Ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerk van Berkel en Rodenrijs
De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Berkel en Rodenrijs kent diverse perioden van groei, uitdagingen en belangrijke gebeurtenissen. Aanvankelijk was de kerk financieel nog niet in staat een eigen predikant te beroepen, ondanks toezeggingen van financiële steun. De kerkenraad wachtte met deze stap, mede door het overlijden van een belangrijke steunpilaar van de kerk in 1893.
In april 1894 deed de kerkenraad van Bleiswijk een voorstel om gezamenlijk een predikant te beroepen, maar de kerkenraad van Berkel ging hiermee niet akkoord. De afstand tussen de kerken en de officiële verbondenheid van de predikant aan één van beide gemeenten waren belangrijke redenen voor afwijzing. In deze periode werd ook de bouwcommissie gevormd en ging de aanbesteding voor de pastorie van start.
Financiële overwegingen speelden een grote rol; de kerkenraad berekende dat een hogere kerkcollecte per zondag het beroepen van een predikant mogelijk zou maken. Het eerste beroep werd in december 1894 uitgebracht, maar de beroepen predikanten bedankten voor de eer. Een van hen noemde het ontbreken van een christelijke school als verhindering. Ondanks beloftes van de kerkenraad hierover, hielp dit niet direct.
Uiteindelijk werd in april 1897 kandidaat C. Oranje beroepen en nam deze de roeping aan. Na een vacante periode van zes jaar deed hij op 1 augustus 1897 intrede. Zijn intreepreek, gebaseerd op Kolossenzen 1 vers 28, benadrukte het belang van belijdenis niet alleen op zondag, maar ook in het publieke leven. Hij uitte zijn smart over het achterblijven van velen, terwijl de gemeente terugkeerde naar de eisen van het Woord van God.
Ds. Oranje werd omschreven als een zeer begaafd prediker met een eigen kijk op de Bijbel en zeldzame welsprekendheid. Hij ontving al snel beroepen vanuit diverse plaatsen. Op 2 oktober 1899 nam hij afscheid om een beroep aan te nemen van de kerk van Den Haag. Direct daarna werd een beroep uitgebracht op ds. W. Verhoef.

Uitbreiding en nieuwbouw
Gedurende het predikantschap van ds. Verhoef groeide de gemeente gestaag, wat leidde tot plannen voor de vergroting van het aantal zitplaatsen in de kerk aan de Noordeindseweg door de aanleg van een galerij. Echter, de overwegingen verschoof naar de bouw van een geheel nieuwe kerk. Op 8 juli 1901 werd de eerste stap gezet met de aankoop van oude huizen en grond ten oosten van de kerk.
De bouw van een nieuwe kerk bleek noodzakelijk. Na het vertrek van ds. Verhoef in oktober 1903, nam ds. L.J.C. Kreyt jr. het beroep aan naar Berkel, een gemeente bekend om de vorming die jonge predikanten er ontvingen. Hij deed intrede op 17 januari 1904, waarna de plannen voor de nieuwe kerk concreter werden.
De bekende bouwheer van gereformeerde kerkgebouwen, Tjeerd Kuipers, werd aangesteld voor het ontwerp. Op 22 mei 1905 vond de aanbesteding plaats, waarbij aannemer C. van der Kaaden, die ook de pastorie had gebouwd, de laagste inschrijver was. De bouw vorderde voorspoedig en op 15 juni 1905 legde oudste ouderling J. Verhoeff de eerste steen.
Tijdens de bouw van de kerk werd ook een orgelcommissie ingesteld. Op 8 december 1908 werd besloten een orgel te kopen bij firma A. Standaart te Rotterdam voor fl. 1.950. Het instrument werd op 23 juli 1909 in gebruik genomen. Destijds vereiste het orgel nog handmatige bediening van de blaasbalg door 'orgeltrappers', een taak die in 1927 verdween.

