De Geschiedenis van de Eenhoorn en zijn Band met de Hervormde Kerk

De eenhoorn, een fabeldier dat tot de verbeelding spreekt, heeft een rijke en diepe geschiedenis die verder reikt dan de hedendaagse afbeeldingen van zachte knuffels of kleurrijke figuren. Oorspronkelijk werd de eenhoorn gezien als een symbool van magie, rechtvaardigheid, kuisheid en zelfs opoffering. De bijzondere krachten van de hoorn van de eenhoorn werden al in de oudheid beschreven. Volgens Ktesias, een Griekse arts aan het Perzische hof (4de eeuw v.Chr.), beschermde de hoorn tegen gif en kramp. Eeuwenlang geloofden mensen heilig in de geneeskrachtige werking van de hoorn. Zo dronk Karel de Stoute zijn wijn in 1464, tijdens een bezoek in Hoorn, alleen uit een hoorn van een eenhoorn, om vergiftiging te voorkomen.

Illustratie van een eenhoorn, met een spiraalvormige hoorn op het voorhoofd en gespleten hoeven.

De Utrechtse Connectie: De Mariakerk en de Eenhoornhoorns

Utrecht heeft een bijzondere band met de eenhoorn: de Mariakerk was ooit de trotse bezitter van drie "echte" eenhoornhoorns. Hoe kwamen die daar terecht, en wat is er met deze bijzondere voorwerpen gebeurd? De Mariakerk was in de 17e eeuw een drukbezochte plek vanwege haar bijzondere collectie relikwieën en curiositeiten. Toeristen kwamen uit binnen- en buitenland om er onder andere het zwaard van Petrus, handschriften met banden van mensenhuid, een hoorn van olifantstand die werd gebruikt door heidenen op een offerplaats, en heidense godenbeeldjes te bewonderen. De koster en zijn vrouw gaven graag uitleg over deze bijzondere voorwerpen. De kerk fungeerde tevens als marktplaats voor schilderijen, prenten en boeken. Na afloop van het bezoek lieten veel mensen hun bezoek vereeuwigen in de Zwolse bijbel (zes delen), die daar als gastenboek diende.

De grootste trekpleister waren echter de drie hoorns van de eenhoorn. Deze hoorns lagen al eeuwen in de kerk. In 1081 ontving bisschop Koenraad de waardevolle drie hoorns ter ere van de wijding van de Mariakerk. Tijdens feestdagen stonden de hoorns op het hoogaltaar en vormden zij een uiterst kostbaar bezit.

Artistieke impressie van het interieur van de Mariakerk in Utrecht met de eenhoornhoorns op het altaar.

Strijd om de Eenhoornhoorns en hun Verdwijning

In roerige tijden zag ook het Utrechtse stadsbestuur de waarde van de hoorns. In 1581 eisten zij de hoorns op, maar de deken van het kapittel had ze uit voorzorg al verstopt. De deken werd gegijzeld, maar vroeg de Prins van Oranje om hulp. Deze liet in een brief uit 1581 aan het stadsbestuur weten dat ze de deken met rust moesten laten. De eenhoornhoorns waren toen al voor de zekerheid via Keulen naar Luik gebracht. Na veel brieven en aandringen kwamen ze in 1612 weer naar Utrecht. Ondanks de belofte om ze niet te verkopen, werden ze in 1613 in Amsterdam te koop aangeboden.

De Mariakerk raakte in de 16e eeuw in verval. Tijdens het beleg van kasteel Vredenburg in 1576 werd het dak en de noordelijke toren kapotgeschoten. Vanaf 1642 werd de kerk gebruikt als marktplaats. In 1672 werd het door de Fransen als opslagplaats voor hooi gebruikt en in 1674 beschadigde de storm de westgevel. Voordat Napoleon de kerk vanaf 1813 liet afbreken, verdwenen de hoorns. Pas tientallen jaren later vond de Utrechtse archivaris S. Dalm, samen met Fr. en O.F.M. van Heel, de eenhoorns opnieuw. De hoorns waren tussen 1976 en 2012 nog te zien in het Catharijneconvent.

