De laat-17e-eeuwse eiken kansel is een pronkstuk van de kerk. Hoewel er lange tijd werd beweerd dat deze door Amelander walvisvaarders was gemaakt, is bekend dat de preekstoel in 1604 werd vervaardigd voor de Grote Kerk van Harlingen door Claes Jelles. In 1771, na de afbraak van de Grote Kerk, kocht substituut-baljuw Wetsens de kansel. De kansel is een Renaissancestuk, herkenbaar aan het schelpmotief op de panelen, dat symbool kan staan voor Goddelijke openbaring. Het voorpaneel toont de Bijbel onder een baldakijn, een typisch voorbeeld van Reformatorische kunst.
Het doophek, vermoedelijk uit de 17e eeuw, vormt een eenheid met de kansel. Het onderstel bestaat uit dichte, onbewerkte panelen, terwijl de bovenhelft gewrongen kolommen draagt met decoratief snijwerk en bladwerk. De bovenlijst is versierd met zwarte bolknoppen.
Orgel(s) en Kunstwerken
De Magnuskerk is rijk aan orgels. Het hoofdorgel, vervaardigd in 1717-1718 door Johannes Radeker en Rudolf Garrels, leerlingen van Arp Schnitger, werd geschonken door de familie Ellents. Na diverse restauraties klinkt het instrument weer vrijwel zoals het in 1717 moet hebben geklonken.
Daarnaast zijn er twee kleinere orgels: een kabinetorgel van Heinrich Hermann Freytag uit 1804 en een huiskamerorgel van Gebr. Van Vulpen uit 1992. Het kabinetorgel werd in de 20e eeuw gebruikt om het hoofdorgel te vervangen tijdens restauratiewerkzaamheden.
In de muren van de kerk vallen diverse korfboognissen op. Achter in het schip, tegen de westmuur, staan twee oude banken met rugleuningen en een balpoottafel met gebedsschaal, die mogelijk uit de 17e eeuw stammen. Op de noordmuur hangt een merkwaardig voorwerp, gevonden onder de vloer tijdens de restauratie van 1879-1880. Het betreft waarschijnlijk het opzetstuk van een herenbank uit eind 17e, begin 18e eeuw, met een mythologisch tafereel van Hermes.
Documentaire opgravingen Paardenmarkt Alkmaar (deel 2)
Rechtspraak en Historische Betekenis
Iedere derde zaterdag in augustus wordt herdacht dat in de Magnuskerk van Anloo recht werd gesproken door de Etstoel, het Drentse gerechtshof. In middeleeuwse sfeer wordt dan een zitting van de Etstoel nagespeeld, gebaseerd op een werkelijke gebeurtenis. De opbrengst van dit evenement draagt bij aan de instandhouding van de kerk.
De kerk was in de Middeleeuwen niet alleen een plaats van erediensten, maar ook van rechtspraak. De Etstoel kwam drie keer per jaar bijeen; twee keer in Rolde en één keer in de kerk van Anloo, op de dag van Sint Magnus.
Conclusie
De Sint-Magnuskerk in Anloo is een monument met een uitzonderlijk rijke geschiedenis, die door voortdurend onderzoek steeds verder ontrafeld wordt. Van de vroegste houten voorgangers tot de achttiende-eeuwse grafkelder en de talrijke verbouwingen, elk element vertelt een stukje van de lange geschiedenis van dit markante gebouw en de gemeenschap eromheen.