Het Witte Kerkje: Een Historische Reis door de Eeuwen

Het verhaal van het Witte Kerkje is een reis door de tijd, beginnend met een bescheiden houten kerkje in de 11e eeuw in Noordwijkerhout, dat later plaatsmaakte voor een stenen opvolger, gewijd aan de apostelen Petrus en Paulus. De vroegste architectonische sporen dateren van vóór 1300, hoewel de eerste officiële vermelding van een kerk dateert uit 1378.

Schematische weergave van de ontwikkeling van het Witte Kerkje door de eeuwen heen

Een dramatisch keerpunt in de geschiedenis van het Witte Kerkje vond plaats in 1573. Na het tweede mislukte beleg van Leiden trokken Spaanse troepen plunderend door de streek en staken het gebouw in brand. Slechts het koor bleef lange tijd als een ruïne overeind staan. Pas rond 1618 kwamen er plannen voor herbouw, die in het eerste kwart van de 17e eeuw werden gerealiseerd. Het koor zelf werd pas in 1987 volledig hersteld, voortkomend uit de behoefte aan extra ruimte voor vergaderingen en jeugdactiviteiten.

Architectuur en Vroege Geschiedenis

Groft gesproken bestaat het Witte Kerkje uit drie hoofddelen: de toren, het schip en het koor. De onderste delen van de scheepsmuren en de toren zijn opgetrokken uit bakstenen met een afmeting die groter is dan circa 32x15x7,5 cm. Dit type baksteen wordt gedateerd van vóór 1350. Onderzoek heeft uitgewezen dat de oudste muurdelen op ongeroerde grond zijn geplaatst, wat duidt op een vroege oorsprong.

Rechts van de ingang van de toren bevindt zich een ruimte die tot 1900 dienstdeed als gevangenis. Hier werden veroordeelden ondergebracht die in het tegenover de kerk gelegen Rechthuys hun straf kregen.

Zowel voor als na de Reformatie was begraven in de kerk een veelvoorkomende praktijk. In de vloer van het oostelijke deel van het schip zijn zes oude grafstenen te vinden, die dateren van na de Reformatie. De wapens op de grootste grafsteen, gelegen aan de noordoostzijde, werden waarschijnlijk afgehakt tijdens de Bataafse Republiek.

De Reformatie en Latere Perioden

De huidige inrichting van de kerk weerspiegelt de typisch protestantse stijl, waarbij altaren, beelden en schilderingen verboden waren. De preekstoel bleef echter behouden en werd in 1663 verplaatst van de zuidzijde naar de oostzijde van de kerk.

Oorspronkelijk waren er vier koperen kroonluchters uit de 19e eeuw aanwezig in de kerk. Deze zijn echter spoorloos verdwenen tijdens de aanbouw in 1986. Het Lohmann orgel, met twee klavieren en een aanhangend pedaal, dateert uit 1841.

Interieur van het Witte Kerkje met de preekstoel en orgel

Odijk: Een Diepere Duik in de Geschiedenis

De Protestantse Gemeente te Odijk is onlosmakelijk verbonden met het Witte Kerkje aan de Zeisterweg 34. Dit eeuwenoude kerkgebouw, een Rijksmonument, fungeert tevens als officiële trouwlocatie van de gemeente Bunnik.

De oorsprong van dorp en kerk van Odijk ligt in de nabijheid van de Kromme Rijn, waar een belangrijke oversteekplaats de vestiging van de eerste nederzetting bevorderde. Bouwmaterialen voor het eerste kerkgebouw werden over het water aangevoerd. Het Witte Kerkje staat op een lichte verhoging nabij het water, met een geschiedenis die bijna duizend jaar teruggaat.

De exacte vorm van de eerste kapel is onbekend, maar archeologische vondsten zouden hierover wellicht meer kunnen vertellen. De oude kerk van Odijk leek sterk op de Oude of Sint-Stevenskerk in Werkhoven, waarmee het tot dezelfde parochie behoorde.

