Geschiedenis van Rotterdam

Ontstaan en Vroege Ontwikkeling

Rotterdam is ontstaan op de rond 1240 aangelegde zeedijk, die nu bekend staat als de Hoogstraat. Deze dijk diende ter afdamming van de Rotte ter hoogte van het huidige station Blaak. In 1340 verleende graaf Willem IV Rotterdam stadsrechten, wat de stad de mogelijkheid gaf om een kanaal te graven van de Schie bij Overschie naar de Maas, de zogenaamde Rotterdamse Schie. Binnen het gebied gevormd door de Schie, Rotte en Maas ontwikkelde zich de 'landstad'. In de tweede helft van de 14e eeuw werd deze stad versterkt met vesten, waaronder de Coolsingel.

Buitendijks ontstond in 1325 de eerste haven, de Oude Haven. In de loop van de 15e eeuw werden zandplaten in de Maas bedijkt, wat leidde tot de vorming van de 'waterstad'.

Bloei en Expansie in de 16e en 17e Eeuw

De 16e eeuw kenmerkte zich door een toenemende bloei van Rotterdam. De stad transformeerde van een vissers- en handelsplaats tot voornamelijk een handelsstad. Ondanks tegenslagen zoals een stadsbrand in 1563 en plundering door Spaanse troepen in 1572, zette de groei door. De vestiging van Antwerpse kooplieden stimuleerde de aanleg van nieuwe havens buitendijks in de Maas. Dit resulteerde in de creatie van de Nieuwe Haven (1577), het Boerengat (1592, destijds Buizengat), de Blaak (1597; later gedempt), het Haringvliet (1598) en na de doortrekking van de Schiedamse Vest, de Leuvehaven (1608), Wijnhaven (1613) en Scheepmakershaven (1613).

De Maaskade ten zuiden van deze havens kreeg in 1615 een beplanting met bomen, bekend als de Boompjes. In 1668 werd het ambacht Kralingen, met het slot Honingen, door Rotterdam verworven (en in 1895 geannexeerd als gemeente). In 1699 werd het Boerengat aan de Kralingsezijde oostwaarts verlengd met het Buizengat.

Historische kaart van Rotterdam met de havenaanleg in de 17e eeuw

Periode van Minder Bloei en Herstel

Na de expansie volgde een periode van mindere bloei voor Rotterdam. De stad had te lijden onder de openstelling van de Schelde in 1795 en het Continentaal Stelsel tussen 1806 en 1813. In 1818 werd aan de Boompjes een Rijksentrepot gesticht.

Gaandeweg verdrong de Rijnvaart met zijn transitohandel de overzeese vrachthandel, waardoor Rotterdam transformeerde van een stapelplaats tot een overslaghaven. Stadsbouwmeester W.N. Rose lanceerde in 1842 zijn ‘Waterproject’, gericht op zowel de uitbreiding van de stad als de aanpak van waterhuishoudkundige problemen in de randen om de stadskern. Desondanks duurde het tot 1854 voordat weteringen konden worden gegraven (Westersingel, Noordsingel, Boezemsingel), gevolgd door de aanleg van een nieuwe riolering (1863-1868) en waterleiding (1869).

Grote Stedelijke Uitbreidingen en Havenontwikkeling

De eerste stadsuitbreiding vond plaats op de opgehoogde gorzen aan de zuidwestzijde van de in 1702 ingedijkte Muizenpolder, met de realisatie van het Eerste Nieuwe Werk (1847) en het Tweede Nieuwe Werk (1852). Hier werden ook de Veerhaven (1854) voor het veer op Katendrecht en de Westerhaven (gedempt in 1902) gegraven. Direct daarnaast werd het Park aangelegd.

Een cruciaal project was het plan van P. Caland uit 1862 om de duinen bij Hoek van Holland door te graven, wat tussen 1866 en 1872 werd uitgevoerd. Deze Nieuwe Waterweg, na aanvankelijke problemen, was in 1885 geschikt voor stoomschepen met aanzienlijke diepgang.

Een plan uit 1863 leidde in 1870 tot de annexatie van Feijenoord, waarmee de ontwikkeling op Zuid werd ingezet. Dit omvatte de aanleg van een spoorbrug over de Nieuwe Maas voor de spoorlijn Rotterdam-Dordrecht (1870-1876). Vanwege de wens geen beweegbare brug te plaatsen, werd de Noorderhaven (later Koningshaven) door de kop van Feijenoord gegraven, wat resulteerde in de vorming van het Noordereiland. Aan de zuidzijde hiervan kwam een draaibrug (later hefbrug), en over de Nieuwe Maas een vaste brug met een aansluitend 'luchtspoor' door de stad.

