In het Bijbelboek Handelingen, hoofdstuk 13, vers 48, staat een passage die aanleiding geeft tot theologische discussie. Traditioneel wordt deze tekst vertaald als: "En toen de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven." Professor dr. Holwerda stelt echter een alternatieve vertaling voor: "Allen die zich hadden toegelegd op het eeuwige leven aanvaardden het geloof." Deze interpretatie, hoewel stellig gebracht door een deskundige, is opmerkelijk en niet algemeen gangbaar. Om dit Bijbelfragment correct te begrijpen, is het essentieel om de nuances van de oorspronkelijke tekst te doorgronden.
De context: Paulus' preek in Antiochië
Het betreffende Bijbelfragment bevindt zich in het verslag van het verblijf van Paulus en Barnabas in Antiochië, een Romeinse kolonie in de provincie Galatië. Lucas, de schrijver van Handelingen, geeft uitvoerig weer hoe Paulus een preek houdt voor de Joden en de zogenaamde Godvrezenden. Deze Godvrezenden waren heidenen die innerlijke vrede zochten buiten het heidendom en de ene ware God vereerden, zonder echter besneden te zijn of tot het Joodse volk te behoren.
Paulus begint zijn toespraak met de aanspreking: "Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest." De uitgebreide weergave van deze preek dient waarschijnlijk als voorbeeld van hoe Paulus het evangelie bracht aan het Joodse volk. In zijn boodschap benadrukt Paulus dat de Heer het Joodse volk heeft uitverkoren en bevoorrecht, en dat Hij uit het zaad van David de Zaligmaker Jezus heeft verwekt. Hij constateert echter ook dat het Joodse volk Jezus heeft verworpen, wat leidde tot Zijn veroordeling, begrafenis en Gods opwekking uit de dood, alles ter vervulling van de Schriften. De kern van de boodschap, zo vat Paulus aan het einde samen, is dat er door Christus vergeving van zonden is, en dat niemand gerechtvaardigd kan worden door de wet van Mozes.
Reacties op de preek en de opkomst van jaloezie
De preek van Paulus maakt diepe indruk. De toehoorders verzoeken hem om de volgende sabbat opnieuw tot hen te spreken. De daaropvolgende sabbat trekt bijna de gehele stad naar de synagoge, die overvol raakt, waardoor velen buiten onder de openlucht plaatsnemen.
Echter, wanneer de Joden de grote schare zien, worden zij vervuld met nijdigheid - oftewel afgunst en jaloezie. Tot dan toe beschouwden zij zichzelf als het exclusieve uitverkoren volk, met alle weldaden die daarbij hoorden. De prediking van genade die nu ook voor de heidenen bestemd is, stuit hen tegen de borst. Zij willen hun bevoorrechte positie niet opgeven en houden vast aan de overtuiging dat de weg naar Gods ontferming via wet en besnijdenis loopt. Dit leidt tot vijandschap tegen de prediking van het kruis, waarbij zij Paulus fel tegenspreken en lasteren. Hun verzet tegen het kruis van Christus wordt gezien als godslastering en duivelswerk. Uiteindelijk blijven zij vasthouden aan het fundament van eigen verdiensten en eigen gerechtigheid.
De confrontatie en de wending naar de heidenen
Paulus en Barnabas spreken de Joden hierover met veel vrijmoedigheid aan. Ze benadrukken dat het Woord van God eerst tot hen gesproken moest worden, maar dat zij het verworpen hebben en zichzelf daardoor het eeuwige leven niet waardig oordelen, zichzelf berovend van dit eeuwige leven. Vervolgens keren zij zich tot de heidenen.
Verwijzend naar profetische uitspraken, bijvoorbeeld bij Jesaja, horen de heidenen dat de zaligheid ook voor hen is volgens de Schriften. Zij verblijden zich hierover en prijzen het woord. Dit illustreert dat God zondaren tot het eeuwige leven roept. De prediking heeft altijd een uitwerking: men komt tot geloof en gehoorzaamheid, of men gaat er in ongehoorzaamheid aan voorbij, wat op eigen rekening en schuld komt.
De discussie over Handelingen 13:48: "tetagmenoi"
De kern van de theologische discussie ligt in de laatste woorden van vers 48: "En er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven." Het Griekse woord hier is "tetagmenoi", een passieve vorm van het werkwoord "tassoo". Dit werkwoord betekent letterlijk 'plaatsen' of 'stellen', vergelijkbaar met soldaten in het gelid zetten, of iemand een bepaalde post aanwijzen of voor iets benoemen. Het kan dus ook de betekenis hebben van 'vaststellen', 'bepalen', of 'bestemmen'. Dit gebruik is te zien in Romeinen 13:1: "en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd."