Giften van aanzienlijken, zoals de Heer van Beverweerd en Odijk, en van broederschappen zoals de Onze-Lieve-Vrouwe-Broederschap, maakten het onderhoud, de verfraaiing en uitbreiding van het kerkgebouw mogelijk. In 1547 werd besloten het koorgedeelte, dat nog in romaanse stijl was gebouwd, te vernieuwen en te vergroten om ruimte te bieden aan het hoofdaltaar en zijaltaren voor bijzondere devoties.

Het vernieuwde koor met transept werd in gotische stijl opgetrokken en verbonden met het oude romaanse schip. In 1548 werd de vernieuwde kerk gewijd door wijbisschop Nicolaas Simonszoon van Nieuwland, mede dankzij de giften van de Joffers Emmeken, Deliaen en Jutgen. Drie nissen werden in het vernieuwde koor aangebracht: een voor de liturgische handwassing en reiniging van het vaatwerk, en een kleinere voor het vaatwerk zelf. Ook werd ruimte gereserveerd voor speciale banken voor leden van onder andere de Onze-Lieve-Vrouwe-Broederschap.

Een visitatiecommissie in 1593 constateerde dat het kerkgebouw van Odijk in goede staat verkeerde, hoewel het aantal kerkgangers was teruggelopen tot een groep van 75 protestanten die de Reformatie hadden gevolgd, samen met pastoor Evert Aelbertszoon. De overige parochianen weken uit naar de katholieke kerk in Bunnik.

In de twee eeuwen die volgden, raakte het kerkgebouw in verval. Toen het kerkgebouw tijdens de Franse tijd, bij de scheiding van kerk en staat, in bezit kwam van de hervormde gemeente, bleek deze niet in staat het te onderhouden. Een zware storm op 3-4 maart 1818 dwong tot de afbraak van de toren, het schip en het transept. De fundamenten van de oude kerk bevinden zich nog steeds onder het grind voor de kerk en het schapenweitje.

In 1857 werd een consistoriekamer aangebouwd, die tevens dienstdeed als catechisatie- en vergaderruimte. Herstelwerkzaamheden waren nodig in 1877, gevolgd door een restauratie in 1913 met ingrijpende structurele aanpassingen. Het interieur onderging ook veranderingen: in 1933 werd een middenpad door het bankenpatroon van 1842 aangelegd, en in 1967 werden de banken vervangen door stoelen.

De groei van de hervormde gemeente in de tweede helft van de 20e eeuw leidde tot een toename van activiteiten en de behoefte aan nevenruimten. De oude consistorie werd na een brand in 1966 vernieuwd en vergroot.

De Patroonheilige van Odijk

Een oude traditie wees Sint Nicolaas aan als de patroonheilige van de kerk in Odijk, mede gevoed door zijn afbeelding op het oude gemeentewapen. Onderzoek door rijksarchivaris C. Dekker maakte in 1983 echter aannemelijk dat de heilige Heribert de patroonheilige van Odijks oudste kerk zou zijn. Een luidklok uit 1505, die zich nu in Slot Zeist bevindt en afkomstig zou zijn uit de kerktoren van Odijk, draagt de naam Sint Heribert.

Heribert, geboren rond 970, diende Otto III als kanselier en werd aartsbisschop van Keulen. Hij stichtte in 1002 een abdij te Deutz bij Keulen. In 1019 schonk hij, uit het bezit dat hij van de keizer had ontvangen, drie hoeven aan de abdij, waaronder een hof te Odijk. Of de abdij in de twee eeuwen daarna een kapel liet bouwen is onbekend. In 1230 stond er echter een kapel in Odijk die in 1505 over een luidklok met de naam Heribert beschikte. Vanwege de zeldzaamheid van Heribert als patroonheilige in deze regio, vervaagde zijn herinnering en werd hij aangezien voor de populaire Sint Nicolaas.