Opvolging en verdere ontwikkelingen
Op 21 oktober 1910 nam ds. Kreyt afscheid om een beroep aan te nemen van de kerk van Huizum bij Leeuwarden. De kerkenraad beriep vervolgens ds. J.C. Rullmann, een historicus die twee jaar in Berkel diende. Hoewel hij de orde en studie in Berkel waardeerde, verlangde hij naar meer worsteling en accepteerde hij een beroep naar Utrecht.
Zijn opvolger werd ds. D. Fleurke, die op 18 september 1913 intrede deed. In 1913 werd elektrische verlichting aangebracht in de kerk en pastorie, gefinancierd door gemeenteleden en de kerkenraad. De hervormde predikant ds. W.H. Krijt had in 1864 een hervormde Jongelingsvereniging opgericht, die later door jongeren uit afgescheiden gezinnen werd voortgezet en zich aansloot bij de Bond van Jongelings Vereenigingen op Gereformeerden Grondslag.
Tijdens het predikantschap van ds. Fleurke werd in 1916 een eigen lokaal voor de Jongelingsvereniging opgericht, gefinancierd door de uitgifte van aandelen. Ds. Fleurke overleed echter onverwacht in februari 1917, slechts ruim drie jaar na zijn intrede.
Ds. J.H. Telkamp nam op 7 oktober 1917 intrede en bleef ongeveer drie jaar verbonden aan de kerk. Na zijn vertrek in juli 1920 moest de kerkenraad maar liefst veertien beroepen uitbrengen voordat een nieuwe predikant werd gevonden, wat vragen opriep over de oorzaak van het grote aantal bedankjes.

Economische crisis en kerkelijke groei
In 1925 bleek het aantal zitplaatsen in de kerk opnieuw ontoereikend. Een in 1905 verhoogde kerkmuur maakte de aanleg van een galerij mogelijk, die in 1926 tachtig extra plaatsen opleverde. In 1933 werden nog twee galerijen toegevoegd. De economische crisis van de jaren ’30 had echter ook invloed op de financiën van de kerk en de predikant.
Ondanks de economische tegenspoed waren er ook positieve ontwikkelingen. Naast de bouw van galerijen werd een houten gebouwtje achter de kerk gerealiseerd voor catechisaties. Het ledental van de kerk in Berkel groeide, evenals het aantal gereformeerden in het nabijgelegen Bergschenhoek.
Verzoeken uit Bergschenhoek om de oprichting van een eigen Gereformeerde Kerk werden in eerste instantie afgewezen, maar na meerdere pogingen ging de kerkenraad in 1936 akkoord met de instituering. Dit vond plaats op 27 december 1936.
Ds. Koelewijn, die aanvankelijk met lust in Berkel en Rodenrijs werkte, begon te kampen met gezondheidsproblemen en de beroering die tot een scheuring in de gemeente zou leiden. In 1938 vroeg hij emeritaat aan, dat per 1 november dat jaar werd verleend. Tegelijkertijd werd besloten een nieuwe predikantswoning naast de kerk te bouwen, wat in de zomer van 1939 plaatsvond.

De Vrijmaking en haar gevolgen
Het beroepingswerk verliep vlot, en in november 1938 werd een beroep uitgebracht op ds. J.A. Vink, die op 5 maart 1939 intrede deed. Hij bleef tot 1 september 1944 aan de kerk verbonden. In april 1940 verscheen het eerste nummer van het ‘Kerkblaadje van de Gereformeerde Kerk van Berkel en Rodenrijs’. De kerkelijke groei zette door, met ruim 1.150 leden in 1941 en nog eens 100 meer het jaar daarop. De kerk werd te klein, wat leidde tot het houden van dubbele diensten, mede met medewerking van Bloemenveiling Berkel.
In september 1944 vond de Vrijmaking plaats binnen de Gereformeerde Kerken, als gevolg van meningsverschillen over de betekenis van de Doop en het Verbond. Dit leidde tot de vorming van een ‘Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt)’ in Berkel op 31 augustus 1944. Aanvankelijk maakten zij nog gebruik van het kerkgebouw aan de Noordeindseweg, maar na een gerechtelijke procedure moest de vrijgemaakte kerk het gebouw en de pastorie verlaten.
De ‘vrijgemaakten’ kwamen vanaf 11 maart 1945 bijeen in een timmerloods en bouwden later een eigen kerkgebouw. In 1946 telde de vrijgemaakte kerk 720 leden en kende sindsdien een aanzienlijke groei. De Vrijmaking had ook invloed op Bergschenhoek.