God is Getrouw: Oorsprong en Betekenis van een Geestelijk Lied

Inleiding tot "God is Getrouw, Zijn Plannen Falen Niet"

Het lied "God is getrouw, zijn plannen falen niet" is een bekend geestelijk lied met een rijke geschiedenis. De tekst is afkomstig van Hendrik Pierson (1834-1923), een auteur die zich in zijn dagelijks werk inzette voor mensen aan de rand van de samenleving, met name prostituees. Pierson zag zichzelf als een "geredde zondaar" die verlangde naar vrede voor anderen in het "bloed van het Lam". Het lied drukt het pelgrimsleven uit dat Pierson voor ogen had.

De melodie van het lied is van Christian Gregor. In sommige zangbundels is een door Hendrik Hasper bewerkte tekstversie te vinden. Het lied verscheen in 1904 in Pierson's bundel Vluchtheuvelzangen als nummer 2. Vanaf de eerste uitgave in 1905 is het opgenomen in de Zangbundel Joh.

Portret van Hendrik Pierson

De Tekst en Theologie van "God is Getrouw"

De tekst van "God is Getrouw" benadrukt de onwrikbare trouw van God en de zekerheid dat Zijn plannen niet falen. Pierson stelt dat God de Zijnen uitkiest en roept. Hij die het heden kent en de toekomst overziet, zorgt ervoor dat geen van Zijn woorden verloren gaat. Het werk der eeuwen, omspannen door Zijn Geest, wordt door Zijn hand voltooid.

Een tweede lied van Hendrik Pierson, getiteld "De Heer regeert!", betreft een vertaling uit het Duits die hij speciaal voor Nederlandse christenen maakte.

"Heer, Onze Heer": Een Lied van Huub Oosterhuis

Een ander lied, met de titel "Heer", geschreven door Huub Oosterhuis, heeft een plaats gekregen in het Liedboek onder de rubriek ‘Aanvang’. Dit lied wordt beschouwd als zeer geschikt als openingslied in de liturgie. God wordt hierin bezongen als de Aanwezige, die ons "onzegbaar nabij" is en voortdurend "met ons bezig" is (strofe 1).

De strofen 2, 3 en 4 geven verdere kwalificaties van God, waarbij tegenstellingen worden benadrukt: God is niet "ver", niet "hoog en breed van ons vandaan", maar "menselijk in ons midden" (strofe 2). Hij is weliswaar "onzichtbaar", maar zo aanwezig dat wij geloven dat God ons draagt (strofe 3). Hoewel "in alles diep verscholen", wil God juist in mensen wonen (strofe 4). Steeds opnieuw wordt het goddelijke als menselijk ervaren, "zó dat Gij dit lied wel zult verstaan" (strofe 2).

De laatste strofe begint met een herhaling van de aanspreking uit de eerste strofe. Het lied verscheen voor het eerst in het bundeltje 30 Liederen voor een nederlandse liturgie (Hilversum 1964). Al spoedig kreeg het een plaats in de gereformeerde bundel Filippus liederenboek (1969). Het lied werd bijzonder populair door opname in tal van rooms-katholieke bundels, zoals de Randstadbundel (1970), Liturgische gezangen voor de viering van de eucharistie (1967), Bavoliedboek (1979), Gezangen voor Liturgie (1984) en de Petrus en Paulusbundel (1987). Later verscheen het ook in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990), Zingt Jubilate (1977), Verzameld liedboek (2004) en de bundel Tussentijds (2005). Na het Liedboek verscheen het nog in Zangen van Zoeken en Zien (2015). Ook in evangelische kringen kreeg het lied bekendheid, zij het met een andere melodie van Louis van Dijk, in de Youth for Christ liedbundel (1994) en de Evangelische liedbundel (1999).

Illustratie van een kerkdienst met samenzang

Analyse van de Tekst van Huub Oosterhuis

De titel "Heer" roept eerbied en afstand op, maar deze wordt verzacht door het bezittelijke voornaamwoord "onze". De zin "hoe zijt Gij aanwezig" is geen vraag naar de manier waarop, maar eerder een uitroep van verwondering of dankbaarheid voor Gods aanwezigheid: "hoe onzegbaar ons nabij" (regel 2). Het woord "onzegbaar" roept het klankverwante woord "onzichtbaar" op, dat later in het derde couplet voorkomt. Het spreken over het onzegbare benadrukt het mysterie van Gods nabijheid.

Het woord "gestadig" (strofe 1) rijmt op "genadig" (strofe 5). God is niet een God die ons geschapen heeft en vervolgens losgelaten heeft; Hij blijft met ons bezig. We mogen in Hem rusten. Hoewel de tekst geen bijbelvers letterlijk citeert, zijn er echo's te horen van de vleugels en wieken uit Psalm 91:4 of Psalm 57:2.

In het tweede couplet wordt gezongen dat God bereikbaar is voor ons gebed en niet ver weg. Het derde couplet lijkt opnieuw te beginnen, waarbij God eerst "onzegbaar" en nu "onzichtbaar" wordt genoemd. Desondanks weerhoudt deze kwalificatie ons er niet van te geloven dat God "ons draagt" en zelfs "ons dient" (regel 4). Het vierde couplet presenteert een intrigerende tegenstelling tussen "verscholen" zijn en "wonen". Dit zou kunnen duiden op een spanning tussen geheim en openbaar. Na "verscholen" klinkt echter het woord "ontvouwt", wat openbaren betekent. Bij het woord "wonen" moet de volgende regel worden beschouwd als een bijstelling en uitleg: "met hart en ziel aan ons getrouwd". Deze woordcombinatie is opmerkelijk, aangezien "aan iemand getrouwd" zijn doorgaans negatief wordt gebruikt.

