De doopsgezinden, internationaal bekend als mennonieten of menisten, vormen een beweging van protestantse christenen die voortkwam uit de radicale stroming van de Reformatie. Een kernpunt van hun geloof is de volwassenendoop, ook wel geloofsdoop genoemd, in plaats van de kinderdoop. Deze naam is afgeleid van voorman Menno Simons (1496-1561), die zich als volwassene liet dopen nadat hij de Rooms-katholieke kerk had verlaten. Aanvankelijk werden de dopersen zwaar vervolgd, maar na verloop van tijd werden zij gedoogd en uiteindelijk aanvaard.

Ontstaan en Verspreiding
De doperse richting verspreidde zich, grotendeels als gevolg van vervolging, over de gehele wereld en vormt tegenwoordig een wereldwijd netwerk. De doopsgezinde broederschappen zijn verenigd in de Mennonite World Conference. In de Verenigde Staten en Canada vormen de doopsgezinden (mennonieten) een levendige en actieve gemeenschap, waarvan de conservatieve Amish de meest opvallende tak vormen.
In Nederland telt de beweging zo'n 9000 leden (anno 2011), verdeeld over bijna 120 gemeenten, die verenigd zijn in de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS). Met name in de provincie Friesland is de aanwezigheid significant, met circa 2000 leden in 30 gemeenten (anno 2011). Desondanks verliezen de doopsgezinden in Nederland jaarlijks leden; in 1980 telde de beweging nog 24.000 leden.
Theologie en Geloofspraktijk
Het gemeentebesef binnen de doopsgezinde kerk leidt tot een bewust lidmaatschap, gebaseerd op een zelfgeschreven persoonlijke geloofsbelijdenis en/of doop. Driekwart van de leden van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit omschrijft zichzelf als vrijzinnig (anno 2011).
De Bijbel wordt door de meeste Nederlandse doopsgezinden beschouwd als de menselijke, en daarmee gebrekkige, neerslag van Gods boodschap. Geen enkele doopsgezinde predikant zal de Bijbel het Woord van God noemen; het boek wordt vooral gezien als een inspiratiebron. Slechts 23 procent van de doopsgezinden noemt de Bijbel de belangrijkste inspiratiebron voor het geloof, terwijl 39 procent het als één van de inspiratiebronnen beschouwt (anno 2011).
Een aanzienlijk deel van de doopsgezinden (acht tot negen van de tien) beschouwt de Heer Jezus niet als de eniggeboren Zoon van God. Zij zien hem veeleer als een voorbeeld, leraar of spiritueel leider, waarbij de nadruk ligt op de navolging van Jezus.
Predestinatie (voorbeschikking door God) en erfzonde werden vanaf het begin door dopers afgewezen. Zij geloofden in de kracht van de mens om zichzelf te verbeteren en streefden naar zedelijke volkomenheid. De term 'zondeval' wordt niet snel gebruikt binnen de beweging.
Ongeveer een derde van de doopsgezinden in Nederland gaat elke zondag naar de kerk, en bijna de helft bezoekt de kerk meerdere keren per maand (anno 2011). De verwachting is dat een preek, in doopsgezinde kringen ook wel 'vermaning' genoemd, inspireert, bemoedigt en relevant is voor de concrete levensopdracht van de gelovige. Een oproep tot een christelijke levensstijl of een waarschuwing zijn minder gebruikelijk. De meeste doopsgezinde predikanten houden een vermaning die tien tot twintig minuten duurt.
Doopsgezinden benadrukken persoonlijke keuzevrijheid en verantwoordelijkheid. Daarnaast zijn vrede en verzoening van groot belang. Een meerderheid van de doopsgezinde gemeenten in Nederland houdt zich anno 2011 bezig met duurzaamheid, zoals milieuvriendelijk energiegebruik en eerlijke handel.

Structuur en Bestuur
De koepelorganisatie van de doopsgezinden in Nederland heet de Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Doopsgezinde gemeenten kennen veel vrijheid en het kerkgenootschap kent geen landelijke synode. Elke gemeente heeft haar eigen leeraar, die samen met de ouderlingen, die ook zorg dragen voor de armen (diakenen), de kerkeraad vormt. De predikanten zijn niet gebonden aan een vast formulier en genieten grote vrijheid.