De vraag is wie er in Antiochië op de prediking van Paulus tot geloof kwamen. Volgens de traditionele interpretatie waren dit zij die door God bestemd zijn tot het eeuwige leven. Hoewel God door de prediking allen zonder uitzondering tot de zaligheid roept, roept Hij degenen die Hij heeft uitverkoren krachtig en schenkt Hij hun het geloof. De zaligheid rust hierdoor niet op eigen verdienste, maar vindt zijn oorzaak en bron in de verkiezende liefde van God. Voor de mens geldt dat hij door het geloof tot de zaligheid komt. Het is belangrijk om niet te vluchten in Gods verborgen raad, maar door het naakte geloof naar Christus te gaan, waar Gods verkiezend welbehagen de ultieme troostgrond vormt.
De interpretatie van prof. dr. Holwerda
Professor dr. Holwerda's vertaling "Allen die zich hadden toegelegd op het eeuwige leven aanvaardden het geloof" wijkt hiervan af. De motivatie hiervoor is dat sommigen de vertrouwde vertaling niet goed passend vinden in het verband. Zij stellen dat het verhaal anders een onlogische wending krijgt. Aangezien in vers 46 staat dat de Joden het woord verwierpen en zichzelf het eeuwige leven niet waardig achtten, zou men in vers 48 verwachten dat de heidenen het wel aannemen en zichzelf het eeuwige leven wel waardig oordelen.
Dr. D. Holwerda, een taalgeleerde, suggereert dat het werkwoord "tassoo" ook de betekenis kan hebben van 'zichzelf plaatsen' of 'zichzelf stellen' achter iets of iemand. Deze reflexieve betekenis komt voor in het klassieke Grieks, en wordt ook gezien in 1 Korintiërs 16:15, waar staat dat het huis van Stefanas "zich de heiligen ten dienste hebben geschikt". Vandaar de voorgestelde vertaling: "allen die zich hadden toegelegd op het eeuwige leven kwamen tot geloof."
Kritische kanttekeningen bij de interpretatie van Holwerda
Hoewel dr. Holwerda een gerespecteerd filoloog was, overtuigen de taalkundige overwegingen niet volledig. In 1 Korintiërs 16:15 wordt expliciet het woord "zichzelf" gebruikt, wat in Handelingen 13:48 ontbreekt. Het woord "tetagmenoi" is een passief deelwoord in de voltooid tegenwoordige tijd, dat een toestand uitdrukt en het meest natuurlijk gelezen wordt als 'bestemd zijnde'.
Ook de motivatie vanuit het verband overtuigt niet. In tegendeel, de reflectie op vers 46 is duidelijk: de Joden verwierpen het woord en dus het eeuwige leven door eigen schuld. Tegelijkertijd wordt de Goddelijke voorbestemming gesuggereerd. De heidenen daarentegen geloven het Woord, wat bijzonder verrassend is. Dit geloof is niet op eigen rekening te schrijven, maar aan Gods genade en verkiezende liefde toe te schrijven. De suggestie dat de heidenen zich toeleggen op het eeuwige leven en daardoor tot geloof komen, wekt de indruk dat zij zichzelf alvast geparkeerd hebben, wat afbreuk doet aan de genadige oorsprong van het geloof.
Bovendien staat in vers 48 "zovelen als", wat dr. Holwerda's interpretatie, die spreekt van "allen", veralgemeent. Op goede gronden wordt daarom vastgehouden aan de gebruikelijke vertaling: "en er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven."

De bredere theologische implicaties
Commentaren op Handelingen, zoals dat van dr. J. van Eck, benadrukken dat Paulus, in navolging van Romeinen 9-11, de afwijzing van het evangelie door Israël en de ontvangst ervan door de volkeren in het licht van de voorbestemming zag. Lucas voegt deze gedachte bewust in op dit punt.
Johannes Calvijn interpreteerde "tetagmenoi" al als verwijzend naar degenen die door Gods genadige aanneming tot kinderen Gods waren uitverkoren. Hij verwierp de gedachte dat het zou slaan op de genegenheid van de gelovigen, en zag het als een uiting van Gods eeuwig raadsbesluit.
De prediking van het evangelie werkt altijd een uitwerking. Of men nu tot geloof komt of er aan voorbijgaat, het is een gevolg van Gods handelen en menselijke verantwoordelijkheid. Het geloof vindt zijn oorsprong in Gods verkiezende liefde, en niet in menselijke verdienste. De mens wordt opgeroepen om door geloof naar Christus te gaan, waar de ultieme troost en zekerheid gevonden wordt in Gods welbehagen.