Het woord evangelie betekent 'goede boodschap'. Het is afgeleid van het Griekse woord εὐαγγέλιον (euangelion). Binnen het christendom verwijst het evangelie primair naar de goede boodschap van Jezus Christus, namelijk dat er leven is na de dood. In bredere zin wordt het woord in het christendom gebruikt voor de vier evangeliën die deel uitmaken van het Nieuwe Testament van de Bijbel.
De Vier Evangeliën in de Bijbel
Het Nieuwe Testament bevat vier evangeliën, toegeschreven aan Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. Deze geschriften, hoewel geschreven tussen 60 en 100 n.Chr. - dus na Jezus' dood - dienen als getuigenis van het geloof van zijn eerste volgelingen, en niet zozeer als strikte geschiedschrijving in moderne zin.
Het Evangelie volgens Marcus stelt dat Jezus verkondigde dat Gods nieuwe wereld nabij is en dat dit goede nieuws geloofd moest worden. Jezus riep op tot een levensverandering op dat moment (Marcus 1:15). Dit goede nieuws omvat de aankondiging van een perfecte wereld waarin mensen Gods wil volgen.
Volgens het Evangelie volgens Mattheüs is het allerbelangrijkste dat mensen God liefhebben met hun hele hart, ziel en verstand. Het niet gehoorzamen aan God en het doen van eigen wil wordt in het christendom zonde genoemd. Zonde wordt als ernstig beschouwd, met bijbehorende consequenties, en scheidt mensen van God.
Het goede nieuws van God, zoals beschreven in het christendom, is dat Jezus Christus aan het kruis is gestorven voor de zonden van de mensheid. Hij nam de zonden op zich, en volgens het Nieuwe Testament is Hij na zijn kruisiging uit de dood opgestaan. Christenen geloven dat zij na hun dood verder leven in Gods nieuwe, perfecte wereld. Deze nieuwe wereld wordt reeds zichtbaar waar mensen God gehoorzamen en de wereld verbeteren.
Zij die geloven dat Jezus voor hun zonden is gestorven, Jezus gehoorzamen en op Hem vertrouwen, mogen bij God horen. Wanneer het niet lukt om God te gehoorzamen, kan men om vergeving vragen, met het vertrouwen dat Jezus voor die ongehoorzaamheid aan het kruis is gestorven.

Oorsprong en Ontwikkeling van de Term 'Evangelie'
Het woord 'evangelie' vindt zijn oorsprong in het Griekse εὐαγγέλιον (euangelion), wat 'goede boodschap' betekent. De term komt frequent voor in het Nieuwe Testament, met name in de brieven van Paulus, waar het oorspronkelijk verwees naar Jezus' verkondiging van de nabijheid van het Rijk Gods. Aanvankelijk werd de Blijde Boodschap mondeling doorgegeven; Paulus verwees bijvoorbeeld vaak naar zijn eigen prediking als 'mijn evangelie'.
Vanaf de tweede eeuw werd 'evangelie' ook de benaming voor een boek dat de betekenis van Jezus' leven voor het heil van de mensen beschrijft, met nadruk op zijn lijden en sterven. Het Nieuwe Testament kent vier canonieke evangeliën, genoemd naar de traditionele auteurs: Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. De oorspronkelijke Griekse teksten van deze boeken passen elk op een gemiddelde boekrol.
Het Evangelie volgens Marcus is het kortste, met ongeveer 11.250 woorden. Het Evangelie volgens Lucas is met circa 19.500 woorden het langste en vormt samen met de Handelingen der Apostelen een tweedelig werk.
Literair Genre en Datering
De evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lucas vertonen veel overeenkomsten en worden daarom de synoptische evangeliën genoemd. Hun teksten worden soms naast elkaar geplaatst in tabellen, synopsis genaamd, voor vergelijking. Hoewel het Evangelie van Johannes ook overeenkomsten heeft, wordt aangenomen dat het literair min of meer onafhankelijk is van de synoptische evangeliën.