Het laatste couplet begint opnieuw met de aanspreking "Heer, onze Heer", gevolgd door de anamnese "hoe zijt Gij aanwezig, waar ook ter wereld mensen zijn" (regel 1-2). Vervolgens volgt een epiclese: "Blijf zo genadig met ons bezig" (regel 3). De regel "tot wij in u volkomen zijn" (regel 4) kan worden beschouwd als een doxologie. De tekst is intiem en functioneert als een meditatie rond de nabijheid van God en de verwantschap tussen God en mens.

De Melodie en Haar Oorsprong

De melodie van het lied van Oosterhuis is bekend als "Slaat op den trommele". Deze melodie verwijst naar een lied uit Een nieu Geusen Lieden Boecxken (1581). De toelichting vermeldt dat de tekst van dit lied geschreven is door Arent Dircxz. Vos (1500-1570), pastoor te De Lier, op de melodie van "Bedructe hertekens". Het Nederlands Volkslied (19e druk, Haarlem 1977) nam slechts enkele strofen op.

Wie de volledige tekst van Vos leest, krijgt meer inzicht in de lotgevallen van de dichter, die een scherpe taal gebruikte. In 1679 meldde de historicus P. Bor dat Vos, samen met drie andere pastoors, in 1570 in Den Haag gevangen werd gezet "ter sake van dat sy beschuldigt waren van ketterie / en dat sy de Roomse Kerke verlaten en de Gereformeerde aengehangen hadden" (volgens Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied, deel 2, 1905).

De melodie die Vos gebruikte, "Bedructe hertekens" (ook bekend als "Bedroefde herteken"), gaat terug op een klaaglied waarin de zanger meldt dat zijn geliefde "haer oochskens op een ander slaet" (Van Duyse, Het oude Nederlandsche lied, deel 1, 1903). Uit dit lied zijn diverse geestelijke contrafacten ontstaan.

Historische afbeelding van een geïllustreerd liedboek

Verbanden en Tradities

De Vlaamse theoloog, kerkmusicus en muziekpedagoog Ignace de Sutter (1911-1988) merkt een duidelijke verwantschap op tussen de tekst van Vos en die van Huub Oosterhuis (in zijn werk Psalmen, hymnen en liederen, 1978). Mogelijk is deze overeenkomst echter toeval. In elk geval plaatst Oosterhuis zijn tekst in een rijke traditie van contrafacten, die aanzienlijk uitgebreider is dan hier beschreven.

In oude liedboeken werd vaak geen melodie opgenomen; de tekst verwees enkel naar een bestaande melodie. Dit was ook het geval bij "Slaet op den trommele" in het geuzenliedboek uit 1581. De oudst bekende melodienotatie is te vinden in de uitgave uit Brugge (1609).

Melodie Structuur en Karakter

Met behulp van de melodieverwijzingen in verschillende uitgaven kan de originele tekst-melodie-combinatie worden gereconstrueerd. De eenvoudige vierregelige melodie kent een heldere structuur: A-B-A-B’. De eerste en derde regel zijn gelijk, terwijl de vierde regel een variant is op de tweede. In de toonsoort e-klein eindigt de tweede regel op de dominant (b’), en de vierde regel op de tonica (e’). De melodie verloopt voornamelijk in secunden en tertsen en heeft het karakter van een gaillarde, een springdans uit de Italiaanse renaissance. De gaillarde volgde doorgaans op een pavane, een langzame, geschreden dans in een binaire maatsoort. De gaillarde kenmerkt zich door een ternaire maatsoort.

Hoewel het meest typerende karakter van de gaillarde, het gepuncteerde ritme, bij "Slaat op den trommele" verloren is gegaan, is de levendigheid van de springdans wel bewaard gebleven. Dit draagt bij aan de uitvoeringspraktijk van het lied.

Slaet op den Trommele (Hit the drum)

Liturgische Bruikbaarheid

Het lied van Oosterhuis, "Heer, onze Heer", staat gerangschikt onder ‘De eerste dag’ in de subrubriek ‘Aanvang’ en is zeker geschikt als openings- of intredelied. De bruikbaarheid is echter breder. Oosterhuis zelf merkte bij de eerste publicatie in 30 liederen aan: "Een hymne. Als danklied te zingen na de eucharistie-viering. Of in welke dienst dan ook ná de voorlezing uit de H. Schrift" (blz. 52). Het lied past ook goed in gebedsdiensten zoals lauden, vespers en completen.

Samenzang en Muzikale Uitvoeringen

Er zijn diverse uitvoeringen en bewerkingen van deze liederen. Zo is er een Intrada over God is Getrouw, een orgelbewerking live opgenomen vanuit de Grote of St. Nicolaaskerk te IJsselstein door Henk Lemckert. Ook wordt samenzang vanuit de Columnakerk te Groningen genoemd.

Uitvoerenden zoals het Vocaal Ensemble Cantare Huizen, onder leiding van Hendrik Pierson, dragen bij aan de verspreiding van het lied "God is getrouw, Zijn plannen falen niet".

tags: #god #is #getrouw #gezang #oorsprong