De discussie rondom de doop is complex en heeft diepe historische wortels. Hoewel de titel van deze bijdrage de indruk kan wekken dat het een verdediging van de geloofsdoop tegenover de kinderdoop betreft, reikt de thematiek veel verder dan louter de bijbelse legitimatie van dooppraktijken. De doop is, zowel in de kinderdopende als in de op geloofsbelijdenis dopende tradities, beladen geraakt met kerkelijke en dogmatische belangen.
Historische Context van de Geloofsdoop
Tijdens de 16e-eeuwse Reformatie werd de geloofsdoop geherintroduceerd als een breuk met de bestaande kinderdooppraktijk. Doopsgezinden en later baptisten werden aanvankelijk als sektariërs beschouwd en moesten hun bestaansrecht ontlenen aan een bijbelse rechtvaardiging van de doop op belijdenis van geloof. Tegenwoordig is de nieuwtestamentische legitimatie van de geloofsdoop in oecumenische gesprekken minder het punt van beslissing, wat de vraag oproept of we inmiddels uitgepraat zijn over de doop en wat de uitwerking daarvan is in de kerkelijke praktijk.
Het gesprek over de doop gaat vaak over de belangen die eraan verbonden zijn. In de tijd van het corpus christianum was de kinderdoop een drager van de eenheid van kerk en staat. In de reformatorische traditie werd hij gezien als symbool van Gods genade die het menselijk geloof voorafgaat en van Gods werk in de lijn van de geslachten.

De Doperse Beweging en de Geloofsdoop
De term 'doopsgezinden' is gereserveerd voor de volgelingen van Menno Simons, die in 1536 de Rooms-Katholieke Kerk verliet en geestelijk leider werd van een beweging die de geloofsdoop praktiseerde. Kerkhistorisch gezien behoren deze doopsgezinden, in de Engelstalige wereld bekend als Mennonites, tot de brede en veelkleurige 'doperse beweging'. Deze beweging was vanaf de jaren '20 van de 16e eeuw actief in Zwitserland, Duitsland en Oostenrijk.
Ontstaan in Zürich
De doperse beweging manifesteerde zich voor het eerst binnen het kader van de kerkreformatie in Zürich, onder leiding van Ulrich Zwingli. De kern van de discussie tussen Zwingli en de doperse leiders draaide om de vraag of de kerkreformatie een geheel nieuwe periode in de geschiedenis markeerde. De dopers meenden van wel en bepleitten niet alleen een radicalere kerkreformatie dan Zwingli voorstond, maar ook de afschaffing van de tienden.
Zwingli daarentegen zag historische continuïteit als een levensvoorwaarde en bestreed dat kerkreformatie ook een reformatie van de maatschappelijke orde impliceerde. De dopers maakten de geloofsdoop tot het sacrament van een nieuwe tijd die was aangebroken met Christus' komst en opstanding. De doop had de betekenis van initiatie in deze nieuwe werkelijkheid, die vorm kreeg in de navolging van Christus. Op het moment van zijn doop begon de dopeling aan een leven van navolging.
Sacramentsopvatting bij de Vroege Dopers
De sacramentsopvatting van het vroege doperdom in en rond Zürich hield in dat de doophandeling, evenals het brood en de wijn van het avondmaal, niet op zichzelf staande sacrale bemiddelaars van heil waren. Hun betekenis lag in de context van de navolging, binnen de doorgaande geschiedenis van Jezus in de levensgeschiedenis van dopelingen.
Dit kwam treffend naar voren in de liturgie die Hubmaier opstelde voor de viering van het avondmaal. Vóór de uitreiking van brood en wijn werd elke avondmaalsganger gevraagd of hij bereid was om voor zijn broeders zijn lichaam te laten verbreken en zijn bloed te vergieten, zoals Christus op Golgotha voor hem had gedaan. De doop was initiatie in een leven van navolging en tegelijk initiatie in de gemeenschap van navolgers van Christus.

De Broederlijke Vereniging en de Betekenis van de Doop
In 1527 troffen doperse leiders elkaar in Schleitheim, waar zij zeven kenmerken van de doperse gemeente formuleerden in de 'Broederlijke Vereniging'. Deze formulering, voor het eerst in het Nederlands uitgegeven in 1560, verwerkte veel van het gedachtegoed van het doperdom te Zürich. Het eerste punt handelt over de doop, die gegeven moet worden aan hen die onderwezen zijn in de 'verandering des levens' en 'willen wandelen in de opstanding van Christus'. Deze bewoordingen tonen de invloed van het doperdom te Zürich met zijn nadruk op de doop als begin van een leven van navolging.
Melchior Hoffman en Spiritualistische Theologie
Melchior Hoffman, die in 1523 als luthers prediker begon, brak in 1528 met de lutherse avondmaalsopvatting. Zijn theologie werd gekenmerkt door een spiritualistische grondovertuiging: de mens, de kerk, de Schrift, en de gehele werkelijkheid zijn in de geschiedenis onderweg van het 'uiterlijke' naar het 'geestelijke'. De tijd van de uiterlijkheden werd opgevolgd door de tijd van de Geest.
In de persoonlijke heilsgeschiedenis, op weg naar de geestelijke mens, heeft de doop zijn plaats aan het begin van een leven van navolging van Christus. Hoffman zag de geschiedenis als het strijdperk van de ware prediking tegen de valse prediking. De wending der tijden zou plaatsvinden in de zegevierende prediking van 144.000 met de Geest verzegelde predikers.
Hoffmans doop had vooral een eschatologische betekenis. Dit bleek uit de 'stilstand' die hij afkondigde toen eind 1531 zijn eerste volgelingen in de Nederlanden werden terechtgesteld. Onder verwijzing naar de onderbreking van de herbouw van de tempel (Ezra 4:24) gebood hij de bediening van de doop op te schorten. Na deze 'stilstand' zou de doopbediening hervat worden en de wending der tijden plaatsvinden.