De Eenhoorn in de Middeleeuwen: Realiteit en Symboliek

De eenhoorn was voor de middeleeuwer een realiteit. De Bijbel verwees immers meerdere malen naar het dier. Kerken en vorsten hadden eenhoornhoorns in hun schatkamers. De grootste bedreiging voor het geloof in de eenhoorn kwam met de ontdekking van de narwal, een tandwalvis. De mannelijke narwal, ook wel ‘eenhoorn van de zee’ genoemd, heeft een slagtand die wel drie meter lang kan worden.

Wat het bestaan van de eenhoorn naar middeleeuwse overtuiging boven alle twijfel verhief, was het feit dat het dier in de Bijbel werd genoemd. Op een achttal plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel komt het woord re’em voor. In de meeste gevallen betreft het een metafoor met behulp waarvan de macht Gods wordt omschreven: de macht van Jahweh wordt vergeleken met die van een re’em. Volgens de huidige stand van kennis van het Bijbelse Hebreeuws moet re’em iets betekenen als «wilde stier», wellicht een oeros. In de derde eeuw voor Christus leefde in Alexandrië een joodse gemeenschap die de Hebreeuwse Bijbel naar het Grieks vertaalde (de Septuagint). Men meende lange tijd dat de weergave van re’em als «eenhoorn» een vertaalfout was. Recent is echter aannemelijk gemaakt dat het een interpretatie was, een aanpassing aan een gewijzigde culturele situatie. Voor de gehelleniseerde stadsbewoners was de metafoor van de wilde stier niet langer to the point. Vandaar dat de vertalers de voorkeur gaven aan een actuelere metafoor: de eenhoorn als symbool van de Messias, mogelijk onder invloed van oosterse culturen waar een eenhoornig wezen als belichaming van macht, seksuele potentie en vruchtbaarheid werd vereerd.

De Latijnse Bijbelvertaling, de Biblia Vulgata, en oudere protestantse vertalingen zoals de Luther Bijbel en de Nederlandse Statenvertaling, stemmen overeen met de Septuagint en geven op de re’em-plaatsen het woord «eenhoorn» weer. Dit feit van niet te overschatten betekenis heeft eeuwenlang het geloof in de eenhoorn in stand gehouden, aangezien wat in de Bijbel stond als waar werd beschouwd.

Illustratie van een eenhoorn uit de Middeleeuwen, mogelijk uit een bestiarium.

De Rol van de Physiologus en de Opkomst van Twijfel

De Septuagint was niet het enige geschrift uit de Oudheid dat het bestaan van de eenhoorn garandeerde. De beschrijving van de eenhoorn door de Romein Plinius (23-79 na Chr.) gold tot ver na de Middeleeuwen als gezaghebbend. Het belangrijkste bewijsstuk is echter een oorspronkelijk Grieks geschrift uit de tweede eeuw, bekend als de Physiologus (De Natuurkenner). Dit werk beschrijft de eenhoorn als een klein, geitachtig dier, zo agressief dat geen jager het kan vangen, tenzij er een maagd wordt ingezet. De eenhoorn springt in haar schoot en onderwerpt zich aan haar macht. Dit werd uitgelegd als een verbeelding van de komst van de Heiland, de «hoorn der zaligheid».

Het verhaal van het vangen van de eenhoorn met behulp van een maagd, met de religieuze uitleg, bleef tot het einde van de Middeleeuwen een vast onderdeel van de zoölogische kennis. Het werd opgenomen in bestiaria en encyclopedische werken, en talloze malen afgebeeld. De geloofwaardigheid van het verhaal werd versterkt door de religieuze uitleg: een natuurfenomeen bleek in een wonderbaarlijke samenhang te staan met de geboorte van Christus uit de maagd Maria.