Historische Kenmerken en Invloeden
De doopsgezinde beweging ontstond in de 16e eeuw als een radicale tak van de Reformatie. De hervormingsgezinden streefden naar een gemeente van bewust gelovigen, die als bekeerden waren gedoopt. In die tijd werden dopers echter als een gevaar voor de maatschappij beschouwd en behoorden zij tot de zwaarst vervolgde religieuze minderheid in de Nederlanden. Tussen 1530 en 1597 werden in de Lage Landen ongeveer 2000 ketters terechtgesteld, waaronder ruim 1300 dopers.
Menno Simons, een voormalig priester, verliet in 1536 de Rooms-katholieke kerk en werd de geestelijk leider van de doperse beweging. Hij predikte geweldloosheid en wereldmijding, en bracht een radicale ommezwaai binnen de beweging teweeg. De Verlichting van de 18e eeuw heeft de Nederlandse doopsgezinden theologisch op een vrijzinnige weg gebracht.
In 1811 werd de Algemene Doopsgezinde Sociëteit opgericht. Dit is geen besturend lichaam, maar dient ter ondersteuning van arme gemeenten en voor de opleiding van predikanten. Het seminarium te Amsterdam wordt bekostigd door de sociëteit.
De doopsgezinden hadden ook een praktische rol in de maatschappij. Op veel plaatsen hielden zij zich bezig met het droogleggen van moerassen en het bemalen van meren. Bekende figuren zoals Jan Adriaanzoon Leeghwater (1575-1650) en ir. Cornelis Lely (1854-1929) waren lid van de doopsgezinde gemeenschap.
De oorspronkelijke dopers keerden zich tegen de rooms-katholieke sacramentsleer, waarbij gewijde clerus de macht had om middels water, brood, wijn en olie goddelijke genade uit te delen. Dit verzet was niet louter theologisch, maar kende ook een volkse afkeer van een kerk die zich de macht over het heil van mensen had toegeëigend.
Melchior Hoffman, een luthers prediker, brak in 1528 met de lutherse avondmaalsopvatting en trad toe tot het doperdom. Zijn theologie werd gekenmerkt door een spiritualistische grondovertuiging, waarbij de werkelijkheid in de geschiedenis onderweg is van het uiterlijke naar het geestelijke. Hoffman zag de geschiedenis als het strijdperk van de ware prediking tegen de valse prediking van satan. Zijn opvattingen hadden een apocalyptische lading, met de verwachting van een naderend wereldeinde en het begin van een nieuwe heilstijd.
Hubmaier beschreef de ceremonieën van het Oude Testament als voorafschaduwingen van de nieuwe werkelijkheid die met Christus' komst was ingetreden. De doop had voor hem de betekenis van initiatie in die nieuwe werkelijkheid, die vorm kreeg in de navolging van Christus. Dit principe werd later weerspiegeld in de 'Broederlijke Vereniging', een formulering van zeven kenmerken van de doperse gemeente, opgesteld in 1527.
Hubmaier's liturgie voor het avondmaal illustreert de betekenis van de doop als initiatie in een leven van navolging en gemeenschap. Elke avondmaalsganger werd gevraagd of hij bereid was om voor zijn broeders zijn lichaam te laten verbreken en zijn bloed te vergieten, zoals Christus had gedaan.
In 1560 verscheen de eerste Nederlandse uitgave van de 'Broederlijke Vereniging'. Het eerste punt, handelend over de doop, benadrukt dat deze gegeven moet worden aan hen die onderwezen zijn in de 'verandering des levens' en 'willen wandelen in de opstanding van Christus'.
De sacramentariërs keerden zich tegen de rooms-katholieke sacramentsleer. Hun verzet was gebaseerd op de overtuiging dat de mens, de kerk en de Schrift in de geschiedenis onderweg zijn naar een geestelijke staat. De doop markeert het begin van een leven van navolging van Christus, een navolging die zijn uiterlijke, typologische voorafschaduwing vindt in Israëls tocht door de woestijn.
