De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) is het grootste protestantse kerkgenootschap in Nederland. Dit kerkgenootschap is op 1 mei 2004 ontstaan uit een fusie van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, na een toenaderingsproces van tientallen jaren.
De term 'Protestantse kerk' verwijst naar het protestantisme, een van de drie grote stromingen binnen het christendom, naast het rooms-katholicisme en de oosters-orthodoxe kerken. Deze stroming ontstond in de middeleeuwen als reactie op bepaalde leerstellingen en praktijken binnen de katholieke kerk.
Ontstaan en Vroege Ontwikkelingen
Na de Reformatie ontstond in Nederland niet één, maar meerdere protestantse kerken. Naast de Gereformeerde kerk, die de meeste aanhang kreeg, ontstonden ook Lutherse gemeenten en de beweging van de Doopsgezinden. De Nederduits Gereformeerde Kerk werd in 1571 in Emden gesticht en werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog door Willem van Oranje tot staatskerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gemaakt. Aanhangers die in de Zuidelijke Nederlanden werden vervolgd, vluchtten naar het Noorden en stichtten daar eigen kerken, waar voornamelijk Frans werd gesproken: de Waalse kerken.
In de Nederlanden had de Reformatie in bijna elk dorp gevolgen. Pastoors werden weggestuurd en hun plaatsen ingenomen door predikanten. De inwoners van dorpen als Benthuizen, Hazerswoude en Koudekerk maakten deze omwenteling mee. Hoewel niet iedereen direct gereformeerd werd, konden de inwoners van de gewesten vrij hun godsdienst belijden. De Gereformeerde godsdienst genoot echter een bevoorrechte positie. Dit betekende dat gereformeerden de beschikking kregen over de oorspronkelijke rooms-katholieke kerkgebouwen. Bovendien was het tijdens de Republiek noodzakelijk om gereformeerd te zijn om in aanmerking te komen voor een overheidsfunctie. De rooms-katholieke godsdienst, evenals het lutheranisme en het doopsgezind zijn, was echter niet verboden.
De Gereformeerde kerk was echter niet uniform wat betreft de leer. Vooral over de predestinatie, de leer van de voorbeschikking, werd hevig gediscussieerd. Dit leergeschil ontstond aan de Universiteit Leiden tussen de hoogleraren Gomarus en Arminius, die beiden volgelingen kregen. In 1610 stelden veertig predikanten hun 'Remonstrantie' op, waarin ze bezwaren uitten tegen de strikte calvinistische uitleg. De kwestie kreeg een politieke lading toen Johan van Oldenbarnevelt het geschrift in de Staten bracht, terwijl Prins Maurits de kant van de contraremonstranten koos. De Synode van Dordrecht (1618-1619) veroordeelde de leer van de remonstranten, die daarop uit de Gereformeerde kerk werden gezet en hun eigen kerken stichtten.

De Nederlandse Hervormde Kerk en de Bataafse Republiek
De komst van de Fransen betekende een einde aan de bevoorrechte positie van de volkskerk. De Bataafse Republiek (1795-1806) bracht een scheiding van kerk en staat en daarmee vrijheid van godsdienst. Dit hield in dat ook andere religies in het openbaar konden treden.
Na de nederlaag van Napoleon in 1813 wilde koning Willem I, de kersverse koning der Verenigde Nederlanden, opnieuw invloed uitoefenen op de kerk. In 1816 voerde hij een nieuwe kerkorde in, het Algemeen Reglement, dat de Dordtse Kerkorde verving. Dit reglement legde de basis voor een meer centrale besturing van de kerk, met de algemene synode aan het hoofd. De Nederduits Gereformeerde Kerk en de Waalse Kerk gingen verder als de Nederlandse Hervormde Kerk. Veel kerkleden zagen dit Algemeen Reglement echter als ongewenste inmenging van de koning in kerkzaken. Deze reorganisatie bracht weliswaar orde, maar ging in tegen het Gereformeerde Kerkrecht omdat het zwaartepunt niet meer bij de lokale kerkenraden lag, maar bij de nationale synode.
