Ontstaan en Evolutie van de Evangelische Kerk

De term evangelisch kent verschillende betekenissen en is in de loop der eeuwen gevormd. In Nederland ontstond in de tweede helft van de twintigste eeuw een tegenstelling tussen 'gereformeerd' en 'evangelisch'. De term 'reformatorisch' wordt hier bewust niet gebruikt, omdat dit woord eerder een groeps­aanduiding is geworden dan een weerspiegeling van innerlijke overtuiging.

In de Engelssprekende wereld heeft het woord evangelical een andere connotatie dan het woord evangelisch in Nederland. Het verwijst daar naar de wens om trouw te zijn aan de boodschap van het Evangelie. Oorspronkelijk was het woord evangelisch een positief geladen term. In de zestiende eeuw werden aanhangers van de Reformatie zo genoemd, als tegenstanders van de pausgezinden. De Lutherse Kerk in Duitsland heet dan ook de Evangelische Kirche. De Statenvertaling van de Bijbel getuigt van deze positieve betekenis, met vermeldingen als de 'eerste evangelische belofte' en een 'evangelisch en gereformeerd christen'.

In de achttiende eeuw, toen Anglicaanse voorgangers de boodschap van vrije genade, rechtvaardiging door geloof en wedergeboorte door Gods Geest verkondigden, sprak men van een Evangelical Revival. Deze opleving, die parallellen kende met en zich uitbreidde naar andere delen van het Britse rijk, vond haar wortels in de Holy Club in Oxford. Vrijwel alle leden van deze club ondervonden moeilijkheden met de hoogkerkelijke vroomheid en werden belijders en predikers van het Evangelie van vrije genade. George Whitefield was de eerste die het licht van het Evangelie zag, gevolgd door de broers John en Charles Wesley, en andere Anglicaanse predikanten zoals John Berridge.

Whitefield kan als een model voor de evangelicals worden gezien. Hoewel hij trouw bleef aan de Kerk van Engeland, kon hij over kerkmuren heen kijken en voelde hij zich geestelijk meer verbonden met afgescheidenen dan met veel anglicanen. In de Engelse koloniën in Amerika werd hij zowel door congregationalisten als presbyterianen hartelijk ontvangen.

Theologisch waren de achttiende-eeuwse evangelicals, met uitzondering van de gebroeders Wesley, voluit calvinistisch in hun genadeleer. De Wesleys werden getypeerd als inconsequente calvinisten, arminiaans in de leer van de verkiezing, maar feitelijk calvinistisch in de leer van de wedergeboorte. Ondanks de continuïteit met de Reformatie en het puritanisme, kenmerkt het evangelicalisme zich door een andere toonzetting, mede door het sterk internationale karakter. Terwijl de Reformatie en het puritanisme zich richtten op een christelijke samenleving en overheid, stellen de achttiende-eeuwse evangelicals het individu centraal en spreken hen aan op hun christelijke roeping. Dit leidde tot het ontstaan van diverse genootschappen, met name op het gebied van zending.

Het Evangelical Revival bracht een nieuwe stroming in het protestantisme: het methodisme. Opmerkelijk is dat, hoewel de gebroeders Wesley hoogkerkelijker dachten dan Whitefield, juist hun volgelingen buiten de Kerk van Engeland kwamen, terwijl die van Whitefield dat grotendeels niet deden. Het Evangelical Revival beïnvloedde alle protestantse stromingen in het Britse rijk: anglicanen, presbyterianen, congregationalisten en baptisten. Pas in de twintigste eeuw voelden ook de lutheranen in de Verenigde Staten de invloed ervan.

Kenmerkend voor evangelicals is de aanvaarding van de Bijbel als het Woord van God en enige richtlijn voor geloof en leven, het centraal stellen van het kruis van Christus, de noodzaak van bekering en het ontplooien van activiteiten gericht op Gods kerk en koninkrijk. Doordeweekse (gebeds)samenkomsten en huisgodsdienstoefeningen waren kenmerkend voor het kerkelijke en gezinsleven.

De negentiende eeuw wordt beschouwd als de bloeitijd van de evangelicals, met name de eerste helft. Het evangelie van Gods genade klonk uit talloze kansels in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Theologisch varieerden de negentiende-eeuwse evangelicals van uitgesproken arminianen tot strenge calvinisten. De Amerikaan Charles Finney was een uitgesproken arminiaan en geloofde dat geestelijke opleving mede afhankelijk was van de juiste middelen en inzet.

De negentiende eeuw bracht ook figuren als Spurgeon, Ryle en McCheyne. In de tweede helft van deze eeuw vonden echter ook binnen evangelische kringen de Schriftkritiek en moderne theologische inzichten ingang, wat leidde tot de termen 'liberal' of 'progressive evangelical'. Spurgeon waarschuwde in zijn latere jaren tegen deze theologische ontwikkelingen.