In 1872 verkreeg L. Pincoffs een concessie voor het graven van de Binnenhaven, de Entrepot- en de Spoorweghaven (1878-1879). In 1879 nam de gemeente de leiding over de havenaanleg, onder leiding van directeur gemeentewerken G.J. de Jongh. Rond het gerechtsgebouw ontstond het Oude Noorden, en het Oude Westen raakte volgebouwd tot aan de 's-Gravendijkwal.

Het uitbreidingsplan voorzag in de aanleg van de Rijnhaven (plan 1880, gereed 1893) en de Eerste- en Tweede Katendrechtse haven (1888 en 1896). Het oude dorp Katendrecht verdween ten gunste van de Maashaven (1895), specifiek aangelegd voor graanoverslag. Aan de oostzijde van Feijenoord werden de Nassau- en Persoonshaven aangelegd (1900-1901).

Schematische weergave van de havenuitbreidingen op Zuid

Havengebied en Stadscentrum: Ontwikkelingen na 1900

Na 1900 ontwikkelde de rechter Maasoever zich tot een havengebied voor stukgoed, met de Parkhaven (1890), de St.-Jobshaven (1906) en de Schiehaven (1909). De overslag van graan en andere massagoederen concentreerde zich op de linkeroever (Zuid), terwijl de oude waterstad het centrum voor de binnenvaart werd, met het Witte Huis (1898) als eerste teken van city-vorming.

Naar aanleiding van een nieuw uitbreidingsplan van G.J. de Jongh (1903) volgde een reorganisatie van de binnenstad. De Goudsesingel en de Coolsingel werden gedempt, en nieuwe singels zoals de Heemraadssingel en Boezemsingel ontstonden.

De forse uitbreidingen aan de westzijde waren gebaseerd op een uitbreidingsplan uit 1914, wat leidde tot de realisatie van wijken als Nieuw Mathenesse en Spangen. Uitbreidingen op de linker Maasoever bleven mogelijk. De Waalhaven, waarvan de aanleg in 1906 begon, kreeg zijn uiteindelijke omvang in 1933. Aan de zuidzijde daarvan ontstond in 1921 het Waalhaven-vliegveld (verwoest in 1940).

Nabij het in 1934 geannexeerde dorp Pernis kwam de eerste Petroleumhaven te liggen. De stedenbouwkundige ontwikkeling op Zuid, gebaseerd op een uitbreidingsplan van W.G. Witteveen (1923), leidde tot woonwijken rond de dorpen Charlois, Carnisse en Tarwewijk, en de aanleg van een centraal plein (het latere Zuidplein).

Mede voor deze wijken werd een tweede oeververbinding noodzakelijk. In 1937 begon de aanleg van de Maastunnel, gevolgd door de Tunneltraverse ('s-Gravendijkwal) in 1940. In het centrum werden de buurten langs de Coolsingel gesaneerd met de bouw van het stadhuis, het postkantoor en de beurs.

Architectonisch plan voor de Maastunnel en Tunneltraverse

Wederopbouw en Moderne Ontwikkelingen

De oude stadskern werd bijna volledig verwoest. Het wederopbouwplan van W.G. Witteveen (1941) vormde de basis voor een nieuw centrum, inclusief de reeds voor de oorlog ingezette doorbraken bij het Hofplein, de oude Diergaarde en de Meent. In 1944 volgde nog een bombardement op het havengebied.

Voor de industrie werd tussen Pernis en Rozenburg het Botlekplan (1947) gerealiseerd. Ten westen daarvan werd het Europoortplan (1957) uitgevoerd, en de Maasvlakte kwam tot stand in 1968.

Belangrijke infrastructurele verbeteringen waren de Van Brienenoordbrug (1965) aan de oostzijde van de stad, de Beneluxtunnel (1967) aan de westzijde, en de aanleg van de metro (vanaf 1968).

Na 1940 verrezen steeds hogere kantoorgebouwen, eerst aan de Blaak en Coolsingel, daarna aan de stadsranden en vanaf 1980 bij het Weena, voornamelijk voor verzekeringsmaatschappijen en multinationals.

