De Verzoeking van Jezus
Jezus werd door de Geest de woestijn in geleid, om door de duivel verzocht te worden. Na veertig dagen en nachten vasten, kreeg Hij honger. De verzoeker kwam bij Hem en zei: "Als U de Zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen broden worden." Maar Jezus antwoordde: "Er staat geschreven: 'De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit Gods mond voortkomt.'"
Vervolgens nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op de hoogste punt van de tempel. "Als U de Zoon van God bent," zei de duivel, "werp Uzelf dan naar beneden. Want er staat geschreven: 'Hij zal Zijn engelen bevelen aangaande U, en zij zullen U op hun handen dragen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen stoot.'" Jezus antwoordde: "Er staat ook geschreven: 'U zult de Heer, uw God, niet verzoeken.'"
Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid. "Al deze dingen zal ik U geven," zei de duivel, "als U, neerknielend, mij zult aanbidden." Jezus zei toen: "Ga weg, satan! Want er staat geschreven: 'U zult de Heer, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen.'" Toen verliet de duivel Hem, en zie, engelen kwamen en dienden Hem.
Jezus in Galilea
Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangen was gezet, keerde Hij terug naar Galilea. Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapérnaüm, gelegen aan de zee, in het gebied van Zebulon en Nafthali. Dit gebeurde opdat vervuld zou worden wat gesproken is door Jesaja de profeet, die zei: "Het land Zebulon en het land Nafthali, aan de weg langs de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen - het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan." Vanaf dat moment begon Jezus te prediken en te zeggen: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen."
De Eerste Discipelen
De twaalf discipelen riep Jezus tot Zich en gaf hun macht over de onreine geesten, om die uit te drijven en om alle ziekte en kwaal te genezen. De namen van de twaalf apostelen zijn deze: Simon, genaamd Petrus, en zijn broeder Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartholoméüs; Thomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alféüs, en Lebbéüs, genaamd Taddeüs; Simon de Kanaäniet en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Deze twaalf zond Jezus uit met de volgende opdracht: "Ga niet op weg naar de heidenen en ga geen stad van de Samaritanen binnen. Ga veel meer naar de verloren schapen van het huis van Israël. Ga heen en predik: 'Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.' Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets. Verdien geen goud, geen zilver, geen kopergeld in uw gordels; geen reistas voor de weg, geen twee tunieken, geen sandalen, geen staf. Want de arbeider is zijn voedsel waardig. En in welke stad of dorp u ook binnenkomt, vraag wie daar waardig is, en blijf daar totdat u vertrekt. En als u een huis binnengaat, groet het dan. Als dat huis waardig is, laat uw vrede dan over dat huis komen; maar als het niet waardig is, laat uw vrede dan naar u terugkeren. En als iemand u niet zal ontvangen of uw woorden niet zal horen, ga dan uit dat huis of uit die stad en schud het stof van uw voeten af. Voorwaar, Ik zeg u: het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad."
Jezus zag dat zij zich zeer inspanden om het schip vooruit te krijgen, want de wind was hen tegen. Rond de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, wandelend op de zee, en wilde hen voorbijgaan. Zij zagen Hem op de zee wandelen en meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd. Terstond sprak Hij met hen en zei: "Wees moedig, Ik ben het; vrees niet." Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen. Zij waren bovenmate verwonderd in zichzelf, want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden; hun hart was verhard.
Kinderen Gods
Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genoemd zouden worden. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelve, zoals Hij rein is. Een ieder die de zonde doet, doet ook de ongerechtigheid, want de zonde is de ongerechtigheid.
En u weet dat Hij geopenbaard is om onze zonden weg te nemen, en er is geen zonde in Hem. Een ieder die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend. Kinderen, laat niemand u verleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van het begin af. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou.
Een ieder die uit God geboren is, zondigt niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft, is niet uit God. Want dit is de verkondiging die u van het begin af gehoord hebt, dat wij elkaar zouden liefhebben.