Afbeelding van de heilige Heribert

De Torenhaan en het Orgel

De restauratie van het Witte Kerkje bracht ook de geschiedenis van de torenhaan naar boven. Mogelijk stamt deze uit de 19e eeuw, toen het Witte Kerkje ontstond uit een grotere, vervallen kerk. Een storm in 1819 leidde tot de afbraak van de toren en het schip. Publieke veilingen van sloopmateriaal in 1821 leverden onduidelijkheid op over de resten van de oude torenhaan en het kruis.

De haan, geïnspecteerd in juni 2008, leek ondanks zijn leeftijd van 180 jaar nog in goede staat.

Het Orgel van het Witte Kerkje

Tot circa 1850 werd de gemeentezang in Odijk geleid door de voorzanger. In 1865 werd een monumentaal Künckel-orgel uit 1783 aangeschaft, dat dienstdeed tot 1933 en vervolgens voor ƒ 500,- werd verkocht aan de Hervormde Gemeente van Hoorn.

Het Verweijs-orgel, oorspronkelijk bestemd voor het conservatorium te Utrecht, werd omgebouwd tot twee orgels met twee klavieren. Eén daarvan kwam in Odijk te staan, het andere in de Hervormde Kerk van Cothen. Vanwege de vele gebreken werd in 1970 advies gevraagd aan de Orgelcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk.

Het rapport van de Orgelcommissie, gedateerd 13 maart 1970, was kritisch: het aantal registers bleek schijn, gebaseerd op transmissie, en het pijpwerk was van inferieure, fabrieksmatige makelij.

Naar aanleiding van dit rapport werd Orgelbouwer K.B. Blank & Zoon gecontracteerd voor de bouw van een nieuw orgel. Op 30 mei 1974 werd het twee-klaviers orgel met vrij pedaal, bestaande uit 11 stemmen en 1 transmissie, feestelijk overgedragen aan de gemeente. Het houtsnijwerk werd verzorgd door plaatsgenoot Blitterswijk.

In 1991 werden reparaties uitgevoerd door firma Blank, en in 1992-1993 werd het orgel voltooid met de toevoeging van een nieuwe Vox Humana 8’ in het Rugwerk en 18 nieuwe houten pijpen voor de Bourdon 16’ in het pedaal.

Koppelingen omvatten Hoofdwerk - Rugwerk b/d en Pedaal - Hoofdwerk. Het orgel weegt 2.500 kg. De orgelgaanderij moest worden versterkt en uitgebreid, waarbij vele vrijwilligers bijdroegen aan de werkzaamheden en fondsenwerving.

Het orgel werd als te groot voor de kleine kerk van Odijk ervaren, met een schel en doordringend geluid bij volle registratie. In 2004 werd de luchtdruk verlaagd, wat resulteerde in een vriendelijker en milder geluid.

De Kerkboomgaard, Pastorietuin en Begraafplaats

Rond het Witte Kerkje bevinden zich de kerkboomgaard, de pastorietuin en de begraafplaats, die samen de oudste groene kern van Odijk vormen. Hoewel er in de loop der jaren veel is veranderd, getuigen oude eiken, perenbomen en een magnoliaboom van een zichtbare erfenis uit het verleden, en genieten zij gemeentelijke bescherming.

Honderd jaar geleden beschreef mevrouw De Vrijer-Struijs, echtgenote van dominee De Vrijer, de pastorietuin als een "pleziertuin" met een grote moestuin en een klein park met laantjes, een eilandje en twee bruggetjes.

De begraafplaats lag oorspronkelijk direct naast de kerk. In 1948 en de jaren daarna werd de pastorietuin geleidelijk ingekrompen en de begraafplaats uitgebreid. De begraafplaats is een van de weinige protestantse begraafplaatsen in de provincie.

De oudste graven, vanaf 1837, bevinden zich rechts van de ingang. Latere graven in dat gedeelte, vanaf circa 1900, zijn geruimd, met uitzondering van enkele graven met voortdurende grafrechten. Twee rijen urnengraven bevinden zich nu in dat gedeelte.

Aan de rechterzijde, komend van de Zeisterweg, ligt een boomgaard die tot het kerkbezit behoort en nog enkele oude perenbomen telt. Vroeger graasden hier de 'kerkschapen' van de diakonie. In de grond bevinden zich waarschijnlijk nog resten van de vroegere grote kerk.