Ter vervanging van manifestatiehallen aan de Westzeedijk (1950) werden in 1970 op Zuid de Ahoy-hallen gebouwd. Op basis van het uitbreidingsplan Zuid (1949) werden daar de wijken Pendrecht (1953), Zuidwijk (1959) en Lombardijen (1961) verwezenlijkt. Ten noorden van de Maas werden vanaf circa 1960 de wijken Alexanderpolder, Ommoord, Oosterflank en Zevenkamp aangelegd. Aan de noordzijde ligt ook het vliegveld Zestienhoven (1956; nu Rotterdam Airport).

In de oude wijken is vanaf 1974 gewerkt aan stadsvernieuwing en vervangende nieuwbouw. Het Scheepvaartkwartier (rondom de Veerhaven) is een beschermd stadsgezicht.

Kerkelijke Geschiedenis en Gemeenschappen

De Kerk der Reformatie in Rotterdam had in de 17e en 18e eeuw invloedrijke predikanten zoals F. Ridderus, W. Ã Brakel en A. Hellenbroek. Het Remonstrantisme oefende eveneens aanzienlijke invloed uit.

Er waren ook diverse andere geloofsgemeenschappen en stromingen actief. De Rijnburger Collegianten, verwant aan de Socinianen, streefden naar onderlinge stichting door vrij woord en vonden plaats in de Convooisteeg. De Quakers (het Genootschap der Vrienden) kwamen van 1700-1800 samen in de Wijnstraat, met een nadruk op het innerlijke gezag van God.

Rond 1670 predikte Ds. A. den Herder, een aanhanger van Ds. Jean de Labadie, in Rotterdam en stichtte een Labadistisch conventikel, wat leidde tot conflict met de overheid en zelfs gevangenisstraf. Ds. J. Koelman hield na zijn ambtsontzetting in Sluis een druk bezocht conventikel in Rotterdam, wat leidde tot zijn verbanning.

In de jaren 1680-1740 waren er Rotterdammers die aanhangers waren van J. Verschoor (secte der Hebreeën), Ds. Pontiaan van Hattem, en Ds. Gosuinus Buitendijck. Deze groepen werden algemeen gerekend tot de Antinomianen.

In de Franse tijd hielden gezelschappen de 'leer der vaderen' in ere. De Christelijke Afgescheiden Gemeente, ontstaan in 1838, had als kern conventikels op de Botersloot en Schiedamsedijk. Later waren er samenkomsten van sympathisanten van de Afgescheidenen in de Kipstraat, 't Achterklooster en Goudseweg.

Tussen 1841 en 1844 ontstond een 'gereformeerde kring' onder leiding van Cornelis van den Oever, die op 15 januari 1844 werd geïnstitueerd als GEREFORMEERDE GEMEENTE o/h KRUIS. Deze gemeente nam in 1844 een kerkje aan de Raampoortlaan in gebruik.

In 1857 ontstond een zelfstandige HOCHDEUTSCH REFORMIERTE GEMEINDE. Na het overlijden van predikant Ds. Johann Friedrich Haastert in 1885 werd de gemeente opgeheven.

Na onenigheid in de Gereformeerde Gemeente o/h Kruis aan de Raampoortlaan in 1863/1864, sloot een deel zich weer aan bij het landelijk kerkverband. In 1863 werd een GEREFORMEERDE GEMEENTE o/h KRUIS gevormd, die in 1864 werd geïnstitueerd en zich aansloot bij het landelijk kerkverband.

De Christelijke Afgescheiden gemeente en de beide Kruisgemeenten gingen in 1869 op in de Christelijke Gereformeerde Kerk, die in 1892 fuseerde met de Nederduits Gereformeerde Kerk (dolerend) tot de Gereformeerde Kerk.

De GEREFORMEERDE GEMEENTE o/h KRUIS aan het Weenaplein nam in 1870 een kerk in gebruik. Na de dood van Ds. C. van den Oever in 1877 gingen de gemeenten zelfstandig verder. Onder Ds. Pieneman sloot de gemeente zich aan bij het kerkelijke verband Gereformeerde Gemeenten o/h Kruis en nam in 1901 een nieuwe kerk aan de Boezemsingel in gebruik.

Sinds de vereniging in 1907 van Kruis- en "Ledeboeriaanse" gemeenten tot Gereformeerde Gemeenten, maakt ook deze gemeente hier deel van uit.

Ds. L.G.C. Ledeboer begon in 1841 samenkomsten in Rotterdam te houden. In 1870 ontstond een "Ledeboeriaanse" GEREFORMEERDE GEMEENTE, waar Leendert van der Velde als oefenaar optrad. Na een conflict in 1875 werd de gemeente zelfstandig. In 1886 werd Van der Velde weer toegelaten tot de "Ledeboeriaanse" gemeenten.