De Nederlandse Hervormde Kerk werd ook wel een 'volkskerk' genoemd, omdat er diverse soorten mensen lid van waren: rijk en arm, jong en oud. Dit verklaart mede de vele verschillende opvattingen die binnen de kerk bestonden. Vanaf het eerste kwart van de 19e eeuw ontstond binnen de Hervormde kerk discussie over de leervrijheid. Dit leidde ertoe dat in 1834 verschillende predikanten zich afscheidden van de Nederlandse Hervormde Kerk, een gebeurtenis die bekend werd als de Afscheiding. Deze afgescheidenen werden door de overheid vervolgd; voorgangers en volgelingen werden gearresteerd en kregen boetes opgelegd. De afgescheidenen wilden de oude naam Gereformeerd behouden om aan te geven dat zij de 'afstammelingen' waren van de oude Gereformeerde kerk van de reformatie. De regering erkende de afgescheiden groepen echter alleen onder de naam Christelijke Afgescheiden Gemeente. Een deel van de afgescheidenen weigerde dit en noemde zich Gereformeerde gemeente onder het kruis, kortweg de Kruisgemeenten.
Afscheidingen en Doleanties in de 19e Eeuw
Een aantal invloedrijke en orthodoxe predikanten en gelovigen vond de koers van de hervormde kerk al snel te vrijzinnig. Ze vonden dat de kerk te hiërarchisch en ondemocratisch was geworden en wilden vasthouden aan de Dordtse Kerkorde en de Drie Formulieren van Enigheid. Deze orthodoxe gelovigen wilden ook niet zingen uit de bundel Evangelische Gezangen, die zij te vrijzinnig vonden. Zij pleitten voor meer aandacht voor persoonlijke geloofsbeleving, bevindelijkheid en naastenliefde, thema's van het Réveil.
Er ontstonden al groepjes orthodoxe gelovigen die niet meer naar de hervormde kerk gingen. Zij kwamen bijeen als 'conventikels' (thuisgemeenten) en bestudeerden schrijvers uit de Nadere Reformatie. Op 14 november 1834 tekende Hendrik de Cock, dominee in het Groningse Ulrum, samen met een groot deel van zijn gemeente de 'Acte van Afscheiding of Wederkeer'. De koning verbood de afgescheidenen om samen te komen, maar zij deden dit in het geheim, wat leidde tot talloze boetes en arrestaties.
Een andere groep gelovigen verliet later de kerk. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer verzette zich tegen de kerkorde en de verplichting om uit het gezangboek te zingen. In 1841 werd hij uit zijn ambt gezet, maar bleef met zijn volgelingen samenkomen. Hij wilde echter geen nieuw kerkgenootschap stichten, maar hoopte dat de Nederlandse Hervormde Kerk zelf terug zou keren naar de ware leer.
De Grondwet van Thorbecke in 1848 betekende godsdienstvrijheid en een definitief einde aan de vervolging van 'andersgelovigen'. Onder invloed van opwekkingsbewegingen zoals het Réveil en het methodisme ontstonden diverse zelfstandige, losse gemeenten. Zij konden zich niet vinden in calvinistische opvattingen over bijvoorbeeld de uitverkiezing en wilden niet strikt gebonden zijn aan belijdenisgeschriften, met de Bijbel als enige bron. In 1881 richtten zij de Bond van Vrije Christelijke Gemeenten in Nederland op, later de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland.
Een andere groep verzette zich tegen de rationalistische en vrijzinnige geest binnen de Nederlandse Hervormde Kerk en bleef onderdeel van de kerk. Zij richtten in 1864 een vereniging op, de Confessionele Vereniging, om de kerk te laten leven volgens de oude belijdenis. Zij vonden dat gemeenten erop moesten toezien dat de belijdenis werd gehandhaafd. Als de hervormde synode besluiten nam waar zij het niet mee eens waren, riepen zij kerkenraden op te protesteren.