De zomereiken voor de pastorie zijn ongeveer honderd jaar oud. Daarachter staat een grote magnolia, die elk voorjaar uitbundig bloeit.

Links bevindt zich de ingang van de begraafplaats. Direct vooraan rechts zijn drie zeer oude graven (1837). Aan de linkerkant, tegen de kerkmuur, staan nog enkele oude grafstenen van graven uit het begin van de vorige eeuw. Op de plaats van de huidige urnengraven bevonden zich vroeger graven van rond 1900.

Rechtdoor tot aan de consistorie, waar links de grafsteen van dominee Van Haaften (predikant te Odijk van 1930 tot 1943) staat. Het pad rechts volgend, komt men langs de uitbreidingen van 1948, 1967 en 1992. Aan het einde, na twee keer rechtsaf, bereikt men het nieuwe gedeelte uit 2004. Door het middelste vak links over te steken, komt men bij een opening in de heg, waarna een overgangszone naar de pastorietuin met gevarieerde beplanting volgt. Vandaar gaat men linksaf.

Terug via het grindpad komt men weer uit bij de oude eikenbomen en de voorkant van het Witte Kerkje. De inzet van enthousiaste vrijwilligers zorgt ervoor dat dit oudste stukje van Odijk bewaard blijft.

Heiloo: Een Kerk met een Geschiedenis van Ruim Duizend Jaar

De geschiedenis van de Witte Kerk in Heiloo, of een kerk op dezelfde locatie, reikt terug tot de eerste helft van de achtste eeuw, toen de eerste christenpredikers zich in de regio vestigden. Opgravingen tijdens de restauratie van de kerk in 1964-1966 brachten resten aan het licht van een houten kerkje dat mogelijk rond 725 werd gebouwd.

Volgens de overlevering ontspringt de waterput bij de kerk door toedoen van Willibrord en draagt daarom zijn naam. De put werd in 1881 vernieuwd naar een ontwerp van P.J.H. Cuypers, met een smeedijzeren hekwerk in neogotische stijl en een putstolp met pomp.

In 739 overleed Willibrord in het door hem gestichte klooster te Echternach, Luxemburg, waarbij hij zijn bezittingen naliet aan deze kloosterorde. In 1063 wordt de kerk van Heilegelo, zoals Heiloo destijds heette, voor het eerst vermeld in een oorkonde betreffende het eigendomsrecht.

Na conflicten tussen de graven van Holland, de Echternachse abdij en de bisschop van Utrecht, werd in 1156 een overeenkomst gesloten waarbij het klooster van Echternach zijn aanspraken liet vallen en de graven van Holland officieel eigenaar werden.

Begin 12e eeuw werd op de plaats van het houten kerkje een tufstenen kerk gebouwd. Het schip mat 21 bij 10 meter en ging over in een koor van ongeveer 9 bij 7 meter, afgesloten door een halfronde absis. De huidige toren dateert uit het begin van de 13e eeuw.

Het tufstenen kerkje, gebouwd op de strandwal, fungeerde als 'moederkerk' voor vele dochterkerken in de omgeving. In de eerste helft van de 15e eeuw werd de kerk uitgebreid met een transept en een gotisch koor van 16 meter. De toren werd tevens verhoogd om aan te sluiten bij de grotere hoogte van het nieuwe gotische gedeelte.

Tijdens een gewapend conflict tussen rondtrekkende geuzenbenden en Spaanse troepen werd de kerk van Heiloo door de geuzen in brand gestoken. Het gotische koor en dwarsschip liepen hierdoor onherstelbare schade op. Van het oudere romaanse gedeelte bleven de noord- en westmuur intact, en ook de toren bleef grotendeels gespaard. Pas in 1632 werd het oude romaanse deel voldoende hersteld voor het houden van diensten.

De noordelijke zijmuur van de huidige kerk is nog de oorspronkelijke tufstenen muur uit de 12e eeuw, evenals de westelijke muur waartegen de toren werd gebouwd. De ruïnes van het gotische koor en dwarsschip bleven lang staan en werden pas in de tweede helft van de 18e eeuw afgebroken.

