De Geschiedenis van Oudewater en Omgeving

Oudewater, een stad die zijn oorsprong vindt bij de monding van de Lange Linschoten, ook wel bekend als 'het Oude Water', in de Hollandse IJssel, heeft een rijke en gelaagde geschiedenis. Rond 1100 werd hier een kerk gebouwd, en de eerste vermelding van de nederzetting dateert uit 1239. In 1265 verleende de Utrechtse bisschop stadsrechten aan Oudewater, met het doel een grensvesting tegen Holland te creëren. De bisschop gaf de stad echter in onderpand aan de graaf van Holland. De stadsmuur, die het grotendeels rechthoekige stadsgebied omringde, werd in 1321 gebouwd. Na de keuze van Oudewater om zich in 1572 aan te sluiten bij de Prins van Oranje, werden de grachten uitgediept en de muren versterkt. Helaas mocht dit niet baten; de Spanjaarden namen de stad in 1575 in.

Oudewater is een typische dijkstad, waarbij de kronkelende Linschoten als haven fungeert en de overkluizing in het midden als marktplein dient. Het stratenpatroon is bepaald door de loop van de Linschoten en de ligging van de Michaëlskerk aan de IJssel. Oorspronkelijk was de stad dubbel omgracht. Na 1575 werd het verdedigingsstelsel gemoderniseerd, onder meer door het samentrekken van de grachten en de aanleg van bastions op de hoekpunten en in het midden van de oostelijke wal. Het reeds bebouwde IJsselvere, gelegen op de westoever van de IJssel, werd in 1585 door middel van een hoornwerk bij de stad getrokken.

In de loop der tijd ontwikkelde Oudewater zich tot een centrum voor de touwfabricage. Een periode van economische bloei tussen 1575 en 1640 maakte herstel van de door de Spanjaarden verwoeste huizen en de bouw van veel nieuwe huizen mogelijk. Midden 19e eeuw werden de poorten en muurtorens afgebroken, de grachten deels gedempt en de vestingwerken geslecht om ruimte te scheppen voor nieuwe stedelijke bebouwing en een begraafplaats. Na de oorlog zijn vooral in noordelijke richting nieuwe wijken gebouwd.

Stadsplattegrond van Oudewater met historische bebouwing en waterlopen

Historische Ontwikkelingen en Bestuur

De gemeente Hekendorp, die in 1964 opging in de nieuwgevormde gemeente Driebruggen, lag op de noordelijke oever van de Hollandse IJssel, langs de Noord IJsseldijk, tussen Oudewater en Haastrecht. Het gebied van Hekendorp werd in de twaalfde eeuw ontgonnen vanuit de Hollandse IJssel. Ter bescherming tegen het IJsselwater werd de Noorder IJsseldijk aangelegd. Toen rond 1365 de Wierickes werden gegraven, kwam er in Hekendorp een sluis om de IJssel bij hoog water buiten de polders te houden. Omdat de Wierickes ook van belang waren voor de scheepvaart en er in de sluis schepen werden geschut, ontstond er rondom de Goejanverwellesluis het dorpje Goejanverwelle of Goverwelle.

Hekendorp, in de middeleeuwen lange tijd nauw verbonden met het naburige Snelrewaard, werd in 1428 onderdeel van het rechtsgebied van de Burggraaf van Montfoort. De familie De Merode, die in de zeventiende eeuw het Burggraafschap in handen had, verkocht rond 1660 al haar bezittingen en rechten in de Nederlanden. De hoge heerlijkheid, de term voor het bestuur en recht in een bepaald gebied, van Hekendorp werd verkocht aan raadpensionaris Johan de Witt, die, om zijn functie in het Gewest Holland te kunnen uitoefenen, eigenaar moest zijn van een heerlijkheid. In Hekendorp hadden de plaatselijke bestuurders het halsrecht, wat betekende dat zij, na een eerlijk proces, doodvonnissen mochten uitspreken. Midden in het dorp, aan de opweg naar de dijk, staat nog altijd een beeld van Vrouwe Justitia.

Rond 1500 waren er ongeveer vijftien huizen in Hekendorp, waarvan de bewoners vooral landbouwers waren. In 1632 was het aantal huizen gestegen tot 53 en in 1732 waren er 64 huizen. De inwoners hielden zich toen niet meer alleen met landbouw en veeteelt bezig. Er waren steenbakkers, touwslagers en ambachtslieden als smeden, timmerlieden en bakkers. Ook de school van Hekendorp stond in Goejanverwelle. Het dorp werd tot het begin van de negentiende eeuw bestuurd door de schout en uit een aantal door de heer van Hekendorp (de opvolgers van Johan de Witt) benoemde schepenen, afkomstig uit de meest welgestelde inwoners.