In de eerste helft van de twintigste eeuw vervreemdde een aanzienlijk deel van de evangelicals zich van hun wortels. Na de Tweede Wereldoorlog, met name in de Verenigde Staten, veranderde dit met de opkomst van figuren als Billy Graham. Hierdoor werden de evangelicals opnieuw een belangrijke factor. Deze periode zag ook een herleving van het calvinisme in de Angelsaksische wereld.

De laatste decennia is de beweging van evangelicals zeer breed en divers geworden. Sommige theologen accepteren Schriftkritiek en wijzen de leer van verzoening door voldoening af, terwijl ze zich toch evangelical noemen. Dit leidt tot de klacht dat de term 'evangelical' zijn betekenis verliest. Verheugend is echter de groei van het christendom op het zuidelijk halfrond en de oriëntatie op gereformeerde theologie onder pinkstermensen, die zich herkennen in de waarschuwing om emotie niet met waarachtig geloof gelijk te stellen.

Het evangelische christendom is een stroming binnen het orthodox-protestantisme, die ontstond uit de opwekkingsbewegingen in het Amerikaanse en Engelse protestantisme in de 18e en 19e eeuw. In de 20e eeuw verspreidde deze stroming zich wereldwijd. Engelse christenen worden 'evangelicals' genoemd, in Nederland spreekt men van 'evangelischen', 'evangelische christenen' of 'evangelicalen'. De nadruk ligt op de persoonlijke ervaring van verlossing door Jezus Christus. In Nederland wordt vaker de term 'evangelische beweging' gebruikt, hoewel 'evangelisch' tot misverstanden kan leiden.

Kerken die tot de evangelische beweging worden gerekend, zijn onder andere baptistenkerken, pinkstergemeenten, het Leger des Heils en diverse evangelische gemeenten. De eerste evangelische gemeenten en groepen in Nederland ontstonden aan het begin van de twintigste eeuw, na zendingswerk van Amerikaanse evangelisten. Hoewel de eerste baptistengemeenten al in 1845 ontstonden, hadden deze aanvankelijk een meer reformatorisch karakter. Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal evangelische kerken toe, met een piek in de jaren zeventig en tachtig. De Evangelische Omroep (EO) en de Evangelische Hogeschool speelden een belangrijke rol in de verspreiding van evangelische ideeën.

In de jaren zeventig profileerde de Nederlandse evangelische beweging zich als een tegenbeweging tegen de meer orthodoxe en conservatieve koers van traditionele kerken zoals de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Bekend is de EO-brochure 'De Bijbel in de beklaagdenbank' (1981). Geïnspireerd door de Amerikaanse 'Culture Wars', richtten de evangelischen zich op de onfeilbaarheid van de Bijbel, de strijd tegen de evolutietheorie en medisch-ethische onderwerpen. Hierdoor werden ze door velen in traditionele kerken als sektarisch en reactionair beschouwd.

De laatste jaren zijn de verhoudingen minder gespannen, mede door meer openheid binnen de evangelische beweging en veranderingen in traditionele kerken. Kritiek vanuit kleinere orthodox-gereformeerde kerken betrof de doop, individualistische geloofs­beleving, biblicisme en het ontbreken van een duidelijke kerkelijke structuur. Veel ondersteunende organisaties, zoals opleidingen en zendingsorganisaties, staan los van de gemeenten.

Het is lastig een duidelijke beschrijving te geven van de evangelische leerstellingen. De beweging kenmerkt zich meer door een gemeenschappelijke geloofs­beleving en liedcultuur dan door een gemeenschappelijke theologie. De Bijbel wordt beschouwd als het geïnspireerde Woord van God, met goddelijk gezag als norm voor geloof en leven. Jezus Christus wordt gezien als de eeuwige Zoon van God, die verlossing biedt van zonde en een eeuwig leven schenkt. De werking van de Heilige Geest, zowel in het persoonlijke leven als in de gemeente, wordt onderstreept. Een levend en persoonlijk geloof, gekenmerkt door bekering, een levende relatie met God en de vrucht van de Geest, is essentieel. De overtuiging dat zonde scheiding maakt tussen God en de mens, en dat verlossing door Christus mogelijk is, drijft evangelisatie. De gemeenschap met andere christenen is van levensbelang, omdat zij het lichaam van Christus vormen.

In de Verenigde Staten heeft het evangelische christendom verbindingen met 'christelijk rechts' en het neoconservatisme, waarbij veel evangelicals de Republikeinse partij steunen. In Nederland en België is dit minder uitgesproken. Evangelische christenen leggen nadruk op het belang van het gezin en wijzen homoseksualiteit en abortus af. De afwijzing van de vervangingstheologie, die de christelijke kerk als vervanging van het jodendom ziet, hangt samen met de opvatting dat de eindtijd nabij is, met name het ontstaan van de staat Israël als teken van de wederkomst van Jezus.

