Het Hersteld Hervormd Seminarie is het instituut dat de theologische opleiding van de Hersteld Hervormde Kerk verzorgt. De opleiding wordt gegeven aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU). Voordeel hiervan is dat algemene vakken gedoceerd worden door de universiteit, terwijl het theologisch onderwijs wordt gegeven door een vijftal predikanten uit het kerkverband.
Doel en visie
Het doel van het seminarium kan niet beter tot uitdrukking worden gebracht dan in het logo. In de Schriften laat Hij ons zien wie wij zijn, waar we vandaan komen, wat de bestemming van de mens is, waar de geschiedenis op uit loopt, wat Zijn heil is en hoe dat gestalte krijgt in Gods koninkrijk. Bovenal heeft de drie-enige God Zichzelf uitgesproken in Zijn Woord en legt Hij Zijn hart daarin voor ons open.
Het is van belang om ons te realiseren dat Zijn Woord geen oude dode letter is, maar dat het de levende stem (viva vox) van God is. Als we Zijn Woord horen, komt God Zelf tot ons om relatie met ons te leggen. Omdat de persoonlijke geloofsrelatie met God via het Woord verloopt, is het verstaan van het Woord van centraal belang. Omdat er in ons hart verzet leeft tegen God en Zijn Woord, kunnen wij niet zonder de Heilige Geest om het Woord voor ons te openen. In de kerk en het seminarium gaat het om hetzelfde Woord en dezelfde grondhouding van overgave aan het Woord. Dit betekent dat het in alle vakken aan het seminarium gaat om het verstaan van de brede verbanden en de diepe grondtonen van het Woord.
Onder het logo staat in het Latijn dat Gods Woord in eeuwigheid blijft. De keuze voor een Latijnse spreuk is een bewuste keuze om tot uitdrukking te brengen dat wij theologie beoefenen in gemeenschap met de kerk van alle tijden. De kerk is niet pas in onze eeuw ontstaan, of in de tijd van de Reformatie, maar we belijden dat de kerk bestaat vanaf het begin van de wereld. Op deze manier geeft de keuze voor een Latijnse uitdrukking ook aan dat Gods Woord het waard is om aandachtig en zorgvuldig bestudeerd te worden. Dit betekent dat ons hoofd en ons hart geen tegenstelling vormen. Vanuit een hartelijke betrokkenheid op de Heere en Zijn dienst mogen jongeren en ouderen het Woord van God na-denken. Wat een geheim: Gods gedachten in Zijn Woord na-denken.
Geschiedenis en personeel

Op 1 september 2005 werd Willem Jan op 't Hof benoemd tot bijzonder hoogleraar, verbonden aan het seminarie, tot zijn emeritaat. Sindsdien werd dr. Wim van Vlastuin bijzonder hoogleraar, tevens rector. De opleiding werd in 2023 gevolgd door circa 50 studenten.
Tot de docenten behoren verder de publicist Dr. Bart Jan Spruyt en Dr. P.C. Hoek, Dr. J. van de Kamp, Dr. B.A. Zuiddam en Dr. C.P. van der Ham.
Recensies van theologische werken
Hermann Spieckermann, *Lebenskunst und Gotteslob in Israel*
Deze bundel brengt artikelen samen van Hermann Spieckermann, die als hoogleraar Oude Testament aan de George-August-universiteit te Göttingen is verbonden, over de wijsheidsliteratuur en de Psalmen en over hun betekenis voor een theologie van het Oude Testament. Spieckermann behandelt ook de buitencanonieke geschriften Jezus Sirach, Wijsheid van Salomo en 4 Makkabeeën. De artikelen in de derde groep bieden meer dan de ondertitel doet vermoeden. Ik denk aan de bijdrage over schepping, gerechtigheid en heil. Daarin komt ook Genesis en vooral Jesaja ter sprake. Enkele bijdragen zijn nooit eerder gepubliceerd.
Een tijd lang is de betekenis van de Psalmen en de wijsheidsliteratuur voor de theologie van het Oude Testament onderbelicht gebleven. In Gerhard von Rads *Theologie des Alten Testaments* valt alle nadruk op de heilsgeschiedenis. Von Rad kwam zelf tot het inzicht dat hij het Oude Testament niet geheel recht had gedaan en schreef aan het einde van zijn loopbaan *Weisheit in Israel*. Von Rad heeft niet meer de gelegenheid gekregen de aanzetten die hij in dit laatste werk gaf, verder te ontvouwen. Spieckermann heeft in zijn academische arbeid niet in de laatste plaats die leemte willen vullen. De wijsheidsliteratuur is onlosmakelijk verbonden met de wetenschap van God als Schepper en Onderhouder. Spieckermann onderstreept dat het geloof in God als Schepper tot het oudste geloofsgoed van Israël behoort.