Menno Simons nam de kritiek van de sacramentariërs over en kwam tot het inzicht dat men met de kinderdoop bedrogen was. De 'uitwendige doop' maakt niet zalig; dat doet alleen Christus. Het leven van een gedoopte gelovige werd door hem getypeerd als een leven van navolging van Christus, in de uiterste consequentie een navolging in zijn lijdensweg. Simons keerde zich radicaal tegen de gewelddadige apocalyptiek van het doperdom in Münster.
Geleidelijk veranderde de positie van de doopsgezinden in Nederland. Van een vervolgde minderheid werden zij in de 18e eeuw een getolereerde minderheid. De oorspronkelijke scheiding tussen de heilige gemeente en de wereld verloor zijn scherpte, en de gemeenschap verburgerlijkte.
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond er discussie over de doop. Sommige gemeenten achtten het niet meer nodig dat iemand bij overgang van een andere kerk de doop zou ondergaan. In 1951 adviseerde de Algemene Doopsgezinde Sociëteit de gemeenten om bij binnenkomst van leden uit andere kerkgenootschappen enkel een verklaring te vragen waarin zij hun wens om lid te worden motiveren. De huidige praktijk is dat de lokale gemeente beslist of aan de toetreding van een reeds gedoopte gelovige een doop op geloofsbelijdenis verbonden is.
De 19e eeuw zag ook de opkomst van een individualistische opvatting over geloof binnen de doopsgezinde gemeenten, wat een breuk inhield met het verleden waarin het lidmaatschap van de gemeente centraal stond. Dit individualisme vindt uitdrukking in de rijmspreuk: 'Dopen wie mondig is, spreken dat bondig is, vrij in het christelijk geloven, daden gaan woorden te boven.'
Bekende Nederlandse Doopsgezinden
Naast Menno Simons zijn er diverse bekende Nederlanders die banden hadden met de doopsgezinde kerk. De dichter Joost van den Vondel was vijftien jaar diaken in de doopsgezinde gemeente van Amsterdam. De predikant Anthony Winkler Prins is de maker van de bekende Winkler Prins encyclopedie. Ook Cornelis Lely, verantwoordelijk voor de afsluiting van de Zuiderzee, was doopsgezind.
In de 16e eeuw behoorden de dopers tot de radicale tak van de Reformatie. Deze hervormingsgezinden streefden een gemeente van bewust gelovigen na, die als bekeerden waren gedoopt. Dopers werden toentertijd echter als een gevaar voor de maatschappij gezien. Zij behoorden tot de zwaarst vervolgde godsdienstige minderheid in de Nederlanden en ontvingen de meeste doodvonnissen. Van 1530 tot 1597 werden in de Lage Landen zo’n 2000 ketters terechtgesteld. Onder hen waren ruim 1300 dopers.
In 1844 uitte de doopsgezinde predikant Jan de Liefde in zijn geschrift 'Gevaar! Gevaar! en geen vrede!' zijn ongerustheid over de toenemende vrijzinnigheid, wat hem echter het verwijt van fanatisme opleverde.
In 1911 werd Anne Zernike (1887-1972) in het Friese dorp Bovenknijpe de eerste academisch opgeleide vrouwelijke predikant in Nederland.
Bekende Nederlandse doopsgezinden aan het begin van de 21e eeuw zijn bijvoorbeeld de voormalige ministers Joris Voorhoeve en Annemarie Jorritsma.
Wie was Menno Simons? Stichter van de mennonieten (1496-1561)
De Doop als Centraal Thema
De benaming 'doopsgezinden' (vroeger ook wel 'dopersen' of 'me(n)nisten' genoemd) heeft te maken met hun specifieke kijk op de doop. In de doopsgezinde kerk schrijft degene die zich wil laten dopen, en daarmee als volwaardig lid toetreedt, haar of zijn eigen belijdenis. Dit staat in contrast met de kinderdoop, die in veel andere kerken gebruikelijk is.
De doop heeft een centrale betekenis in de geschiedenis van de Nederlandse doopsgezinden. De doperse beweging, die ontstond binnen de context van de kerkreformatie in Zürich, zag de doop als het sacrament van een nieuwe tijd die was aangebroken. De ceremonieën van het Oude Testament werden gezien als voorafschaduwingen van de nieuwe werkelijkheid die was ingetreden met Christus' opstanding, een werkelijkheid van broederliefde en vergeving.