Pas rond het midden van de zestiende eeuw begon er twijfel te ontstaan. De Zwitserse zoöloog Conrad Gesner, wiens Historia animalium in de jaren 1551-1558 verscheen, behandelde de eenhoorn nog wel onder de viervoeters, maar merkte op dat het dier nooit in het wild was waargenomen. Bij de illustratie tekende hij aan: «Zo wordt het dier thans door schilders afgebeeld, maar over de gedaante van het dier acht ik niets zeker.» Hij twijfelde echter niet aan de medische effectiviteit van eenhoornpoeder, vooral als de hoorns afkomstig waren van «de recent ontdekte eilanden», waarmee hij Amerika bedoelde.

Houtsnede van een eenhoorn uit Conrad Gesner's Historia animalium (1551).

De Ontrafeling van het Mysterie: Narwal en Wetenschappelijke Experimenten

In de zestiende eeuw probeerden medici de geheimen van de natuur te ontrafelen. Twee Venetiaanse artsen, Andrea Marini en Andrea Bacci, bestreden elkaar met traktaten over de waarde van eenhoornpoeder als geneesmiddel. Ook hun Antwerpse confrater Jan van Gorp (Johannes Goropius Becanus) hield zich met het vraagstuk bezig. Hij stelde de prangende vraag hoe een dier met een lange, rechte hoorn op het voorhoofd zou kunnen grazen. Hij meende dat het veel aannemelijker was dat het om de hoorn van een zeedier ging, mogelijk aangevoerd uit IJsland.

Ambroise Paré, lijfarts van de Franse koning, vergeleek in 1585 de uitspraken over de eenhoorn van vele autoriteiten en trof zoveel onverzoenbare tegenspraken aan dat hij concludeerde: de eenhoorn bestaat niet. Met tegenzin moest hij echter toegeven dat de eenhoorn in de Bijbel werd genoemd. Hij revancheerde zich door op te merken dat de Schrift nergens melding maakte van de gifverdrijvende kracht van de hoorn. Door een wetenschappelijk experiment met giftige dieren en eenhoornpoeder stelde hij vast dat dit poeder geen gif verdreef. Deze conclusie was voor de Parijse medische faculteit onacceptabel, aangezien eenhoornpoeder een lucratief en schijnbaar onmisbaar geneesmiddel was.

Intussen waren ontdekkingsreizigers op zoek naar een zeeroute naar Cathay (China). Dit bracht hen in het leefgebied van de narwal, een walvisachtig zoogdier met een tot tweeënhalve meter lange stoottand. In 1577 constateerde de Engelse ontdekkingsreiziger Martin Frobisher dat de hoorn van een dode narwal hol was. Door er spinnen in te stoppen en te zien dat ze stierven, concludeerden ze dat het om een «zee-eenhoorn» ging.

De ontdekking van de narwal had de nekslag kunnen toebrengen aan het geloof in de viervoetige eenhoorn, maar dit gebeurde niet. Door de narwal als zee-eenhoorn te classificeren, werd het bestaan van een landbewonende tegenhanger eerder bevestigd dan ontkend. Het was de Deense geleerde Ole Worm (1588-1654) die deze kwestie op een wetenschappelijk plan bracht. Hij betoogde dat de zogenaamde «hoorn» van de narwal in werkelijkheid een tand was en toonde aan dat het «eenhoornpoeder» als antidotum totaal niet werkte.

Schematische weergave van de narwal en zijn slagtand.

De Eenhoorn in de Hervormde Kerk en Heraldiek

De eenhoorn komt in het noorden overal tegen: in heraldiek (wapenkunde), in kerken (o.a. op gewelfschilderingen), op zegels, op zerken, op gevelstenen, etc. De Hervormde Kerk is een eenvoudig eenschepig gebouwtje uit 1642, dat in 1914 bij een restauratie uitwendig aan de westzijde en inwendig sterk vernieuwd is. In 1395 wordt in Avenhorn, dat destijds Luttekedrecht heette, in de Domrekeningen een aan S. Mauritius gewijde kerk vermeld. Het thans bestaande gebouw is volgens een gevelsteen in 1642 gesticht.