Een aantal meningsverschillen onder de afgescheidenen leidde tot de oprichting van twee kerkgenootschappen: de Gereformeerde Kerken onder het Kruis en de Christelijke Afgescheiden Gemeenten. In 1869 vormden een groot aantal gemeenten van deze twee groepen de Christelijke Gereformeerde Kerk.
Vrijzinnige protestantse gelovigen maakten zich in de negentiende eeuw zorgen over de grote invloed van de orthodoxie. Als reactie op de oprichting van de Confessionele Vereniging richtten zij in 1870 de Nederlandse Protestanten Bond op, een vereniging voor mensen uit en buiten alle kerken die 'modern-godsdienstig' waren. Dankzij de vrijzinnigen ging in 1926 de Vrijzinnig Protestantsche Radio-Omroep (VPRO) van start. Tegenwoordig heet de bond Vrijzinnigen Nederland.
Ondanks de jarenlange discussie over vrijzinnigheid en 'leervrijheid' was de Nederlandse Hervormde Kerk eind negentiende eeuw nog niet terug bij de Drie Formulieren van Enigheid, wat velen wensten. Zij vonden ook dat de plaatselijke gemeenten te weinig autonomie hadden.

De Doleantie en de Gereformeerde Kerken in Nederland
Abraham Kuyper, een van de kopstukken van de 'dolerenden' (smart hebbenden, klagenden), richtte in 1880 de gereformeerde Vrije Universiteit op. In 1886 werd de eerste kandidaat aan deze universiteit afgestudeerd. Bij de bevestiging in Kootwijk wachtte deze kerk de toestemming van de synode niet af, waarmee ze een 'dolerende kerk' werd: een kerk die niet meer viel onder het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk. Al snel volgden meer dolerende kerken. In 1892 verenigden deze kerken zich met een groot aantal gemeenten van de Christelijk Gereformeerde Kerk, en vormden zo de Gereformeerde Kerken in Nederland. Gemeenten die niet deelnamen aan de fusie bleven zich Christelijk Gereformeerd noemen.
De vrijzinnigheid binnen de kerk was voor een groep verontruste hervormden een doorn in het oog. Toen een vrijzinnige predikant stelde dat het christendom gelijkgesteld kon worden aan andere godsdiensten, was dit voor hen de druppel. In 1906 richtten zij de Gereformeerde Bond op, met het doel van binnenuit verandering te brengen in de hervormde kerk. Deze vereniging wilde dat het Algemeen Reglement van Willem I werd afgeschaft, om zo een einde te maken aan de strakke hiërarchie en de invloed van de koning. De Gereformeerde Bond trok al snel een grote groep orthodoxe en bevindelijke gelovigen aan.
Een deel van de ledeboerianen begon in 1907 een nieuw kerkgenootschap, samen met de overgebleven Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Het nieuwe kerkverband, mede opgericht door dominee Gerrit Hendrik Kersten, heette voluit: de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika (onder behoudende protestanten nog steeds afgekort als 'GerGem'). Een minderheid ging niet mee met de fusie vanwege bezwaren tegen de theologische opleiding die Kersten wilde oprichten, de zestiende-eeuwse berijming van Petrus Datheen en het predikantengewaad. Het belangrijkste bezwaar was echter dat ze geen nieuw kerkgenootschap wilden oprichten, maar hoopten op een terugkeer van de vaderlandse kerk van haar dwalingen. Zij vormden datzelfde jaar nog een kerkgemeenschap: de Oud-Gereformeerde Gemeenten.
In 1913 ontstond de landelijke Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Zij zagen de Bijbel niet als het letterlijke Woord van God en wilden af van de dogma's van de orthodoxie, maar dan wel binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.