Menno Simons en de Betekenis van de Doop
Menno Simons, bepalend voor de theologie van de doopsgezinden, nam veel over uit de bronnen van de doperse beweging. Zijn kritiek op de sacramentariërs en de kinderdoop was cruciaal. Hij kwam tot het inzicht dat 'wij met de kinderdoop bedrogen waren'. De 'uitwendige doop' maakt niet zalig; dat doet alleen Christus.
In overeenstemming met de algemeen geldende doperse opvatting, typeerde Menno Simons het leven van een gedoopte gelovige als een leven van navolging van Christus, in de uiterste consequentie een navolging in zijn lijdensweg. Menno Simons keerde zich radicaal tegen de gewelddadige apocalyptiek die het doperdom te Münster beheerste.
Evolutie van de Doopsgezinde Positie in Nederland
Geleidelijk veranderde de positie van de doopsgezinden in de Nederlanden. Van vervolgde minderheid werden zij in de 18e eeuw een getolereerde minderheid. De doopsgezinde gemeenschap verburgerlijkte en de oorspronkelijk scherpe scheiding tussen heilige gemeente en wereld verloor zijn scherpe kanten.
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond er discussie over de doop. Sommige gemeenten achtten het niet nodig dat iemand bij overgang van 'eene andere afdeeling der christelijke Kerk tot ons' de doop zou moeten ondergaan. In 1951 adviseerde de Algemene Doopsgezinde Sociëteit de gemeenten om bij binnenkomst van leden uit andere kerkgenootschappen niet meer te vragen dan een verklaring waarin zij hun wens om lid te worden motiveren.
De huidige praktijk is dat in geval van toetreding als lid van een gelovige die reeds in een andere kerk is gedoopt (meestal de kinderdoop), de locale gemeente beslist of aan die toetreding een doop op geloofsbelijdenis is verbonden. In 2011 bood de Raad van Kerken in Nederland de kerken twee verklaringen aan: een Verklaring van wederzijdse dooperkenning en een Verklaring van toenadering.
Het Baptisme: Ontstaan en Kenmerken
Het baptisme is ongeveer een eeuw jonger dan de doperse beweging en heeft zijn wortels in het separatistisch puritanisme van de Engelse kerkreformatie. Binnen de Engelse staatskerk, die een middenweg hield tussen rooms-katholicisme en gereformeerd protestantisme, ontwikkelde zich in de tweede helft van de 16e eeuw de binnenkerkelijke protestbeweging van het puritanisme.
Vanaf de jaren 1580 besloten sommige puriteinen, teleurgesteld over het effect van hun protest, zich los te maken van de Engelse staatskerk en eigen gemeentes te stichten. Uit dit separatistisch puritanisme is het baptisme voortgekomen. Een naar Amsterdam gevluchte afgescheiden gemeente van puriteinen ging onder leiding van John Smyth in 1609 over tot bediening van de geloofsdoop, mede onder invloed van contacten met Amsterdamse doopsgezinden.

De Doopsgezinde Kerk in Leeuwarden en het Orgel
Het orgel in de Doopsgezinde Kerk in Leeuwarden heeft een interessante geschiedenis. Het werd oorspronkelijk gebouwd door J.S. voor een Doopsgezinde Kerk in Amsterdam. In 1812 werd het geplaatst in de Doopsgezinde Kerk in Leeuwarden.
Het orgel is verbouwd door L. van Dam in 1848 en 1858, waarbij het een duidelijk Biedermeier-karakter kreeg. De laatste restauratie, uitgevoerd door de firma Bakker & Timmenga, nam de situatie uit 1858 als uitgangspunt.
Het orgel bevindt zich vóór in de kerk, boven de preekstoel. De klaviatuur is ondergebracht in een afgesloten gedeelte aan de zijkant van het orgel en is vanuit de kerkzaal niet zichtbaar. Het hoofdmanuaal loopt van C tot g3 en omvat registers zoals Prestant 16′, Prestant 8′, Bourdon 16′, Holpijp 8′, Octaaf 4′ en Cornet 3 st.
tags: #doopsgezinde #eerst #veertig #dagen #leeuwarden #liturgie