De doop was initiatie in een leven van navolging van Christus en tegelijkertijd initiatie in de gemeenschap van navolgers. Dit komt tot uiting in de nadruk op het martelaarschap als uiterste consequentie van navolging.
In de loop der tijd is de praktijk rondom de doop binnen de doopsgezinde kerken geëvolueerd. Vroeger werd er bijna altijd herdoopt als iemand van een andere kerk overstapte. Tegenwoordig beslist de lokale gemeente of aan de toetreding van een reeds gedoopte gelovige een doop op geloofsbelijdenis verbonden is.
De doop is - zowel in de kinderdopende als in de op geloofsbelijdenis dopende tradities - belast geraakt met kerkelijke en dogmatische belangen. In het gesprek over de doop gaat het vaak om deze belangen, die de eenheid van kerk en staat, Gods genade die het menselijk geloof voorafgaat, en Gods werk in de lijn van de geslachten kunnen vertegenwoordigen.
Doopsgezinden en de Maatschappij
Een ander belangrijk kenmerk van de mennonieten of doopsgezinden is hun afwijzing van militaire dienst (het dragen van wapens) en, historisch gezien, ook van overheidsdienstneming. Dit heeft hen ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden menigmaal in conflict gebracht met stedelijke en stadhoudelijke overheden.
Vanwege hun geloofsovertuigingen werden doopsgezinden, net als katholieken en joden, 'gedoogd'. Ze waren wel aanwezig, maar mochten hun geloof niet zichtbaar uitoefenen. Dit leidde tot de bouw van schuilkerken, vaak verscholen achter andere gebouwen of aan het einde van een erf, en zonder opzichtige kerktorens of luide kerkklokken. Deze gebouwen werden door de doopsgezinden 'vermaning' genoemd, wat zowel verwees naar de aansporing om Christus te volgen als naar een waarschuwing tegen het kwaad.
Door hun afwijzing van militaire dienst en overheidsfuncties, werkten veel doopsgezinden in de (geld)handel, wat in de Gouden Eeuw tot aanzienlijke welvaart leidde. Vanaf de 18e eeuw ontwikkelde een deel van de mennisten zich richting de vrijzinnige theologie.
Tijdens de Bataafse Revolutie in 1795 speelden verhoudingsgewijs veel doopsgezinden als patriotten een actieve rol. Door de invoering van het gelijkberechtigd burgerschap werden zij, net als katholieken en joden, geëmancipeerd.
Vanaf het midden van de 19e eeuw stapten veel rechtzinnige doopsgezinden over naar de toen nieuwe Gereformeerde Kerk en de Vrije Evangelische Gemeenten, en emigreerden ook groepen naar de Verenigde Staten. Hierdoor kreeg de kerk een nog vrijzinniger karakter.
De doopsgezinde kerk was de eerste kerk in Nederland die eind 19e eeuw haar predikantenopleiding openstelde voor vrouwen. Anne Zernike was de eerste vrouw die in Nederland predikante werd.
Doopsgezinden participeerden actief in de VPRO en de Interkerkelijke Omroep Nederland (IKON). Zonder zich aan belijdenissen te binden, namen de doopsgezinden vanaf de oprichting deel aan de Raad van Kerken in Nederland.
De doopsgezinden nemen de Bijbel niet letterlijk, maar gebruiken het als leidraad. Ze hanteren geen dogma's, met de uitzondering dat ze juist het hebben van dogma's afwijzen. De nadruk ligt op het leven en de daden van de gelovige, zoals uitgedrukt in de rijmspreuk: 'Ik doop mijn pen niet in de inkt, maar in het leven.'
In het noorden van Nederland staan nog diverse doopsgezinde kerkjes, die vroeger vaak verborgen stonden en nu zichtbaar zijn met pleintjes aan de voorkant. Deze 'broederschapshuizen' zijn tegenwoordig open voor iedereen en dienen ook als congrescentrum.

tags: #doopsgezinde #kerk #symbool