Verdere Ontwikkelingen en Fusies
Midden in de Tweede Wereldoorlog woedde binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland een strijd over de precieze betekenis van de doop en het verbond. De Gereformeerde Kerken in Nederland zagen de doop als iets wat levenslang geldig bleef, mits de dopeling gelovig bleef. Een groep predikanten en kerkgangers zag de doop als een teken van Gods belofte dat je zijn kind mag zijn, met de bijbehorende roeping om als kind van God te leven. Theoloog Klaas Schilder uitte hierover zijn mening.
De onrust groeide doordat de synode predikanten verplichtte zich te houden aan officiële standpunten en bezwaarschriften negeerde. In augustus 1944 sprak Klaas Schilder tijdens een synodevergadering de 'Acte van Vrijmaking of Wederkeer' uit, waarmee hij zich vrijmaakte van de besluiten van de synode. In de periode daarna vonden plaatselijk scheuringen plaats, waarbij ongeveer 80.000 'artikel-31'ers' niet meer welkom waren in hun oude kerk. Rondom de vrijgemaakten ontstond een eigen zuil met een eigen krant, partij en scholen.
Binnen de Gereformeerde Gemeenten, ontstaan in 1907, woedde een discussie over het 'aanbod van genade'. Op een synode in 1953 werd Cornelis Steenblok, predikant en docent aan de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten, ontheven uit zijn functie vanwege zijn uitspraken hierover. Een aantal medestanders vormde een nieuw kerkgenootschap: de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
Rondom de bevindelijke kerken (Gereformeerde Gemeenten, Oud-Gereformeerde Gemeenten, Gereformeerde Gemeenten in Nederland) en een deel van de 'bonders' binnen de hervormde kerk ontstond ook een eigen, reformatorische zuil met eigen media, politieke partij en scholen.
Een grote groep leden binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zag het eigen genootschap als 'enige ware kerk'. Een andere groep kreeg juist moeite met deze opvattingen en stond open voor andere kerken en organisaties. Nadat dominee Asjen van der Ziel weer contact zocht met de Gereformeerde Kerken in Nederland, werd hij afgezet. In 1966 steunden sympathisanten Van der Ziel in een Open Brief, wat leidde tot hun uitsluiting. Sommigen keerden terug naar de Gereformeerde Kerken in Nederland, anderen vormden een nieuw verband, dat later Nederlands Gereformeerde Kerken ging heten.
De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) is nog betrekkelijk jong: op 1 mei 2004 verenigden de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk zich officieel tot de PKN. Daar ging een lange periode van voorbereiding aan vooraf, beginnend met de oproep van 18 hervormde en gereformeerde predikanten in 1961.
De samenwerking tussen protestanten en gereformeerden, die uiteindelijk leidde tot de vorming van de PKN in 2004, kent een veel langere voorgeschiedenis. Vanaf 1990 nam, naast de hervormde en gereformeerde kerk, de Evangelisch-Lutherse kerk deel aan het proces. Na kritisch onderzoek werd op 12 december 2003 door de drie kerken ingestemd met een volledig opgaan in één nieuwe kerk: de Protestantse Kerk in Nederland. Per 1 mei 2004 is de nieuwe kerkorde officieel in werking getreden.
Protestantse kerk heeft bijna-dood ervaring
De PKN is geworteld in de christelijke traditie van haar voorgangers en erkent de oude geloofsbelijdenissen: de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius. De kerkelijke scheiding, ontstaan na Afscheiding en Doleantie in de negentiende eeuw, had aanvankelijk de muren tussen hervormden en gereformeerden hoog opgetrokken. In de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) en in de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) brak een periode van interne rust aan. De hervormden hadden hun jarenlange interne strijd afgesloten met de aanvaarding van een nieuwe kerkorde (1951). De twee kerken openden in de jaren vijftig voorzichtig besprekingen over gevoelige onderwerpen.
Het proces van samenwerking, 'Samen op Weg' (SoW), leidde uiteindelijk tot de fusie. In 2004 hield de Nederlandse Hervormde Kerk op te bestaan. Het overgrote deel van de lidmaten is overgegaan naar de nieuwe Protestantse Kerk in Nederland (PKN).
tags: #hervormde #protestantse #kerk #v