De Protestantse Kerk in Nederland (PKN), opgericht in 2004, verenigt de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk. De PKN is geworteld in de christelijke traditie en erkent de oude geloofsbelijdenissen. De kerk is ontstaan uit missionaire en oecumenische idealen, na een lange periode van voorbereiding en interne discussies.

Het evangelicalisme is een orthodox christelijke stroming binnen het protestantisme, met de persoonlijke ervaring van verlossing door Jezus Christus centraal. Het is oorspronkelijk een Angelsaksische stroming die teruggaat tot de Reformatie. In de Verenigde Staten is het evangelicalisme een wijdverbreide vorm van christendom. Vanaf het einde van de achttiende eeuw legden predikers en voorgangers in Angelsaksische landen sterk de nadruk op een persoonlijke keuze voor Jezus Christus en het leven door de Heilige Geest, wat leidde tot de beweging die bekend werd als evangelical.

Het woord 'evangelicaal' betekent 'het Evangelie centraal stellend'. Volgens evangelicals betekent 'Evangelie': "Wie Jezus gelooft en navolgt, is gered". De persoonlijke band met Jezus is bepalend voor geluk, hier en in het hiernamaals. Theoloog Alister McGrath onderscheidt het evangelicalisme van het protestantisme. Volgens hem heeft het protestantisme, een verzamelnaam voor kerken gebaseerd op de leer van hervormers als Luther, Zwingli en Calvijn, geen toekomst; die is voorbehouden aan het rooms-katholicisme, het oosters-orthodoxe geloof en het evangelicalisme.

Hoewel de christelijke gemeenschap van groot belang is, komt het lidmaatschap van een kerk bij evangelicals op de tweede plaats, na de persoonlijke ervaring van Christus' verlossing. Het evangelicalisme is derhalve geen kerkelijke stroming, maar een geloofsstroming die kerkelijke denominaties overstijgt.

De EO wordt soms 'evangelicaal' genoemd, maar profileert zich als protestants en evangelisch. De achterban bestaat uit aanhangers van kleinere gereformeerde en evangelische kerken, de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en een groeiend aantal katholieken. De EO wil mensen bereiken met het Evangelie van Jezus Christus via diverse media en activiteiten.

De geschiedenis van de kerk begint niet na het Nieuwe Testament, maar bij Adam en Eva in het paradijs. De kerkgeschiedenis richt zich op de manier waarop Christus Zijn kerk bijeenbrengt en in stand houdt, en hoe de duivel probeert deze te vernietigen. Het bestuderen van kerkgeschiedenis helpt bij het herkennen en bestrijden van dwaalleer.

De eerste gemeenten na Christus leefden in een Romeins-Hellenistische samenleving, gekenmerkt door het hellenisme: een vermenging van Griekse en oosterse culturen. Grieks was de wereldtaal, wat leidde tot vertalingen van het Oude Testament (de Septuagint) en onderscheid tussen Hebreeuws- en Griekssprekende Joden. Ethisch was het leven los en verdraagzaam, met een lossere seksuele moraal en een cultus rond diverse goden en de keizer. Er was een grote zucht naar welvaart.

De samenleving van het Nieuwe Testament was in beweging, losgeraakt van oude fundamenten en gekenmerkt door onzekerheid en verdraagzaamheid. Er was grote vrijheid om te geloven wat men wilde, maar deelname aan de keizercultus was verplicht om loyaliteit aan het rijk te tonen.

Filosofen als Marcus Aurelius en Celsus bekritiseerden het christendom. Christenen werden gezien als mensenhaters die zich afzonderden van de samenleving. Beschuldigingen van kannibalisme, bloedschande en huichelarij deden de ronde. Celsus beschouwde Jezus als een bedrieger en de wonderen en opstanding als verzinsels van zijn volgelingen. De leer van de menswording van God en de opstanding van het lichaam werd als belachelijk beschouwd.

Het syncretisme in het Romeinse Rijk, waarbij Griekse en Romeinse goden werden vermengd met die van andere volken, riep ergernis op bij de oproep om de HERE als enige God en Jezus Christus als enige Verlosser te erkennen. De Griekse godenwereld, met figuren als Zeus, Hera en Poseidon, was complex en vol intriges.

Ondanks negatieve reacties en vooroordelen overwon het evangelie van Christus de Romeins-Griekse samenleving. De brief aan Diognetus getuigt van de bijzondere levenswijze van christenen: zij wonen overal, maar leven als vreemdelingen; zij nemen deel aan alle zaken, maar verdragen alles; elk land is hun vaderland, en elk vaderland een vreemd land. Zij leven in het vlees, maar niet naar het vlees; zij leven op aarde, maar zijn hemelburgers.

Een illustratie van de vroege christelijke gemeenschap in het Romeinse Rijk, met symbolen van hun geloof en hun leven te midden van de heidense cultuur.

De evangelische beweging kan gered worden wanneer zij weer reformatorisch-evangelisch wordt, wat zij zowel de Schrift als haar historische wortels verplicht is.

tags: #wanner #begint #de #evangelie #kerk