Niet zoals Kaïn, die uit de boze was en zijn broeder doodsloeg; en om welke reden sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. Verwondert u niet, mijn broeders, als u de wereld haat. Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. Een ieder die zijn broeder haat, is een doodslager; en u weet dat geen doodslager het eeuwige leven in zich heeft blijvend.
Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig om het leven voor de broeders te stellen. Wie nu het goed der wereld heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, en zijn hart voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem? Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en de waarheid. En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart en Hij kent alle dingen. Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God; en wat wij ook bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren en doen wat Hem behaagt. En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft. En wie Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in dezelve.

De Uitzending van de Twaalf Apostelen
Jezus riep Zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over de onreine geesten, om die uit te drijven en om alle ziekte en kwaal te genezen. De namen van de twaalf apostelen zijn: Simon, genaamd Petrus, en zijn broeder Andreas; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartholoméüs; Thomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alféüs, en Lebbéüs, genaamd Taddeüs; Simon de Kanaäniet, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: "Ga niet op weg naar de heidenen en ga geen stad van de Samaritanen binnen. Ga veel meer naar de verloren schapen van het huis van Israël. Ga heen en predik: 'Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.' Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets. Verdien geen goud, geen zilver, geen kopergeld in uw gordels; geen reistas voor de weg, geen twee tunieken, geen sandalen, geen staf. Want de arbeider is zijn voedsel waardig. En in welke stad of dorp u ook binnenkomt, vraag wie daar waardig is, en blijf daar totdat u vertrekt. En als u een huis binnengaat, groet het dan. Als dat huis waardig is, laat uw vrede dan over dat huis komen; maar als het niet waardig is, laat uw vrede dan naar u terugkeren. En als iemand u niet zal ontvangen of uw woorden niet zal horen, ga dan uit dat huis of uit die stad en schud het stof van uw voeten af. Voorwaar, Ik zeg u: het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad."
Jezus zei: "Zie, Ik zend u als schapen te midden van de wolven; wees daarom voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven. Maar wacht u voor de mensen, want zij zullen u overleveren aan de raden en in hun synagogen zullen zij u geselen. En u zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en de heidenen tot een getuigenis. Maar wanneer zij u overleveren, wees dan niet bezorgd over hoe of wat u zult spreken; want het zal u in die ure gegeven worden wat u spreken zult. Want u bent het niet die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, Die in u spreekt.
En de ene broeder zal de andere broeder overleveren tot de dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en hen doden. En u zult door allen gehaat worden om Mijn Naam; maar wie volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht dan naar de andere. Want voorwaar, Ik zeg u: u zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn."
"De discipel is niet boven de meester, noch de knecht boven zijn heer. Het zij de discipel genoeg dat hij gelijk wordt aan zijn meester, en de knecht aan zijn heer. Indien zij de Heer des huizes Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! Vreest dan hen niet, want er is niets bedekt dat niet zal worden ontdekt, en verborgen dat niet zal worden geweten. Wat Ik u zeg in de duisternis, zeg het in het licht; en wat u hoort in het oor, predik dat op de daken. En vrees u niet voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden; maar vrees veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel."
"Worden niet twee musjes voor een kwartje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld. Vreest dan niet; u gaat vele musjes te boven. Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. Maar wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is."
Jezus zei: "Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want Ik ben gekomen om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. En zij zullen des mensen vijanden worden die zijn huisgenoten zijn. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waardig. Wie zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en wie zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden."
"Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Wie een profeet ontvangt in de naam van een profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt in de naam van een rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen."

De Dood van Johannes de Doper
Koning Herodes hoorde hiervan (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: "Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem." Anderen zeiden: "Hij is Elia"; en anderen zeiden: "Hij is een profeet, of als een van de profeten." Maar toen Herodes dit hoorde, zei hij: "Dit is Johannes, die ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt."