De evangeliën zijn geschreven in Koinè-Grieks, en geen van de boeken vermeldt expliciet een auteur. De huidige benamingen zijn gebaseerd op aannames en overleveringen uit het vroege christendom. Het is algemeen aanvaard dat geen van de canonieke evangeliën is geschreven door een directe ooggetuige van Jezus' leven.
De datering van de evangeliën varieert onder onderzoekers, maar ze zijn allemaal na Jezus' dood geschreven, met een zekere tijdspanne tussen zijn dood en het ontstaan van de evangeliën. Het Marcus-evangelie wordt vaak het vroegst gedateerd (tussen 50-100 n.Chr.), en het Johannes-evangelie het laatst (eind eerste tot begin tweede eeuw).
In de negentiende en vroege twintigste eeuw werden de evangeliën beschouwd als een uniek literair genre, los van bestaande genres. De verschillen met eigentijdse biografieën, zoals de beperkte aandacht voor de jeugd en het innerlijk leven van de hoofdpersoon, en de uitgebreide focus op het sterven, droegen hieraan bij. De vormkritiek zag Marcus als een verzameling losse fragmenten. De redactiekritiek later bracht overeenkomsten aan het licht met Grieks-Romeinse biografieën uit die tijd, waardoor veel onderzoekers de evangeliën nu classificeren als antieke biografieën.
Antieke biografieën varieerden in lengte van 10.000 tot 20.000 woorden en volgden vaak geen strikt chronologische volgorde, noch besteedden ze veel aandacht aan het innerlijk leven. De aanname dat de evangeliën als biografieën zijn geschreven, impliceert dat alle opgenomen passages, of het nu verhalen, uitspraken of anekdotes zijn, van belang zijn voor het begrip van Jezus' leven en leer volgens de auteur.

Verschillende Betekenissen en Gebruik
In het christendom heeft 'evangelie' meerdere, samenhangende betekenissen. Breed gezien omvat het de 'blijde boodschap' van de Bijbel of specifiek van Jezus. Ook verwijst het naar een van de vier levensbeschrijvingen van Jezus in de Bijbel (Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes), en soms ook naar buitenbijbelse levensbeschrijvingen.
In sommige kerken, zoals de Rooms-Katholieke Kerk, wordt dagelijks een lezing uit een van de evangeliën uitgevoerd. Zo'n evangelielezing wordt ook wel kortweg 'evangelie' genoemd, hoewel het slechts een fragment betreft. Afhankelijk van het jaar ligt de focus op de beschrijvingen van Mattheüs, Marcus of Lucas, wat leidt tot termen als 'Mattheüsjaar', 'Marcusjaar' of 'Lucasjaar'. Uit het Johannes-evangelie worden jaarlijks enkele karakteristieke verhalen gelezen.
Een evangeliarium is een manuscript of boek dat de volledige teksten van de evangeliën bevat. Er zijn tientallen teksten uit de eerste eeuwen bekend die zichzelf als evangelie aanduiden of zo genoemd werden, met uiteenlopende vormen en inhoud.
Het Evangelie in Islamitische Context
In de islam wordt het woord indjil, dat in de Koran voorkomt en vertaald wordt als 'evangelie', begrepen als de openbaringen van God aan de profeet Isa (Jezus). Hierbij wordt niet verwezen naar de canonieke evangeliën van de Bijbel.
Het Oude Testament en de 'Goede Boodschap'
Het zelfstandig naamwoord 'evangelie' en het werkwoord 'verkondigen' in het Nieuwe Testament hebben een duidelijke oudtestamentische achtergrond. In het Oude Testament duidt het werkwoord op het verkondigen van een vreugdevolle tijding, variërend van alledaagse berichten tot specifieke religieuze boodschappen van Gods heilbrengende daden.
Psalmen zoals 40:10 en 68:12 spreken over concrete daden van uitredding, terwijl Psalm 96:2 en Jesaja 40-volgende hoofdstukken verwijzen naar de boodschap van Gods koningschap en de aanstaande heilstijd. Deze boodschap, de komst van God zelf, zou het rijk van heil en vrede inluiden en zich ook tot de volken richten.