Beeld van Vrouwe Justitia in Hekendorp

De Patriottentijd en de Negentiende Eeuw

In de patriottentijd kreeg Hekendorp bekendheid omdat op 28 juni prinses Wilhelmina, de vrouw van stadhouder Willem V, er een paar uur werd vastgehouden nadat ze bij Schoonhoven, aan het riviertje de Vlist, was tegengehouden. De prinses was met haar gevolg op weg van Nijmegen naar Den Haag om daar de positie van haar man, die in het Valkhof in Nijmegen verbleef, te versterken. Door een anti-stadhouderlijk groepje schutters werd ze vanaf de Vlist naar de boerderij van Adriaan Leeuwenhoek in Goejanverwelle gebracht, vanwaar ze, toen haar opzet mislukt bleek, weer terugkeerde naar Nijmegen.

In de negentiende eeuw veranderde er aanvankelijk weinig in het dorp. De grootste verandering bestond uit de uitbreiding met het grondgebied van de vroegere gemeente Oukoop, ten westen van Hekendorp. Deze samenvoeging was nooit een groot succes: de Oukopers hadden andere belangen, waren sterk op Sluipwijk en Reeuwijk gericht en hadden weinig te verwachten van de Hekendorpers, die niet verder keken dan de oever van de Enkele Wiericke. In 1855 kwam de spoorlijn Utrecht-Rotterdam gereed; Hekendorp kreeg een halte aan deze lijn. Op de plaats van die halte, in de buurt van de oude korenmolen van Poppelendam, op de grens met de gemeente Lange Ruige Weide, ontstond na 1860 een nieuw buurtje, Hogebrug, waar wat nijverheid ontstond. De hoofdkern van Hekendorp bleef echter Goejanverwelle, waar het gemeentebestuur in 1890, toen de stokoude school werd vervangen door een nieuwe, het oude gebouw als raadhuis inrichtte.

In 1845 kregen de Hekendorpers een eigen Hervormde kerk, een bijkerk van de Nederlands-Hervormde gemeente van Oudewater. Met Oudewater had Hekendorp veel relaties: de Rooms-Katholieken en later ook de Gereformeerde inwoners gingen er naar de kerk, de gemeentesecretarie (een gecombineerde secretarie met de gemeentes Papekop en Hekendorp) was er gevestigd en tot 1874 werden de overleden Hekendorpers begraven in Oudewater.

De Hervormde Kerk en de Doleantie in Oudewater

De Hervormde kerk in Oudewater, oorspronkelijk gewijd aan Sint-Michaël, heeft een lange bouwgeschiedenis. De aanvankelijk eenbeukige, romaanse tufstenen kerk kreeg tegen het midden van de 13e eeuw een dwarsschip en een recht gesloten koor. Omstreeks 1300 werd begonnen met de bouw van de rechthoekige westtoren, die omstreeks 1340 werd voltooid. In de detaillering is de overgang van romaans naar gotiek zichtbaar. De twee onderste geledingen hebben steunberen op de hoeken. De bovenste geleding heeft een - in Utrecht ongebruikelijk - dwars zadeldak met wolfeinden en een kapconstructie uit de bouwtijd. Aan de oostzijde (stadszijde) bevindt zich een uitbouw voor het carillon, aangebracht in 1601. Aan de kerk werd eind 14e eeuw een vijfzijdige koorsluiting toegevoegd. In de eerste helft van de 15e eeuw kreeg de verbouwing tot de huidige driebeukige gotische hallenkerk met (recht gesloten) zijkoren gestalte. Van het voormalige koor werd de oude kapconstructie hergebruikt.

De kerk bleef gespaard bij de stadsbrand van 1575 en is in de jaren 1960-1967 gerestaureerd. Het wit gepleisterde interieur heeft houten tongewelven. De ronde zuilen in het koor zijn voorzien van hoge, achtkante basementen en koolbladkapitelen. De bij de restauratie gereconstrueerde achtkante pijlers in het iets later gebouwde schip hebben geen basementen en kapitelen. De kerk bevat onder andere een marmeren memorietafel voor Rudolph Snellius van Royen (†1613). Het oude carillon van Gerrit Both uit 1600 staat in de kerk opgesteld; in de toren hangt een kopie. Het orgel dateert uit 1840 en is het werk van A. Meere, voltooid door Kam en Van der Meulen.

