De Evangelische Broedergemeente in Suriname (EBGS)

De Evangelische Broedergemeente in Suriname (EBGS), ook wel bekend onder de namen Unitas Fratrum, Herrnhutters, Arnitrikerki, en Moravische Kerk, is een prominent protestants kerkgenootschap binnen Suriname.

Geschiedenis en Oorsprong

De oorsprong van de Evangelische Broedergemeente (EBG) ligt in 1457, toen deze werd gevormd door volgelingen van Jan Hus uit Bohemen en Moravië, gebieden die nu deel uitmaken van Tsjechië en Slowakije. Jan Hus was een invloedrijke kerkhervormer en een voorloper van de Reformatie. De EBG kende aanvankelijk een bloeiperiode, ondanks de vervolgingen die de gelovigen te verduren kregen. Na een spirituele opleving in 1727 werden zendelingen van de EBG wereldwijd uitgezonden.

Historische illustratie van Theophilus Schumann in gesprek met een Arowak, 18e eeuw.

Zending naar Suriname

In 1732 bereikten de eerste zendelingen van de EBG de Caraïben. De eerste verkenners kwamen in 1735 aan in Suriname, gevolgd door de eerste medewerkers in 1739. Gedurende deze periode werden ongeveer 850 EBG-leden naar Suriname gezonden, aanvankelijk rechtstreeks vanuit Herrnhut en later vanuit Zeist in Nederland. Helaas overleden meer dan tweehonderd van deze zendelingen in Suriname, waarvan ongeveer honderd binnen de eerste vijf jaar na aankomst.

Pionierswerk en Vertaalwerk

De eerste zendelingen richtten zich op de inheemse bevolking in de benedenlanden, waaronder de Arowakken, Karaïben en Warau, langs de rivieren Saramacca, Corantijn en Berbice. Een sleutelfiguur in deze periode was Ludwig Christoph Dehne (1713-1769), die zich de laatste dertig jaar van zijn leven aan dit werk wijdde. Theophilus Salomo Schumann (1719-1760) was van 1748 tot 1760 actief in Nederlands Guyana en verrichtte belangrijk vertaalwerk. Hij stelde een woordenboek en grammaticawerk op in het Duits-Arowaks, en vertaalde kerkliederen en delen van de liturgie. J.J. Fischer richtte een school op voor twintig jongens en tien meisjes en droeg bij aan ontwikkelingswerk. In 1760 telde de gemeenschap honderden kerkleden, maar de christelijke dorpen werden verlaten of verwoest, wat leidde tot het stopzetten van het zendingswerk door de EBGS in 1808.

Omslag van een publicatie over de geschiedenis van de Evangelische Broedergemeente in Suriname.

Werk onder Marronstammen

Na de vredesverdragen van 1760 en 1762 tussen de koloniale overheid en twee belangrijke marronstammen, breidden de Broeders hun werk uit naar de Saramaccaners aan de Sentheakreek bij de Gran Rio. Hierbij kregen zij steun van Jaja Dandé, de zus van granman Abini, die uiteindelijk de eerste gedoopte van deze groep werd. De Zwitserse broeder Rudolph Stoll was van 1765 tot 1777 actief in dit gebied. Hij vertaalde het Bijbelboek Genesis naar het Saramaccaans en startte een school met vier leerlingen. Onder invloed van marronprofeet Johannes King (circa 1830-1898) vonden vanaf 1861 bekeringen plaats bij de Matawai. Johannes King bracht het evangelie naar alle marronstammen en schreef belangrijke dagboeken in het Sranantongo. In 1834 waren alle Matawai bekeerd tot het christendom.

Maria Hartmann (1798-1853) verrichtte vanaf 1826 zendingswerk bij de Aukaners aan de Sarakreek. In Koffiekamp werd in 1851 de eerste gemeente gesticht. Bij de Kwinti werd de eerste gemeente in 1893 opgericht. In 1896 werd granman Apensa van de Paramaccaners gedoopt, waarna in zijn hoofdzetel Langatabbetje een gemeente werd opgericht. Bij de Aluku werd een gemeente gesticht in Cottica aan de Lawarivier.