De Psalmen laten ons onder andere de grote plaats van de cultus zien. Als het gaat om het belang van de cultus, zien we overeenkomsten tussen Israël en de omliggende volkeren. Spieckermann meent dat in de voorexilische tijd de godsdienstige identiteit van Israël in vergaande mate door cultus, rechtsordeningen, Psalmen en wijsheid werd bepaald. Naar zijn overtuiging is de heilsgeschiedenis pas in de tweede helft van de achtste eeuw prominent geworden.
Wat dat laatste punt betreft, kan ik Spieckermann niet bijvallen. Wie uitgaat van het zelfgetuigenis van het Oude Testament moet ook de heilsgeschiedenis tot het oudste geloofsgoed van Israël rekenen. Ongetwijfeld heeft de naderende crisis van de ballingschap en ten slotte de ballingschap zelf diep het geloof van Israël gestempeld. Dwars door deze grote crisis bleek de trouw van God aan Israël. Echter, er zijn geen redenen aan te nemen dat bij het juiste vertrouwen op JHWH, lof en levenskunst onverbonden waren met de wetenschap dat JHWH niet alleen de Schepper is en degene tot wie in de cultus toegang wordt gezocht, maar ook de God die Israël in de geschiedenis voert tot heil.
Spieckermann heeft gelijk als hij stelt dat in het Oude Testament reminiscenties zijn te vinden van de chaosmachten zoals daarover door de omliggende volkeren werd gedacht. Echter, hij geeft niet aan dat in het Oude Testament de chaosmachten nooit een zelfstandige betekenis hebben. JHWH werd bij de schepping niet met chaosmachten die Hij moest overwinnen geconfronteerd. Dat Spieckermann hier anders over denkt, heeft te maken met het feit dat hij een evolutionistische visie op de ontwikkeling van het Godsgeloof in Israël heeft.
Bij de constatering van Spieckermann dat binnen de horizon van een theologie van het Oude Testament over de eerste schepping alleen in samenhang met de nieuwe schepping kan worden gesproken, zou ik een kanttekening willen maken. De eerste hoofdstukken van Genesis maken ons duidelijk dat het kwaad in de wereld en de dood van de mens niet bij Gods goede schepping behoren maar zijn terug te voeren tot de ongehoorzaamheid van het eerste mensenpaar. Het Oude Testament getuigt ervan dat God de mens opzoekt en de door Hem geschapen wereld niet loslaat. In dat verband mag en moet de samenhang tussen God als Schepper en God die heil schenkt, worden belicht.
In het bijzonder de bijdragen over de Psalmen bieden waardevolle inzichten. Ik denk aan de opmerkingen dat uiteindelijk alle Psalmen - dus ook de klaagpsalmen - lofpsalmen zijn. Lof aan God behoort tot de diepste grondhouding van de oudtestamentische gelovigen, ook als zij klagen. De Psalmen laten ons zien dat ook de houding van de godvruchtige ten opzichte van JHWH en de wijze waarop hij tot Hem nadert, tot Gods openbaring behoren. In de Psalmen komt het verlangen naar het ervaren van Gods nabijheid naar voren. In eerste instantie is die nabijheid met het heiligdom verbonden. Ze wordt echter ook ervaren door hen die een gebroken en verslagen hart hebben. Minder dan Spieckermann zie ik hier in het Oude Testament een ontwikkeling, al is duidelijk dat het laatste element vooral in de ballingschap prominent werd. Echter, het verlangen naar het heiligdom bleef. Zo ontstond toch het uitzien naar de herbouw. Voor de lezer die in staat is te schiften, biedt de bundel van Spieckermann belangrijke gezichtspunten.
Thomas R. Schreiner, *Commentary on Hebrews*
Thomas Schreiner is hoogleraar New Testament Interpretation en Biblical Theology aan het Southern Baptist Theological Seminary in Louisville, Kentucky. Wereldwijd behoort hij tot de huidige toonaangevende nieuwtestamentici.
Zijn commentaar op Hebreeën is het eerste deel dat in bovenstaande serie is verschenen. Het is de bedoeling dat 40 delen zullen verschijnen naar aanleiding van de 66 bijbelboeken. Vooral zal de theologie van ieder bijbelboek aandacht krijgen. Telkens zal de vraag worden beantwoord hoe deze theologie een bouwsteen is voor de bijbelse theologie (niet te verwarren met de systematische theologie). Daarbij wordt uiteraard uitgegaan van de terechte principiële opvatting dat er een eenheid in de verscheidenheid van de canon bestaat. Op deze manier wil deze serie een handreiking bieden voor de christelijke verkondiging. Indien dit eerste deel exemplarisch is voor de volgende delen, dan zal in deze serie, in tegenstelling tot veel andere commentaren, minder worden ingegaan op de grote hoeveelheid technische tekstdetails en vakmatige vragen.