Interieur van de Grote of Sint-Michaëlskerk in Oudewater

Het beroepingswerk van de Nederlandse Hervormde Gemeente van Oudewater kende na het vertrek van ds. C.P. van Tooren in 1880 vele uitdagingen. Meer dan zeventig beroepen werden uitgebracht, maar telkens volgde een bedankje. De gemeenschap wilde duidelijk een rechtzinnige predikant. Eindelijk kwam de commissie in november 1885 uit bij ds. W.F.A. Winckel van Schipluiden. Ds. Winckel deed op 6 maart 1886 intrede in Oudewater, dat hij omschreef als 'stedeke kijfhoek'. Aanvankelijk had de nieuwe predikant het niet makkelijk; in menig huis wilde men hem niet ontvangen of verzocht men hem weg te blijven. Dit kwam mede door de opkomst van een afdeling van de Protestantenbond, die vanwege die bond liet prediken.

Ds. Winckel realiseerde zich dat hij nooit zou kunnen toestaan dat doopleden van deze Protestantenbond als 'belijdend lid' van de Hervormde Gemeente van Oudewater zouden worden ingeschreven. Hij zag in gedachten al dat in Oudewater, bij weigering van hun toelating, dezelfde problemen zouden ontstaan als bij de 'benauwde broederen te Amsterdam', waar onder leiding van dr. A. Kuyper de Doleantie al in volle gang was. Toch stond voor hem vast dat hij nooit het besluit zou nemen om met de Synodale organisatie te breken.

In de patriottentijd speelde de kerkelijke situatie in Oudewater een rol. De kerkenraad leefde met de predikant op gespannen voet; er waren harde woorden gevallen. De predikant en enkele van zijn aanhangers probeerden een tweetal nieuw benoemde kerkeraadsleden te weren, wat leidde tot een kerkelijk proces. De kerkenraad stelde in zijn meerderheid geen vertrouwen in de leeraar, die zich met een deel van de gemeente achter zich schaarde tegen de kerkenraad.

De situatie escaleerde toen enige leden van de Protestantenbond bij de kerkenraad van Oudewater kwamen vragen om belijdenis van het geloof te doen. Ds. Winckel stelde voor het doen van belijdenis en het houden van het Avondmaal op die zondag uit te stellen, totdat duidelijk zou zijn of zij zich gebonden wisten en voelden aan de Drie Formulieren van Eenigheid, de belijdenisgeschriften van de kerk. Dit leidde tot een conflict met ds. J.W. Margadant, die al in 1873 in Oudewater was gekomen en met wie de kerkenraad volgens de berichten geregeld overhoop lag.

Tijdens een vergadering van de classis Gouda op 24 februari 1887, waarvan ds. Margadant scriba was, deelde hij mee dat ds. Winckel kennelijk 'de reformatie van de kerk' ter hand wilde nemen en het archief van de kerk in bezit wilde krijgen. Staande de vergadering werd toen de schorsingsbul voor ds. Winckel opgesteld. De bul vermeldde dat ds. Winckel wegens het bezoeken van het 'Gereformeerd Kerkelijk Congres' was geschorst als predikant. Kort voordat ds. Winckel de bul kreeg thuisbezorgd, ontmoette hij collega Margadant (met de schorsingsbul op zak) in de tram en deze schudde hem nog vriendelijk de hand!

Toen de schorsing kort daarop bekend werd, ging het 'als een loopend vuurtje door de stad'. Ds. Winckel was provisioneel (voorlopig) geschorst. De predikant had er niet veel vertrouwen in dat zijn gemeente hem zou volgen. Echter, de volgende dag kwam nog een classicale commissie op bezoek die, 'uit medelijden voor ds. Winckels persoon' hem trachtte te bewegen de aan de ingang van het 'Gereformeerd Kerkelijk Congres' getekende verklaring in te trekken en zich te onderwerpen aan de regelingen van het kerkbestuur. Ds. Winckel verzekerde de commissie dat hij niet van plan was uit de hervormde kerk te treden, indien men hem daartoe althans niet zou noodzaken, door hem te bevelen de vrijzinnige leden van de Protestantenbond als belijdend lid van de gemeente van Oudewater in te schrijven.

