Geestelijke gezangen van Jakob

Psalm 146 roept ons op om God te loven, beginnend en eindigend met een krachtige oproep tot lofprijzing: "Halleluja." De psalmist spoort zichzelf aan: "Mijn ziel, loof de Heere," wat suggereert dat zingen voor God een fundamenteel onderdeel van het leven is. Het Hebreeuwse woord voor psalmen zingen, 'zamar', betekent letterlijk 'muziek maken' en deelt een grondvorm met het woord voor 'druiven plukken'. Deze associatie met het snoeien van druiven, waarbij ongewenste vruchten worden verwijderd, kan worden gezien als een metafoor voor het zuiveren van de ziel om God te loven. De dichter stelt zich voor hoe hij zijn citer tokkelt en zingt tot eer van God, wat duidt op een lied dat het hele leven doordringt.

Het is geen toeval dat Psalm 146 in verschillende kerkliederen weerklinkt. Gezang 20 en 21 in het Liedboek zijn hiervan voorbeelden, waarbij gezang 21 bedoeld is als een lofzang op God na de preek. Psalm 146 is een krachtige lofzang op Gods trouw, en wordt daarom vaak aan het begin van kerkdiensten gezongen met de woorden uit vers 6: "Onze hulp is van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is, en die de trouw bewaart." Dit rechtvaardigt de dubbele oproep tot Halleluja.

Illustratie van een harp of citer, symbool van muziekmaken en zingen.

Een gebroken Halleluja

Echter, de lofprijzing wordt gekenmerkt door een "gebroken Halleluja," een lofzang met een brok in de keel. Dit wordt duidelijk uit vers 2: "Ik zal voor mijn God psalmen zingen, zolang ik er nog ben." Deze woorden kunnen afkomstig zijn van iemand die ernstig ziek is, die zich bewust is van de vergankelijkheid van het leven en de mogelijke afname van fysieke kracht. Hoewel de precieze situatie van de dichter onbekend is, is het duidelijk dat hij geconfronteerd werd met de gebrokenheid en kwetsbaarheid van het bestaan.

De oproep tot lofprijzing vindt zijn oorsprong in moeilijke omstandigheden, zoals beschreven in de verzen 3 en 4. Deze verzen verwijzen naar ingrijpende levenservaringen, met name de dood. Vers 4 beschrijft de terugkeer van een mens, een "ben-Adam," naar de aarde. Hoewel de mens uit stof is geschapen en Gods levensadem heeft ontvangen, keert zijn lichaam bij overlijden terug naar de aarde, terwijl zijn geest terugkeert tot God. De pijn en het verdriet bij het verlies van een geliefde, het wegvallen van gedeelde plannen en dromen, en het alleen komen te staan, worden hier treffend verwoord. Het overlijden van een persoon betekent ook het sterven van iets in onszelf, een scheuring die pijn doet.

Illustratie van een grafsteen met symbolische rouwfiguren.

Deze ervaringen van lijden en sterven geven de psalm een diepe lading en onthullen een existentiële worsteling. Het verklaart waarom de dichter zichzelf aanspoort om de Heere te loven, een noodzakelijke daad wanneer men zich op God moet richten, wat verre van gemakkelijk is.

Vertrouw niet op mensen

Een tweede ervaring die het leven van de dichter heeft getekend, is de verleiding om alles van mensen te verwachten. Vers 3 waarschuwt: "Stel je vertrouwen niet op edelen, op mensen met aanzien of macht." Dit verwijst naar de neiging om hulp te zoeken bij machtige personen, die schijnbaar meer kunnen doen. De Griekse vertaling van de psalm verbindt deze psalm met de terugkeer uit ballingschap, een periode van hoop en wederopbouw. Mensen kijken dan op naar leiders, in de hoop dat zij de plannen zullen laten slagen en alles beter zullen maken. Dit patroon herhaalt zich steeds weer, met nieuwe leiders die beloven alles anders te maken.

Hoewel het belangrijk is dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen, oplossingen zoeken en goede keuzes maken, blijven we stervelingen. Zelfs de meest begaafde mensen kunnen ons teleurstellen. De psalm benadrukt: "bij hen is geen heil." Zij zijn niet onze Heiland en kunnen geen vrede geven of antwoorden op diepe levensvragen. Daarom is het advies: "Stel je vertrouwen niet op mensen, maar op God!" Mensen kunnen ons laten vallen, maar de Heere blijft.