Vanaf de Reformatie was de kerk van Heiloo, of wat daarvan over was, bestemd voor de kleine gereformeerde geloofsgemeenschap. In 1586 kreeg Heiloo, samen met Egmond-Binnen, een eigen predikant, dominee Everard J. Loot. Vanwege de onbruikbaarheid van de kerk na de brand vonden de diensten waarschijnlijk plaats in particuliere huizen.

Na het vertrek van dominee Loot in 1591 en de problemen met zijn opvolger dominee Pieter Jansz., kon met Pinksteren in 1632, na het herstel van de kerk, weer een dienst worden geleid door dominee Justinius van der Meer. In 1633 vertrok deze predikant naar Haringhuizen en werd opgevolgd door dominee Curtius, die vervolgens naar Heiloo werd beroepen.

In 1650 werd in de kerk een graftombe aangelegd voor de leden van het geslacht Van Cats, destijds Heren en Vrouwen van de Heerlijkheid Heiloo en Oesdom.

De eerste predikanten leidden de diensten vanaf een eenvoudige, lage preekstoel zonder klankbord, geplaatst in het kerkschip tegen de zuidelijke zijmuur. Heiloo had in die tijd slechts enkele honderden inwoners. In 1494 telde het dorp 115 'haardsteden'. In 1795 woonden er 455 mensen, waarvan de meesten rooms-katholiek waren; slechts 37 gezinnen waren aangesloten bij de Witte Kerk.

Een eeuw later telde Heiloo ongeveer 1900 inwoners, waarvan 40 procent protestant. In 1948 was van de 10.000 inwoners minder dan 25 procent protestant, en in 1995 telde het dorp 21.000 inwoners, waarvan 1500 protestant.

Tijdens de Bataafse Republiek (1795-1806) werd de scheiding van kerk en staat doorgevoerd, en verloor de gereformeerde kerk haar gezag en invloed. De Nederlandse Hervormde Kerk ontstond mede door toedoen van koning Willem I en kreeg in april 1816 haar naam bij Algemeen Reglement.

De afgelopen twee eeuwen werd de kerk enkele malen grondig gerestaureerd. Bij de verbouwing van 1821 verhuisde de preekstoel naar een plaats voor de middelste muur van het koor. Het koor werd van de kerkzaal afgesloten door het doophek, dat nu rond de preekstoel staat.

In 1842 vond een grote onderhoudsronde plaats, voornamelijk gericht op dakherstel. In 1863 volgde opnieuw een grote restauratie, waarbij de volledige zuidmuur, die uit het lood was komen te staan, moest worden vervangen. Tijdens deze restauratie werd besloten de kerk wit te schilderen, waardoor de talloze herstellingen aan de muren minder opvielen. In 1863 werd ook de zerkenvloer in de kerk volledig gerestaureerd.

Vanaf dat moment was er een blijvend vlakke en stevige vloer in de kerk, aangezien begraven in de kerk verboden was.

De volgende restauratie vond plaats in de jaren 1964-1966, onder leiding van architectenbureau Rappange. De ingang van het kerkgebouw werd verplaatst naar de toren, de gietijzeren kozijnen werden vervangen door houten ramen, en de trans rond de toren verdween. Twee oorspronkelijke romaanse ramen in de tufstenen noordmuur werden weer zichtbaar gemaakt, en de oorspronkelijke ingang, het 'noormannenpoortje', werd vrijgemaakt en diende als nooduitgang.

Tijdens deze restauratie werd ook het interieur van de kerk ingrijpend veranderd. De preekstoel kreeg weer een plaats in het schip, tegen de zuidmuur, waardoor het in 1821 dichtgemetselde raam weer kon worden geopend. Het houten schot dat de kerkruimte in tweeën deelde, werd verwijderd, waardoor de ruimte voor kerkdiensten aanzienlijk werd vergroot. De orgelgalerij met het orgel werd richting de toren verplaatst en het oude orgel vervangen door een nieuw, mechanisch pijporgel.