De navolgende zondag werd door de geschorste ds. Winckel geen dienst geleid in de Sint-Michaëlskerk van de hervormde gemeente, maar hield hij een bijbellezing in de christelijke school. Daar waren velen 'tot zijn bemoediging samengekomen'. Het gebouw was 'meer dan vol'. De kerkenraad vond dat de predikant wel héél dringende redenen had moeten hebben om weg te blijven, en besloot ondanks de afwezigheid van ds. Margadant en één ouderling te vergaderen. Men besloot de classis te berichten dat ds. Margadant willekeurig zijn gemeente had verlaten, zonder in zijn dienstwerk te willen voorzien. Voorts werd uitgesproken dat de schorsing van ds. Winckel, de ouderling en de diaken die naar 'het Congres' waren geweest, onrechtvaardig was en dat het Synodaal Bestuur tegen Gods Woord handelde. Met algemene stemmen besloot de kerkenraad de band met het hervormde kerkbestuur te verbreken. 'Níet dus met de Ned. Herv. Kerk, maar met het synodaal bestuur werd gebroken'.

Op 15 maart 1887 verklaarde de kerkenraad de schorsing van de predikant en van de twee kerkenraadsleden die het gewaagd hadden het Congres in Amsterdam bij te wonen, nietig. Ondanks een vermanend schrijven van de kerkenraad weigerden ds. Margadant en de ouderling de kerkenraadsvergaderingen bij te wonen. Ondertussen beschouwde de Dolerende kerkenraad zich als eigenaar van alle kerkelijke goederen.

De Dolerende Kerk telde ondertussen ongeveer 900 leden, die een grote offervaardigheid aan de dag legden. 'Zonder eenige hulp van buiten moest men zorgen voor het onderhoud van den eeredienst en de armen'. En zelfs was er geld genoeg voor de bouw van een eigen kerk aan de Rootstraat. Daarvoor werd op 4 oktober 1889 door ds. Winckel de eerste steen gelegd. De bouw was toen al een eind gevorderd, zodat de kerk op 26 januari 1890 in gebruik kon worden genomen. Langzaam maar zeker breidde de gemeente zich uit; er kwam een vergaderlokaal 'Irene' voor het houden van de kerkelijke bijeenkomsten en in 1921 werd een kosterswoning gekocht. In 1925 werd de kerk naar een plan van architect J.H. Valk uit De Bilt verbouwd en bovendien werden twee vergaderlokalen bijgebouwd.

De Gereformeerde kerk aan de Rootstraat in Oudewater

De Reformatie en de Spaanse Periode

Oudewater betaalde voor de Reformatie een hoge prijs. De stad had zich in 1572 aangesloten bij de opstand tegen de Spaanse overheersing en nam in dat jaar deel aan de Eerste Vrije Statenvergadering in Dordrecht, waar Willem van Oranje als stadhouder werd erkend. Dat heeft Oudewater geweten. Al snel kwamen de Spanjaarden om het stadje te heroveren. De verrassingsaanval mislukte doordat de poorten snel waren gesloten.

Het bleef onveilig, en Oudewater kreeg ook nog te kampen met dijkdoorbraken en een pestepidemie. In 1575 leek de situatie beter. Het land bracht volop hennep - grondstof voor de touwproductie - en hooi op. Waarschuwingen van Willem van Oranje om de stad te beveiligen door dijken door te steken werden dan ook in de wind geslagen: dan zou de oogst verloren gaan. Hij adviseerde verder vrouwen en kinderen naar het veiligere Gouda te laten gaan, maar ook daaraan werd geen gehoor gegeven.

De gevolgen ondervond Oudewater toen er op 19 juli 1575 weer een Spaans leger voor de poorten verscheen. Er ging nog snel een bode naar de prins met het verzoek om hulp, maar het was te laat. De stad werd omsingeld. Vrouwen en kinderen hielpen mee door stenen en brandende hoepels te gooien.

Het duurde tot 6 augustus voordat de Spaanse kanonnen klaar waren om Oudewater te beschieten. Ze schoten een deel van de stadsmuur aan gort. De volgende dag bestormde de vijand de stad, die werd verdedigd door de schutterij en huursoldaten. Vrouwen en kinderen hielpen mee door stenen en brandende hoepels te gooien en door pek uit te gieten over de aanvallers.