Want dezelfde Herodes had, na sommigen gezonden te hebben, Johannes gevangengenomen en hem in de gevangenis gebonden, vanwege Herodias, de huisvrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. Want Johannes zei tot Herodes: "Het is u niet geoorloofd de huisvrouw van uw broer te hebben." En Herodias koesterde wrok tegen hem en wilde hem doden, maar kon het niet. Want Herodes vreesde Johannes, wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in ere; en als hij hem hoorde, deed hij veel dingen en hoorde hem gaarne.
En toen er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op de dag van zijn geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea; en toen de dochter van dezelfde Herodias binnenkwam en danste, en Herodes en degenen die mee aanlagen, het behaagde, zei de koning tot het meisje: "Vraag van mij wat u ook wilt, en ik zal het u geven." En hij zwoer haar: "Wat u ook van mij zult eisen, zal ik u geven, zelfs tot de helft van mijn koninkrijk!" En zij ging naar buiten en zei tegen haar moeder: "Wat zal ik eisen?" En die zei: "Het hoofd van Johannes de Doper."
En zij ging onmiddellijk met haast naar de koning en eiste het, zeggende: "Ik wil dat u mij nu terstond, in een schotel, het hoofd van Johannes de Doper geeft." En de koning werd zeer bedroefd, maar om de eden en degenen die mee aanlagen, wilde hij haar het niet weigeren. En de koning zond onmiddellijk een beul en gebood zijn hoofd te brengen. Deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis; en bracht zijn hoofd in een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. En toen zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dode lichaam weg en legden het in een graf.
De Wonderbare Spijziging
De apostelen kwamen weer bij Jezus en berichtten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden als wat zij geleerd hadden. En Hij zei tot hen: "Komt u hier in een verlaten plaats alleen, en rust een weinig; want er waren velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten. En zij vertrokken in een schip naar een verlaten plaats, alleen. En de menigten zagen hen wegvaren, en velen herkenden Hem, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, kwamen hen voor en gingen samen tot Hem."
En Jezus, uitgaande, zag een grote menigte en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren. En toen het laat op de dag werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem en zeiden: "Deze plaats is verlaten, en het is nu laat op de dag; laat hen gaan naar de omliggende dorpen en vlekken en broden voor zichzelf kopen, want zij hebben niet wat zij eten zullen."
Maar Hij antwoordde en zei tot hen: "Geeft u hun te eten." En zij zeiden tot Hem: "Zullen wij heengaan en voor tweehonderd penningen brood kopen en hun te eten geven?" En Hij zei tot hen: "Hoeveel broden hebt u? Ga heen en zie het." En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: "Vijf, en twee vissen." En Hij gebood hen dat zij hen allen zouden laten nederzitten in groepen op het groene gras. En zij zaten neder in groepen van honderd te zamen, en van vijftig te zamen.
En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar de hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen. En zij aten allen en werden verzadigd. En zij raapten twaalf volle korven met brokken, en van de vissen. En zij die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.

Jezus Wandelt op de Zee
Terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en voor henen te varen aan de andere zijde, tegenover Bethsaïda, terwijl Hij de menigte van Zich zou laten gaan. En nadat Hij hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden. En toen het avond geworden was, was het schip midden op de zee, en Hij was alleen op het land.
Hij zag dat zij zich zeer inspanden om het schip vooruit te krijgen, want de wind was hen tegen. Rond de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, wandelend op de zee, en wilde hen voorbijgaan. Zij zagen Hem op de zee wandelen en meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer. Want zij zagen Hem allen en werden ontroerd. Terstond sprak Hij met hen en zei: "Wees moedig, Ik ben het; vrees niet." Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen. Zij waren bovenmate verwonderd in zichzelf en waren verbijsterd, want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden; hun hart was verhard.

De Vergelijking van Vertalingen: Statenvertaling versus Herziene Statenvertaling
De Griekse tekst van het Nieuwe Testament, zoals gereconstrueerd voor de Statenvertaling, is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De Herziene Statenvertaling (HSV) komt in vergelijking met de Statenvertaling meer tegemoet aan het hedendaagse Nederlands, wat de verstaanbaarheid ten goede kan komen. Echter, dit voordeel wordt deels veroorzaakt door een minder nauwkeurige en minder letterlijke weergave van de grondtekst.