Illustratie van een standbeeld van een machtige leider, omringd door kleinere, afhankelijke figuren.

De ontdekking van de Helper in nood

De grote ontdekking van de dichter, die aanleiding geeft tot deze psalm, wordt beschreven in vers 5: "Welzalig. Voluit gelukkig. Gezegend ben je als je de God van Jakob tot je hulp hebt, als je je verwachting stelt op de Heere, je God." De zegening vloeit voort uit wie God is. Het Hebreeuwse woord voor 'hulp' (Ezer) duidt op een 'helper', een Persoon die erbij blijft in tijden van lijden en sterven, en die optreedt als Helper in nood. Dit is de God die voor eeuwig trouw bewaart.

Als de God van de Bijbel een visitekaartje zou hebben, zou daarop staan: "Helper in nood!" Zijn hart gaat uit naar de weduwe, de wees en de vreemdeling. De psalm somt in de verzen 7 tot 9 precies op waar Gods zorg naar uitgaat: Hij bekommert zich om hen die in ellende verkeren, waar geen helper is, waar recht gezocht moet worden, waar mensen gebonden en gevangen zijn, verblind door verdriet of gebogen door zorgen. En Hij blijft trouw in al deze situaties. Op Hem kan men aan; een beroep op Hem zal nooit tevergeefs zijn.

Deze zorg van God weerspiegelt zich in de persoon van Jezus Christus. Jezus wijst Johannes de Doper op de tekenen die Hij verricht, zoals het genezen van blinden en kreupelen, echoënd de woorden uit de synagoge van Nazareth. Jezus is de herder die de ene verloren schaap zoekt. De dichter wil ons meegeven dat de Heere een Helper is in nood. Hij is onze helper die onze voet behoedt voor wankelen. Als Schepper is Hij machtig.

Illustratie van een hand die een kleinere, kwetsbare hand ondersteunt.

Naastenliefde en de bron

Hoewel de laatste verzen van de psalm benadrukken wat God doet - recht verschaffen, brood geven aan hongerigen, wezen en weduwen staande houden - is het ook belangrijk dat wij als mensen naar elkaar omzien, vooral binnen de gemeente. In situaties van zorg en verdriet is het cruciaal om elkaar niet los te laten. Echter, het gevaar bestaat dat alle aandacht uitgaat naar wat wij mensen doen, wat kan leiden tot moralisme of activisme. De daden van naastenliefde die nodig zijn, beginnen bij God. Hij is de bron.

Alleen wie leeft van Gods ontferming, kan ook ontferming tonen aan anderen. Alleen wie genade kent, kan genadig zijn. Alleen wie zelf door God is opgericht, weet wat een ander nodig heeft. Daarom ligt de focus in dit lied op de Heere, die nooit teleurstelt en raad weet met onze vragen en verdriet. De ontferming van God is wat de dichter tot dit loflied heeft aangezet, een gebroken Halleluja.

De God van Jakob

Een ander punt van verwondering is hoe God in vers 5 wordt genoemd: "de God van Jakob." Jakob, een aartsvader, worstelde heel zijn leven met God, vanaf zijn strijd in de baarmoeder tot aan de naam die hij kreeg: Israël, "strijder met God." Ondanks zijn zonden en gebreken, schaamt God zich er niet voor om de God van Jakob te heten. Deze God wil ook onze God zijn, omdat de Here Jezus gekomen is om verloren zonen en dochters te zoeken en te behouden, mensen zoals wij, die iets van Jakob in ons hebben.

Door geloof in Jezus Christus omhelzen we Hem als onze Heiland. Zonder Hem loopt het niet goed af. De weg van de goddelozen vergaat, en men bereikt zijn bestemming niet. Deze psalm spreekt van Gods hart. Welgelukzalig is de mens die de God van Jakob tot zijn Helper heeft. Hij is trouw en laat niet los wat Zijn hand begon.

Illustratie van een ladder die de hemel raakt, met engelen die omhoog en omlaag gaan.

De psalm benadrukt dat de God van Jakob, de God die de mens Jakob, ondanks zijn gebreken, liefhad en bijstond, ook onze God wil zijn. Dit is een boodschap van hoop en aanmoediging, vooral voor hen die worstelen met hun eigen tekortkomingen en de uitdagingen van het leven.

tags: #geestelijke #gezangen #jakob