De zerkenvloer werd tijdens de restauratie verwijderd en na de werkzaamheden hersteld, waarbij alle oorspronkelijke grafstenen weer zichtbaar in de vloer werden opgenomen.

De Kring van Heiloo

Een bijzondere periode in de geschiedenis van de Witte Kerk was de aanwezigheid van ds. J.P. Hasebroek (1812-1896), die in 1836 predikant werd in Heiloo. Hij betrok de pastorie, die hij omschreef als 'een lief, net huisjen, achter het groen van drie lindeboomen wegschuilende'.

De pastorie werd een ontmoetingsplaats voor dichters als Nicolaas Beets, A.L.G. Toussaint, Jacob van Lennep, W.J. Hofdijk en E.J. Potgieter. Deze groep jonge schrijvers/dichters ging de geschiedenis in als 'De kring van Heiloo'.

Nicolaas Beets nam Hasebroek kwalijk dat hij in Heiloo bleef hangen en niet opschoof voor hem, hoewel Hasebroek geen invloed kon uitoefenen op een beroeping elders.

Orgelgeschiedenis in Heiloo

In 1849 werd, door bemiddeling van predikant ds. Abresch, een orgel in de kerk geïnstalleerd. Hoewel het aankoopbedrag van 600 gulden door enkele personen werd toegezegd, was er aarzeling bij een deel van de kerkvoogden. Pas nadat ook een bedrag voor onderhoud en de kosten van een organist was toegezegd, werd het aanbod aanvaard. Het orgel bleek echter niet goed te voldoen en werd in 1862 vervangen.

L. Ypma, orgelbouwer te Alkmaar, bood aan een orgel met twee klavieren te plaatsen voor 1000 gulden. In 1936 vond groot onderhoud plaats, waarbij het tweede klavier werd gesloopt.

In 1966 werd het orgel volledig gerestaureerd door de Zaandamse orgelbouwer Flentrop, met gebruikmaking van een front met pijpen uit een orgel uit 1740. In het koor van de kerk staat een miniatuur orgel, een kabinetorgel uit circa 1810, dat voor koorzang kan worden gebruikt.

De Luidklok

De luidklok is in 1613 door Johannes Breutelt in het Duitse Altzey gegoten. Breutelt was een klokkengieter uit Litouwen. De klok heeft een doorsnede van 1,3 meter en weegt 1.370 kilo.

In de oorlogsjaren werd de klok aanvankelijk gespaard vanwege haar monumentale status, maar uiteindelijk toch uit de toren verwijderd. Tijdens transport per binnenvaartschip naar Hamburg liep het schip op het IJsselmeer aan de grond. Na de oorlog werden de klokken uit het water gevist en kreeg Heiloo zijn klok, volledig gerestaureerd, terug.

In het najaar van 2001 werd de laatste wekelijkse eredienst van de hervormde gemeente gehouden. De hervormden namen samen met de gereformeerden de Ter Coulsterkerk in gebruik.

De Witte Kerk wordt nu nog gebruikt voor huwelijken, bijzondere kerkdiensten, exposities en concerten. De concerten zijn niet meer weg te denken uit het culturele leven van Heiloo, met initiatieven die de sfeer en akoestiek van het gebouw benutten.

Nieuw-Vennep: Een Beeldbepalend Monument

Deze Nederlands Hervormde kerk werd in 1862 in gebruik genomen als eerste kerk van Nieuw-Vennep. Op 28 december 1864 werd de klok in de toren gehangen. Het kerkgebouw is een van de weinige overblijfselen uit die periode en beeldbepalend voor het centrum van Nieuw-Vennep.

Het gebouw, geïnspireerd op het Griekse kruis met neo-romaanse stijlmotieven, heeft twee nagenoeg identieke gevels aan de straatzijden, wit geverfd met grijze plinten. De daken zijn gedekt met grijze Oudhollandse pannen. Bovenop bevindt zich een achtkantige dakruiter met een met leien gedekte spits. In het open ondergedeelte hangt een luidklok, daarboven een uurwerk met vier wijzerplaten.