Nicolaas Hendrik Beversluis, geboren in 1850, werd in 1901 opvolger van Ds. Van der Velde. Na een conflict over zijn bevestiging, sloot hij en zijn gemeente zich in 1907 aan bij de Gereformeerde Gemeenten. In 1908 vertrok Ds. Beversluis naar Noord-Amerika.

Na het vertrek van Ds. Beversluis werd Adrianus Potuyt, sinds 1902 oefenaar van de vrije Oud-Gereformeerde Gemeente te Delft, voorganger van de GEREFORMEERDE GEMEENTE - Slachthuiskade. In 1915 vertrok Ds. Potuyt naar Utrecht.

Dirk Carel van Stempvoort werd in 1926 predikant van de Nederlandse Gereformeerde Gemeente. Onder zijn leiding werd overgegaan op de psalmberijming van 1773. In 1937 ging Ds. Van Stempvoort met emeritaat.

De GEREFORMEERDE GEMEENTE o/h KRUIS werd sinds 1937 bediend door Jan Willem Stikkers als lerend-ouderling, later als predikant. In 1947 werd hij priester van de Chaldeeuwse Kerk, later omgezet in de Oosters-Orthodoxe Kerk.

Van 1946 tot 1964 werd de Gereformeerde Gemeente o/h Kruis bediend door Ds. Johannes Antonius Smink. In 1964 werd de gemeente geruisloos opgeheven.

Op 9 september 1908 werd een PRESBYTERIAANSE GEMEENTE gevormd, met Ds. Marinus Hymius Arnoldus van der Valk als predikant.

Drs. P.A. Zevenbergen, secretaris van het SGP-hoofdbestuur, werd gedoopt in de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuid aan het Mijnsherenplein. Hij beschrijft de gemeente als een hechte gemeenschap met een schriftuurlijk-bevindelijke prediking.

De kerk aan het Mijnsherenplein, gebouwd in 1928, werd in 2004 verkocht aan Victory Outreach, een charismatische gemeente actief onder verslaafden en gevangenen. De kerk wordt nu gebruikt voor zowel Nederlandse als Engelstalige diensten en trekt veel bezoekers van allochtone afkomst.

Overzicht van diverse kerkgebouwen en gemeenschappen in Rotterdam

De (Herv.) Grote of St.-Laurenskerk

De (Herv.) Grote of St.-Laurenskerk, gelegen aan het Grote Kerkplein 15, is een basilicale kruiskerk met een vijfzijdig gesloten koor, kooromgang en kapellen. De onderste geleding van de huidige toren werd gebouwd tussen 1449-1461, waarna de Slikvaart werd gedempt.

Het laatgotische schip werd gebouwd in 1461-1475, en het transept tussen 1491 en 1513. De toren kreeg in 1547-1555 een verhoging. Na verzakking werd de toren rond 1650 geconsolideerd.

Op 14 mei 1940 brandde de kerk grotendeels uit. De restauratie begon in 1952 en werd in 1968 afgesloten met de plaatsing van bronzen deuren met het thema ‘Oorlog en Vrede’.

Het Hemonyklokkenspel (1660) werd gerestaureerd. De kerk bevat drie beschadigde maar gerestaureerde grafmonumenten voor zeehelden, waaronder dat van Witte de With en Egbert Kortenaer.

Exterieur van de Grote of St.-Laurenskerk

Namen in de Stad: Straatnamen en hun Oorsprong

De straatnamen in Rotterdam weerspiegelen de rijke geschiedenis en de mensen die de stad hebben gevormd. Veel straten zijn vernoemd naar:

  • Historische Figuren: Zoals Desiderius Erasmus (Erasmussingel), admiraal Louis Boisot (Boisotstraat), en burgemeesters van Rotterdam.
  • Schepen: Met namen als het s.s. Indrapoerastraat, Japarastraat, Kedoestraat, Sibajakstraat en Slamatstraat.
  • Polders en Landstreken: Zoals de polder 'De Quack' (De Quackstraat) en de polder Portland (Portlandstraat).
  • Plaatselijke Geschiedenis en Geografie: Zoals Wolphaert Jansz., die in 1410 verlof kreeg Katendrecht te bedijken (Wolphaertsbocht), en de Kromme Zandweg, die al in 1868 zo werd genoemd.
  • Natuur en Landschap: Zoals de naam Vreewijk, die een rustige, vredige omgeving moest suggereren, en Langegeer, verwijzend naar een schuin toelopend land.

tags: #ger #gem #mijnsherenplein