Op de eerste pagina van zijn inleiding geeft Schreiner aan geen uitvoerige bespreking van de inleidingsvragen te willen geven. Hebreeën is een preek (‘woord van vermaning’, vergelijk Hebreeën 13:22) in een briefvorm (10) en zou (!) kunnen zijn geadresseerd aan de jodenchristenen in Rome die in ieder geval worden opgeroepen niet terug te vallen in het jodendom en te volharden in het geloof (9-10, 14). De theologie in deze brief staat niet op zichzelf maar dient de repeterende vermaning (14). Deze correcte waarneming wordt diverse keren herhaald, zowel in meer algemene zin - ‘In reading the NT we do not have abstract theology unrelated to life’ (433) - alsook toegespitst op Hebreeën - ‘The author gives a battery of arguments supporting the superiority of Jesus’ priesthood, but he does so for pastoral reasons. The readers must not forsake Jesus as their high priest’ (459). Passend bij de opzet van deze serie geeft Schreiner aandacht aan de relatie tussen Hebreeën en de ‘Story Line of the Bible’ (20-29) met als gevolg dat hij vier theologische thema’s bespreekt: 1) de verhouding belofte-vervulling; 2) de ‘reeds-nog-niet-eschatologie’; 3) de typologie, en 4) de ruimtelijke oriëntatie in Hebreeën. Ten aanzien van de typologie maakt Schreiner scherpzinnige en terechte opmerkingen.

Zijn interpretaties hebben telkens dezelfde opbouw: 1) schematisch overzicht van de directe context van de desbetreffende perikoop; 2) vertaling; 3) overzicht van de perikoop binnen de context; 4) exegese (per vers), en 5) korte samenvatting (soort scopus), bedoeld om een brug te slaan tussen de perikoop en de verkondiging ervan. Na de integrale interpretatie volgt een waardevol overzicht van negen theologische thema’s in Hebreeën die nader worden toegelicht (435-499). Uiteraard wijdt hij ook een paragraaf aan het veelbesproken vermanende karakter van Hebreeën (480-491). In de geschiedenis van de exegese wordt bijvoorbeeld de waarschuwing in Hebreeën 6:4-8 zeer divers geïnterpreteerd. Reeds in zijn exegese van Hebreeën 6:6 bepleit Schreiner de bekende interpretatie: ‘the warnings are a means by which believers are preserved by God’ (188). Deze interpretatie wordt in de paragraaf over het vermanende karakter nader uitgewerkt. Onwillekeurig doen zijn opmerkingen herinneren aan de Dordtse Leerregels (‘door de vermaningen wordt de genade medegedeeld’, DL III-IV,17). Belangrijk is het hermeneutische inzicht dat de vermaningen in hun onderlinge samenhang moeten worden gelezen: ‘the warning passages should be read synoptically’ (484-485) met een verwijzing naar Scot McKnight; zo ook op bijvoorbeeld op pagina 14. Daarom zijn, aldus Schreiner, de geadresseerden werkelijk christenen die door middel van ernstige waarschuwingen worden opgeroepen te volharden. De commentaar bevat een bibliografie en drie nuttige registers met auteursnamen, onderwerpen en bijbelteksten.
Schreiner is erin geslaagd om niet alleen een bondige en vaak overtuigende exegese te bieden, maar ook om diverse theologische thema’s te beschrijven en in te kaderen binnen het geheel van de canon. Uiteraard is hem een dergelijke methode toevertrouwd, aangezien hij bijvoorbeeld reeds een theologie van het Nieuwe Testament (*New Testament Theology: Magnifying God in Christ*, Nottingham 2008) en zelfs een bijbelse theologie heeft geschreven (*The King in His Beauty: A Biblical Theology of the Old and New Testaments*, Grand Rapids 2013). Ook in deze commentaar vinden we in kort bestek veel gerijpte inzichten. Schreiners studie is, door de specifieke opzet ervan, bedoeld om de meer technische commentaren op Hebreeën aan te vullen en kan predikanten van dienst zijn bij hun preekvoorbereiding. We zien uit naar de volgende delen in deze ambitieuze serie.
Erica A. Mathieson, *Christian Women in the Greek Papyri of Egypt to 400 CE*
Erica Mathieson promoveerde in 2013 aan de Macquarie University (Sydney, Australië) op een proefschrift over de religieuze overtuigingen, ervaringen en praktijken van joodse en christelijke vrouwen in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Haar boek *Christian Women in the Greek Papyri of Egypt to 400 CE* is gewijd aan de onderzoeksresultaten die specifiek op christelijke vrouwen betrekking hebben.