De Spanjaarden die de stad wisten binnen te dringen, namen bloedig wraak. Ze ontzagen niemand, zelfs de roomse priesters en nonnen niet. Het Rijksmuseum in Amsterdam bezit een prent waarop is afgebeeld dat vluchtende burgers werden gedood. Het Spaanse regiment raakte vervolgens slaags met Duitse huursoldaten die tijdens het plunderen ook een graantje probeerden mee te pikken. Tijdens de schermutselingen ontstond een brand die Oudewater grotendeels in de as legde. De overgebleven inwoners sloegen op de vlucht en keerden pas terug toen de Geuzen het stadje in november 1576 hadden heroverd.

De Spaanse troepen hadden Buren ingenomen en nu Oudewater. Dat smaakte naar meer. Schoonhoven was het volgende slachtoffer.

Illustratie van het beleg van Oudewater

Herdenking en Monumenten

Het bloedbad van 7 augustus 1575 bleef een vurig litteken in de geschiedenis van het stadje aan de monding van de Lange Linschoten. Reeds in 1589 werd de ramp herdacht, en misschien al eerder. De herdenking van de Oudewaterse Moord behoort dan ook tot de oudste jaarlijkse herdenkingen in Nederland.

In de Grote Kerk is er zondag een herdenkingsdienst. Er wordt een nieuw monument onthuld. Oudewater staat er tegelijk ook bij stil dat het 760 jaar geleden stadsrechten kreeg. De vijftiende-eeuwse hallenkerk heeft de aanval overleefd. De grafstenen in de vloer zijn van later datum: ze dateren uit het eind van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw.

In de toren van de Grote of Sint-Michaëlskerk hangt een dik touw waaraan je je kunt vastklemmen als je 57 ongelijke treedjes beklimt. De smalle wenteltrap eindigt op een schuin aflopende zolder. Daar staan twaalf schilderijen opgesteld. Leden van de Oudewaterse teken- en schilderclub De Wilgenstreek hebben zich laten inspireren door het schilderij ”Beleg van Oudewater” van Dirck Stoop, dat in het Stadsmuseum (het Stadhuis uit 1588) hangt. In 1650 legde hij het beleg en de verwoestingen in olieverf vast op een doek van 4,78 bij 1,78 meter. Het gebeurde vaker dat een stadsbestuur een kunstwerk liet maken om de oorlogservaringen zichtbaar te houden.

Detail van het schilderij

Architectonisch Erfgoed

Oudewater is een sfeervol stadje, met monumentale straten, eeuwenoude trapgevels en bochtige waterlopen. Veel van dat fraais dateert van na het beleg en de moordpartij.

Kerkgebouwen

De Herv. kerk (Noorder-Kerkstraat), oorspronkelijk gewijd aan St.-Michaël, is een rijksmonument met een lange geschiedenis. De kerk werd in de jaren 1960-1967 gerestaureerd. Het wit gepleisterde interieur heeft houten tongewelven. De ronde zuilen in het koor zijn voorzien van hoge, achtkante basementen en koolbladkapitelen.

De Voorm. St.-Ursulakapel (Kapellestraat 24) is een deel van een omstreeks 1415 gestichte kloosterkapel. Na de Reformatie werd het gebouw als school gebruikt. Sedert de restauratie van 1984-1985 maakt de kapel deel uit van het politiebureau.

De R.K. kerk H. Franciscus van Assisi (Kapellestraat 15) is een basilicale neogotische kruiskerk met half ingebouwde westtoren en rijzige spits, gebouwd in 1881 naar ontwerp van E.J. Margry. Vrijwel de gehele aankleding en inrichting van de kerk dateren uit de bouwtijd.

De Oud-Kath. kerk (Leeuweringerstraat 12), gewijd aan de H. Michaël en Johannes de Doper, is een zaalkerk gebouwd in 1882, naar ontwerp M.C. van Wijngaarden.

De Geref. kerk (Rodezand 26) is een van buiten nauwelijks als zodanig herkenbare zaalkerk.

Burgerlijke Gebouwen

Het stadhuis (Visbrug 1) is in 1588 herbouwd met gebruikmaking van restanten van het oude stadhuis dat in 1575 door Spaanse troepen werd verwoest. De maniëristische bouwstijl komt vooral tot uitdrukking in de trapgevel, de frontons en het siermetselwerk. In de trapgevel bevindt zich het beeld van een geblinddoekte Vrouwe Justitia.