Ontwikkelingen in Stad en Land

Vanaf 1880 kregen de Europese zendelingen ondersteuning van creoolse predikanten, evangelisten en onderwijzers. In 1974 telde het Surinaamse binnenland 30 gemeenten met in totaal 7500 kerkleden.

Vestiging in Paramaribo

De EBGS ondervond in de stad Paramaribo tegenwerking van zowel de overheid als andere kerken, waardoor de vestiging enkele malen mislukte. Uiteindelijk werd het pand aan de Steenbakkerijstraat geopend als eerste post in de stad. Dit vormde aanvankelijk een financiële basis voor het binnenlandse zendingswerk. Er was een bakkerij en kleermakerij, en er werd zendingswerk verricht onder slaafgemaakten in de stad. In 1776 werd de eerste slaafgemaakte gedoopt, en een jaar later de eerste gemeente gesticht.

De bekendste EBG-zendeling in Suriname was de Duitse kleermaker Christoph Kersten, de naamgever van de in 1768 opgerichte firma C. Kersten & Co. Er werd veel vertaalwerk verricht naar het Sranantongo. In 1793 werd de eerste poging ondernomen om onderwijs te geven aan kinderen van slaafgemaakten. In 1810 waren er vijfhonderd gedoopte kerkleden. Zendingswerk op de plantages in de districten was echter nog steeds niet toegestaan.

Foto van een historische kerk in Paramaribo.

Van 1835 tot 1860 groeide het aantal bekeringen in de districten snel, en kwam ook de scholing van slaafgemaakte kinderen op gang. In 1863 waren er 700 leerlingen in de stad en 1300 in de districten. Het aantal van 2400 gemeenteleden in 1835 steeg naar 19.000 in 1863, het jaar van de afschaffing van de slavernij. In dat jaar waren er 8500 belangstellenden en kandidaten voor de doop.

Toetreding van Diverse Bevolkingsgroepen

Sinds de aankomst van Chinese Surinamers traden zij individueel toe tot de EBGS. In 1948 werd Lazarus Fu A Hing de eerste Chinese helper in Paramaribo en werd een eigen gemeente gesticht met een voorlezer en voorganger in de Tshoeng Tsien Kerk.

Van de Hindoestaanse christenen sloten zich enkelen aan bij de EBGS, aanvankelijk in Coronie en Saramacca, met tussen 1901 en 1920 J.Th. Wenzel als zendingspredikant. Later volgden ook gemeenten in Nickerie, Paramaribo (Soesamatjaarkerk, Kinderhuis Sukh Dhaam, Djagat kie Djoti-kerk en Soendar Singh-Internaat) en andere delen van Suriname.

Onder de Javaanse Surinamers waren er individuele toetredingen tot de EBGS. Predikant Herman Moritz Bielke stichtte in 1918 een kinderhuis op Leliëndaal in Commewijne. Zijn leerling en opvolger was Niti Pawiro. Later werd in Combé in Paramaribo een centrum gevormd en werd het Siswa Tama-Internaat opgericht, waaruit later een sociaal centrum en het Tehuis voor Werkende Meisjes voortkwam. In 1974 kende de gemeente 1300 leden, drie predikanten, acht evangelisten en veertien kind- en jeugdwerkers.

Zelfstandigwording en Sociaal Werk

Vanaf 1828 ontving de kerk aanzienlijke financiering van de Haagse Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstonderwijs onder de Slavenbevolking (HMGS), aangevuld met subsidie van het gouvernement. Het onderwijs stimuleerde de behoefte aan drukwerk in het Sranantongo. De Creolenkerk, zoals de EBGS ook wel werd genoemd, werkte systematisch aan haar zelfstandigwording. Dit omvatte de oprichting van een eigen opleiding voor voorgangers, een school voor evangelisten en hulpzendelingen, een theologische school, voortgezet onderwijs, normaalscholen (onderwijzersopleiding) en alfabetiseringscursussen voor volwassenen (300 cursisten in de Grote Stadskerk in 1873).

In 1885 werd de Gemeenteraad ingesteld, in 1911 de eerste algemene kerkconferentie, en in 1928 werd het eerste kerklid afgevaardigd in het provinciaal (Surinaams) bestuur. Een kerkconferentie werd georganiseerd, en in 1956 werd volledig zelfbestuur bereikt.