Mathieson probeert in kaart te brengen hoe christenvrouwen in Egypte hun christen-zijn beleefden en vormgaven. Ze schrijft dus vanuit historisch en niet vanuit theologisch oogpunt. Het is geen eenvoudige onderneming om dicht bij de dagelijkse ervaringen en praktijken van ‘doorsneemensen’ te komen, in het bijzonder die van vrouwen. De bronnen zijn beperkt. Ze zijn vooral van mannelijke hand, dus een vrouwelijk perspectief ‘van binnenuit’ zul je niet zo gauw vinden. Verder is het moeilijk om dicht bij de dagelijkse realiteit te komen via literatuur die toch altijd aan een vooropgesteld doel, bijvoorbeeld geschiedschrijving, beantwoordt en weinig zegt over de dagelijkse werkelijkheid. Daarom richt Mathieson zich op de zogeheten documentary papyri, een grote verzameling documenten uit de praktijk van het leven die al dan niet een officiële status hadden: testamenten, contracten, privécorrespondentie en dergelijke. Deze papyri zijn voornamelijk gevonden in Egypte waar ze door het gunstige klimaat bewaard bleven tot op de dag van vandaag.
Na een inleiding over dit soort methodische kwesties, behandelt Mathieson een eerste set van zesentwintig teksten. Het gaat om papyri die door (of soms in opdracht van) vrouwen van christelijke signatuur geschreven zijn. Alle papyri stammen uit de vierde eeuw. Meer dan dit kleine tekstenbestand is er niet (voor wat betreft de Griekse taal) en dat maakt Mathieson voorzichtig in het trekken van algemene conclusies over ‘de christelijke vrouw’ tijdens die periode. Eerst geeft ze de teksten in het Grieks weer, gevolgd door een Engelse vertaling en een inventarisatie van wat inhoudelijk interessant is. Daarna onderzoekt ze het tekstenbestand op een aantal punten die voor haar vraagstelling van belang zijn. Zo bekijkt ze welke christelijke woordenschat en beeldtaal deze vrouwen hanteerden en welke theologische posities ze innamen. Maar ook probeert ze in beeld te krijgen welke gebedspraktijk de verschillende vrouwen erop nahielden, of er interactie was met geestelijken en andere functionarissen binnen de kerk, of ze deel uitmaakten van een kerkgemeenschap en hoe hun houding was in het bredere geheel van het familieleven. Een tweede set van teksten die Mathieson bestudeert, is weliswaar geschreven door mannen, maar toch aan vrouwen gericht of refererend aan vrouwen.

In grote lijnen concludeert Mathieson het volgende. Het lijkt erop dat de Egyptische christenvrouwen die ‘deelnamen aan dit onderzoek’ behoorden tot een geloofsgemeenschap en aanwezig waren bij religieuze samenkomsten. De papyri laten ook zien dat zij geloofden in genezing door gebed en in de goddelijke voorzienigheid. Hun positie rondom het huwelijk was overwegend consistent met het nieuwtestamentische spreken hierover. Zo bleven zij van hun kant trouw, ook aan een niet-christelijke echtgenoot. Tegelijk namen sommige vrouwen toch de vrijheid om hun huwelijk te beëindigen wanneer het erg problematisch was en benaderden zij geestelijke overheden voor steun. Sommigen, de zogeheten ascetische vrouwen, wijdden zich als ‘maagd’ aan een leven voor God, hetzij in de familiekring, hetzij in een soort monastieke leefgemeenschap. Dit bood hun een christelijk alternatief voor huwelijk en moederschap. Verder leveren de onderzochte documenten geen bewijs dat vrouwen andere formele posities binnen de kerkgemeenschap innamen. Een belangrijk gegeven bij dit alles is dat deze vrouwen hun christenzijn niet articuleerden in taal en in beelden die hen apart zetten van de Egyptische samenleving. Integendeel, ze blijken bijzonder goed geïntegreerd, zelfs zo goed dat het bij sommige teksten lastig is om ze als christelijk te typeren. De vrouwen gebruiken eerder algemeen religieuze terminologie dan typisch christelijke. Zo bevestigen deze documentary papyri de literaire bronnen in de waarneming dat christenen volop deelnamen aan het maatschappelijk leven.
Mooi is dat door de bespreking van de verschillende facetten heen deze vrouwen steeds meer een eigen gezicht krijgen: Tapiam, Valeria, Taouak, Didyme, Terouterou… Mathieson noemt ze door het hele boek heen consequent bij naam. Haar boek is ook aan hen opgedragen. Dit bepaalt de lezer tegelijk bij het gesitueerd karakter van de onderzochte documenten. Ook hierom wil Mathieson zich hoeden voor te snelle generalisaties. Toch klinkt het concluderende hoofdstuk erg algemeen en lijkt de methodische voorzichtigheid op het laatst te verdwijnen.
tags: #hersteld #hervormd #seminarium #nashville