De 'vreugdebode' uit Jesaja, die op een hoge berg zijn stem verheft om de goede tijding van de terugkeer uit ballingschap te verkondigen, werd in het Palestijnse jodendom rond de nieuwtestamentische tijd geïdentificeerd met de Messias. De verwachting van deze vreugdebode leefde sterk, en de boodschap van het vervulde heil van God, reeds aangekondigd in Jesaja, werd centraal.
Het Evangelie
Jezus en de Verkondiging van het Evangelie
In het Nieuwe Testament wordt het 'verkondigen van het evangelie' gezien als het bewijs dat wat het Oude Testament vooruitzag, nu is aangebroken met de komst van Jezus. Jezus' antwoord op de vraag van Johannes de Doper, "armen ontvangen het evangelie", benadrukt de centrale rol van deze verkondiging. De genezingen die Hij verrichtte, waren een teken, maar de climax lag in de prediking van het evangelie.
Voor Jezus was het verkondigen van het evangelie de kern van zijn identiteit als de verwachte Messias. Ook de apostelen kregen de opdracht het evangelie te verkondigen, eerst tijdens Jezus' aardse omwandeling en na Pinksteren in een uitgebreid zendingswerk. Het werkwoord 'verkondigen' werd hierdoor een specifieke zendingsterm, zoals te zien is in de brieven van Paulus.
Paulus paste de profetie uit Jesaja 52:7, over de vreugdebode, toe op de verkondigers van het evangelie: "Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die een goede boodschap brengen". Dit benadrukt dat in de door Christus gezonden verkondigers, Christus zelf werkt en spreekt.
Het Evangelie in de Hellenistische Wereld
Toen het evangelie van de aangebroken heilstijd zich verspreidde in de hellenistische wereld, kreeg het woord 'evangelie' een nieuwe lading. Binnen de opkomende keizercultus werd de keizer als meer dan een gewoon mens beschouwd; zijn leven werd gevierd als een bewijs van goddelijk ingrijpen, wat leidde tot de verkondiging van 'evangeliën'. De geboorte van keizer Augustus werd bijvoorbeeld beschouwd als het begin van de evangeliën die om zijnentwil waren uitgegaan.
De hellenistische wereld was gevuld met dergelijke 'evangeliën'. De verkondiging van het ene, ware evangelie kreeg hierdoor een sterk antithetisch element. Pas later kreeg het woord 'evangelie' de betekenis van 'evangelieboek'.
Het Evangelie als Boek en Inhoud
In de vroege kerk, rond de tweede eeuw, werd het woord 'evangelie' nog niet gebruikt in de zin van een evangelieboek. Ignatius van Antiochië verwees naar het evangelie als het vlees van Jezus, wat duidt op de inhoud. Ook in de eerste brief van Clemens en de Didachè wordt 'evangelie' niet als boek geïnterpreteerd, maar eerder als de leer of de geboden van Jezus.
Sommige kerkvaders gebruikten 'evangelie' om het hele Nieuwe Testament aan te duiden, in tegenstelling tot het Oude Testament. Irenaeus, die rond 185 schreef, verdeelde de Schrift in profeten en evangeliën. Tegelijkertijd gebruikte hij het woord 'evangelie' ook al in de zin van een specifiek evangelieboek.
Het is belangrijk om te realiseren dat het woord 'evangelie' oorspronkelijk verwees naar de verkondiging van de blijde boodschap. Het geschreven evangelie is direct verbonden met deze verkondiging, zowel qua herkomst als doel. De oudkerkelijke traditie is het erover eens dat de geschreven evangeliën gebaseerd zijn op de mondelinge prediking.
De evangeliën geven geen neutrale informatie, maar zijn geschreven met een specifiek doel: het geloof. Ze beschrijven wat nodig is voor het geloof, met een sterke nadruk op Jezus' sterven en opstanding. Deze nadruk verklaart waarom een onevenredig groot deel van de evangeliën hieraan wordt besteed, terwijl de periode vóór Jezus' publieke optreden, en zelfs zijn geboorte, minder aandacht krijgt.