De Hervormde Kerk (omstreeks 1870) bezit twee koperen lezenaars, waarvan de ene tussen krachtig gemodelleerd rankenornament de letters R.K.V. en het wapen van Hoorn draagt, benevens het jaartal 1698. De klok, met een diameter van 105 cm, heeft het opschrift: "temporis extremitum memor esto tui. f. et p. hemony me fec. amstelodamum ao. 1664". Op de mantel staan wapens o.a. van Amsterdam.

In Dokkum is in 1958 aan de Boterstraat een oud bierbrouwerhuis afgebroken, met in de gevel een zeer interessante «adres in steen». Op deze gevelsteen wordt een springend paard met één hoorn midden op het voorhoofd voorgesteld. Bij nadere beschouwing blijkt het dier echter eigenschappen te hebben van een eenhoorn: een gedraaide hoorn, een sik, gespleten hoeven en een pluimstaart. Hoewel Dr. W. H. Nieuwhuis in de "Christelijke Encyclopaedie" meent dat de eenhoorn wel degelijk bestaan heeft, mogelijk als een uitgestorven neushoornsoort (de nieuwe Bijbelvertaling vermeldt "woudos" in plaats van "eenhoorn"), speelt de eenhoorn in de symboliek en heraldiek een grote rol.

Zo is op het Engelse koningswapen met twee schilddragers, de ene drager een eenhoorn van zilver met een kroon op en een ketting om de hals, en de andere een gouden leeuw. In het wapen op de herenbank van Hornhuizen zien we twee naar elkaar toewendende eenhoorns met daartussen een kroon. De eenhoorn is ook symbool van de kuisheid en de maagdelijkheid en geldt in de middeleeuwen dat hij bovendien macht heeft om vergiftigde bronnen te zuiveren door zijn hoorn in het water te steken. Ook is in vroeger tijden de hoorn in gemalen toestand een algemeen geneesmiddel. Vandaar dat dit fabeldier gebruikt wordt als uithangteken van apothekers en drogisten.

De vlag van de voormalige gemeente Menaldumadeel (Fr.) toont een eenhoorn die naar achteren kijkt, evenals op het wapen van deze gemeente. Aan de Walingsdijk tussen Ursem en Avenhorn staat een banpaal waarop een eenhoorn is afgebeeld dragende het wapen van de stad Hoorn.

Gevelsteen van een eenhoorn te Dokkum aan de Boterstraat.

De Eenhoorn in Nederlandse Kerken en Gebouwen

In de Martinikerk van Groningen komt op maar liefst 14 zerken een afbeelding van een eenhoorn voor, meestal in een wapen. Zo zien we op de zerk van dominee E. Botterman en Menna Crans een wapen met een staand vat, vergezeld van de letters E.B. en een eenhoorn.

De Italiaan Luigi Barthema beschreef in de 15e eeuw twee eenhoorns die hij in Mekka zag lopen. Zijn beschrijving, die later werd gepubliceerd en een Europese bestseller werd, bevat een detail dat mogelijk tot een verklaring leidt: bij sommige Afrikaanse herdersvolken is het gebruik aangetroffen de schedel van een pasgeboren dier zo te bewerken dat de hoorns tot één enkele hoorn samengroeien. Contemporaine lezers van Barthema's bericht gingen er echter van uit dat de eenhoorn een realiteit was.

De geschiedenis van het fabeldier laat zien hoe hardnekkig mensen vasthouden aan een denkbeeld dat door het gezag wordt ondersteund, maar waarvoor in de realiteit geen basis is. De Bijbel heeft de onttovering van de eenhoorn eeuwenlang tegengehouden.

Afbeelding van een eenhoorn op een grafzerk te Meeden.

tags: #eenhoorns #hervormde #kerk #warten