Op sociaal gebied werd medio 19e eeuw de Vereniging van Negerzusters voor armenzorg opgericht. In de 20e eeuw werd het sociale werk verder ontwikkeld met de oprichting van het Kinderhuis Saron in 1909, het Onderwijsinternaat in 1911 en de Stadszending in 1914.

Standpunt ten aanzien van Slavernij

Tijdens de periode van slavernij in Suriname spraken de Evangelische Broeders zich niet direct uit tegen slavernij. Zij stelden echter wel de principiële eis van godsdienstvrijheid voor slaafgemaakten. Vanuit dit principe stelde de EBGS in 1850 het Verbontoe in als alternatieve trouwbelofte, aangezien het huwelijk voor slaafgemaakten verboden was. Evenzo verzette de kerk zich tegen de individuele verkoop van slaafgemaakten wanneer dit het gezinsverband doorbrak. Broeders pleitten voor een menselijkere behandeling en bereidden slaafgemaakten voor op de afschaffing van de slavernij (emancipatie).

Begin 21e eeuw worstelt de EBG nog met het Nederlandse slavernijverleden, omdat de kerk destijds niet actief tegen de slavernij is opgetreden en zelfs slaafgemaakten in bezit had. De EBGS bezat in 1846 nog 42 slaafgemaakten.

Regio Paramaribo Centrum

Pastorale Coördinator: Br. F. Breeveld.
Spreekuur: maandag en donderdag van 9:00 tot 11:00 uur.

Contact Persoon: Br. E. S. Ferdinand
Spreekuur: dinsdag en vrijdag van 10:00 tot 12:00 uur.

Contact Persoon: Br. M. R. Zamuel-Rotgans
Spreekuur: maandag en vrijdag van 9:00 tot 12:00 uur, en woensdag van 16:00 tot 18:00 uur.

Contact Persoon: Zr. F. Lachman

Contact Persoon: Br. R. Khoeblal

Regio Paramaribo Noord

Pastorale Coördinator: Zr. M. Breeveld.
Spreekuur: maandag en donderdag van 9:00 tot 11:00 uur.

Contact Persoon: Br. E. S. Ferdinand
Spreekuur: dinsdag en vrijdag van 10:00 tot 12:00 uur.

Contact Persoon: Br. M. R. Zamuel-Rotgans
Spreekuur: maandag en vrijdag van 9:00 tot 12:00 uur, en woensdag van 16:00 tot 18:00 uur.

Contact Persoon: Zr. F. Lachman

Contact Persoon: Br. R. In dit lidmatenregister EBG Suriname kunt u zoeken naar lidmaten van de Evangelische Broedergemeente (EBG) die in de periode 1779 tot 1828 zijn gedoopt in Suriname.

Suriname Jaar 1400 tot 1800 Geschiedenis - Deel 1 OKT 2025

Deze gegevens zijn afkomstig van een lijst die in 1844 is opgemaakt. Het origineel van deze lijst bevindt zich bij het Nationaal archief (NL) in inventarisnummer 22 van het archief Suriname Oud-Burgerlijke Stand, archiefinventarisnummer 1.05.11.16.

Zoektips voor het Lidmatenregister

  • Probeer diverse naamvarianten. Kwakoe en Quakoe kunnen dezelfde persoon zijn. Zoek eens op ‘koe’.
  • Houd rekening met spelfouten van de missionarissen. ‘Pierre’ kan ook geschreven zijn als ‘Piere’.
  • De overlijdensdatum is alleen opgenomen als de persoon vóór 1844 is overleden.
  • Als iemand niet voorkomt in deze index, dan kan het ook zijn dat diegene niet gedoopt is tussen 1799 en 1828.

Doopregisters van de EBG Suriname zijn bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag kosteloos in te zien. Uit een steekproef en vergelijking met andere historische documenten is gebleken dat deze index niet compleet is. Een voorbeeld: De slaaf Winst is gedoopt op 06 december 1812, door broeder J.G. Büchner in de stadskerk van de EBG in Paramaribo.

Dit werk is gepubliceerd in: Nederland. To the extent possible under law, Nationaal Archief has waived all copyright and related or neighboring rights to these index records.

tags: #gemeente #libanon #ebg #suriname