De waag (Leeuweringerstraat 2, hoek Gasthuissteeg) werd in 1595 op oudere fundamenten opgetrokken. Het gebouw staat bekend als de Heksenwaag. Tegenwoordig is het gebouw als museum en oudheidkamer ingericht.

In Oudewater zijn veel woonhuizen met trapgevels uit het eind van de 16e- en het begin van de 17e eeuw bewaard gebleven. De herbouw na 1575 werd uitgevoerd in maniëristische stijl. De gevels zijn veelal van een zelfde type.

Het Arminiushuis (Markt Oostzijde 14/Gasthuissteeg 2) is het geboortehuis van de rekkelijke Leidse hoogleraar Arminius. Het pand werd getuige de gevelsteen in 1601 herbouwd. De met zandstenen speklagen versierde voorgevel is zeer rijk gedetailleerd.

Het pand Donkere Gaard 3 heeft een trapgevel uit 1611 en heeft als enige in Oudewater de originele vroeg-17e-eeuwse pui behouden.

Typische trapgevel in Oudewater

Industriële Ontwikkelingen en Transport

De negentiende eeuw bracht de industrialisatie. Met name op de oude vestingwerken van Oudewater ontstonden veel nieuwe industriële bedrijven. In de negentiende eeuw waren al diverse tabaksfabriekjes ontstaan in Oudewater. De firma Putman had het grootste bedrijf en breidde zelfs uit met een koffiebranderij. In 1846 kochten de broers Jan Adriaan en Pieter Marie Montijn het pand op de hoek van de Korte Havenstraat en de Visbrug aan en verbouwden dit tot fabriek voor snuif en sigaren.

In 1872 werd op één van de lunetten van IJsselveere de machinefabriek De Jongh & Co opgericht, later bekend als Machinefabriek ‘De Hollandsche IJssel’. Van alle touwslagersbedrijven in Oudewater was alleen het bedrijf van de familie Van der Lee in omvang gegroeid. Gijsbert van der Lee besloot in 1880 dat hij een stoommachine wilde installeren maar binnen de bebouwde kom was dat niet toegestaan. Om die reden bouwde hij zijn nieuwe fabriek in Klein-Hekendorp.

In 1880 begon Hendrik Willem Verloop een olieslagerij op IJsselveere. In de olieslagerij werd lijnzaad verwerkt tot olie voor zeep en verf. In 1917 werd de fabriek gemoderniseerd.

De aanleg van de spoorlijn Utrecht-Rotterdam, die in 1855 gereed kwam, opende nieuwe mogelijkheden. Het station Oudewater opende op 21 mei 1855. Niet alle treinen stopten in Oudewater. De spoorbaan, die op de veengrond voortdurend onderhoud vergde, was op dat moment een enkele spoorbaan. In 1895 opende de Halte Hekendorp, bij kilometerpaal 25.100 aan het einde van de Opweg bij de Langeruigeweidsedijk.

Station Oudewater en Halte Hekendorp sloten voor personenvervoer per 15 mei 1936. In 1862 kreeg Jan Adriaan Montijn toestemming om een schroefstoombootdienst tussen Rotterdam en Utrecht te onderhouden, de 'Estafette'. De stoomboten hadden vaste aanlegplekken aan de Noord-IJsselkade en aan de West-IJsselkade.

Historische foto van het station van Oudewater

De Hervormde Begraafplaats van Oudewater

Tot 1874 werden de overleden Hekendorpers begraven in Oudewater. De Hervormde kerk in Oudewater had ook een eigen begraafplaats. In de negentiende eeuw werden de poorten en muurtorens afgebroken, de grachten deels gedempt en de vestingwerken geslecht om ruimte te scheppen voor nieuwe stedelijke bebouwing en een begraafplaats.

In 1845 kregen de Hekendorpers een eigen Hervormde kerk, een bijkerk van de Nederlands-Hervormde gemeente van Oudewater. Met Oudewater had Hekendorp veel relaties: de Rooms-Katholieken en later ook de Gereformeerde inwoners gingen er naar de kerk, de gemeentesecretarie was er gevestigd en tot 1874 werden de overleden Hekendorpers begraven in Oudewater.

In de loop der tijd zijn er diverse begraafplaatsen in Oudewater geweest, waaronder de Hervormde begraafplaats en de RK begraafplaats. De Hervormde begraafplaats bevindt zich aan de Noorder-Kerkstraat.

Gezicht op de Hervormde begraafplaats in Oudewater

tags: #hervormde #begraafplaats #oudewater