Vanwege funderingsproblemen is een grote scheur ontstaan in de muur. Een grondige en kostbare renovatie is noodzakelijk om dit beeldbepalende gebouw te bewaren.

Wist je dat de Witte Kerk een van de weinige historische gebouwen in Nieuw-Vennep is die nog steeds wordt gebruikt waarvoor ze ooit is gebouwd?

Abbekerk: Een Kerk met een Lange Geschiedenis

Het gebouw wordt genoemd in 1395 in de lijsten van de domfabriek in Utrecht. Abbekerk als plaatsnaam komt voor het eerst voor in 1310, waarbij 'Abbenkerke' zou verwijzen naar een kerk van de persoon of familie van Abbe(e).

In 1952 kreeg de kerk de witte bepleistering na de restauratie die in 1949 begon. Het Witte Kerkje is geen onderdeel meer van de Diaconie; de Stichting Het Witte Kerkje draagt zorg voor het onderhoud van het gebouw en de consistoriekamer. De toren is eigendom van de gemeente.

De torenklok werd gegoten in 1684, getuige het opschrift "AMSTELODAMI FECIT ME FREMIUS ANNO 1684".

Onder het orgel werd een briefje gevonden met de vermelding: "Het orgel gemaakt in het jaar 1865 Orgelmaker Knipscheer te Amsterdam, timmerman Klaas Hemmer te Abbekerk, oud 23 jaren, metselaar Jan Timmerman te Abbekerk. Groot voorstander van het daarstellen van het orgel Den Heer W. Groot, Kerkvoogt."

De toren werd pas in 1656 gebouwd. In 1859 werd de spits getroffen door de bliksem, maar in hetzelfde jaar hersteld. Tijdens de restauratie van 1949 werd de toren niet opnieuw gepleisterd, wat eerder wel het geval was.

In 1862 werd de consistoriekamer als een afzonderlijk gebouw naast de kerk opgetrokken. Tegenwoordig staat dit bekend als het Abbehuisje en wordt het gebruikt als schilderatelier.

De oudste bijbel dateert uit 1753. Alleen rijke mensen en notabelen kregen een plek in de kerk.

Ubbergen, Zaltbommel en Geesteren: Een Artistieke Verbinding

Het Witte kerkje van Ubbergen, de stad Zaltbommel en Geesteren delen een gemeenschappelijke factor: ze zijn terug te vinden in een twintigtal tekeningen die Coen baron Schimmelpenninck van der Oije in 2022 schonk aan het Gelders Archief. De geschonken tekeningen, uit de 18e en 19e eeuw, tonen topografisch-historische objecten of locaties.

Het kerkje in Ubbergen doet tegenwoordig dienst als trouw- en vergaderlocatie, expositieruimte en ruimte voor herdenkingsdiensten. Het godsgebouw kende een roerige geschiedenis en raakte tijdens de Tachtigjarige Oorlog zwaar beschadigd. Engelbert Michaël Engelberts tekende het kerkje in 1821.

Zaltbommel ('aan de Waal' staat er nadrukkelijk onder de tekening) heette oorspronkelijk Bommel. De geschiedenis van deze stad, Hanzestad met stadsrechten in 1315, gaat meer dan duizend jaar terug. De tekening van Johannes Hendricus Stark (1816-1901), gemaakt in de 19e eeuw, toont de Waal met boten, een molen en een toren. Centraal in de tekening staat de Sint Maartenskerk, een 15e-eeuws godshuis met karakteristieke stompe toren.

Geesteren, gelegen in de Achterhoek en vallend onder de gemeente Berkelland, is eveneens onderwerp van tekeningen uit 1758. Hier valt de hervormde kerk met zadeldak op, waarvan de oorsprong teruggaat tot de middeleeuwen. Mogelijk heeft Willem Writs de tekening gemaakt.

Tekening van het Witte Kerkje van Ubbergen uit 1821

tags: #het #witte #kerkje #nieuw