De Statenvertaling heeft de opdracht gekregen om, voor zover de Nederlandse taal dit toeliet, de uitdrukkingen van de oorspronkelijke talen te bewaren. Dit is een ander uitgangspunt dan het streven naar gebruikelijk Nederlands. De HSV is hierin verder gegaan dan het vervangen van verouderde woorden en enkele moeilijke zinsconstructies; ook niet-verouderde woorden zijn aangepast, en zinnen die vaak nauw aansloten op het Hebreeuws en Grieks zijn herschreven, waardoor ze verder van de grondtekst afstaan.
Een argument vóór de HSV is het verwerken van nieuwe inzichten, zoals meer kennis over dieren en planten, en de betekenis van woorden door vergelijking met omringende talen. Echter, de kennis van de vertalers uit de zeventiende eeuw was bewonderenswaardig, en de waarde van huidige nieuwe inzichten is daardoor in omvang beperkt. Bovendien zijn er nieuwe inzichten die meer speculatie dan zekerheid bieden.
Tegenover de argumenten vóór de HSV staan belangrijke bezwaren, met name in vergelijking met de Statenvertaling. Een belangrijk punt is het hertalen van Hebreeuwse spreekwijzen. Hoewel de Statenvertaling deze zoveel mogelijk bewaarde, heeft de HSV deze vaak aangepast. Dit geldt ook voor andere spreekwijzen, waarbij soms de betekenis van de oorspronkelijke tekst verloren gaat.
Een ander bezwaar is de interpretatie die in de HSV wordt toegevoegd. Het vertalen van de Bijbel, een geïnspireerde tekst met vaak meerdere betekenissen, vereist trouw aan de oorspronkelijke spreekwijzen. De HSV voegt aanzienlijk meer interpretatie toe dan de Statenvertaling, soms door betekenissen van woorden te 'inkleuren', woorden toe te voegen, of woordbetekenissen te vervangen door uitleg.
Voorbeelden hiervan zijn te vinden in Genesis 4:5, waar het 'vervallen' van Kaïns aangezicht in de HSV wordt vertaald als 'liet hij zijn hoofd zakken', een interpretatie die niet waarschijnlijk is. Ook in Psalmen worden teksten anders vertaald, zoals Psalm 8:3, waar 'sterkte gegrondvest' in de HSV wordt gewijzigd in 'een sterk fundament gelegd'. Dit is een interpretatie die moeilijk te verdedigen valt.
In Spreuken 6:13, 10:10 en Psalm 35:19 wordt in de Statenvertaling gesproken over 'wenken met de ogen', terwijl de HSV spreekt over 'knipogen'. Hoewel de precieze betekenis van het Hebreeuwse woord varieert, hebben deze uitingen een negatieve betekenis. De HSV voegt ook hier interpretatie toe.
Kleine verschillen zijn er ook in het Nieuwe Testament. In Mattheüs 1:20 wordt 'alzo hij deze dingen in den zin had' in de HSV gewijzigd in 'Terwijl hij deze dingen overwoog'. In Romeinen 1:3 wordt 'geworden' gewijzigd in 'geboren', en in Romeinen 1:31 wordt 'verbondsbrekers' vervangen door 'trouwelozen'.
Grotere wijzigingen zijn te vinden in het Oude Testament, zoals Jesaja 3:4, waar 'kinderen' in de Statenvertaling in de HSV is gewijzigd in 'willekeur'. Deze wijzigingen, hoewel soms ogenschijnlijk de tekst gemakkelijker te begrijpen maken, gaan ten koste van de letterlijke weergave van de grondtekst en de rijke betekenis die in de Statenvertaling behouden is gebleven.
tags: #herziene #statenvertaling #broer #broeder #grieks