Ick wil mi gaen vertroosten: een diepgaand lied over boetvaardigheid en vergeving

Het lied 'Ick wil mi gaen vertroosten', dat in de volksmond ook wel bekend staat als 'Ik wil mij gaan vertroosten', is een belangrijk geestelijk lied met een rijke geschiedenis. Hoewel de precieze toeschrijving aan Johannes Brugman vaak wordt genoemd, ontbreken hiervoor concrete bewijzen. Het lied vindt zijn oorsprong in de Rooms-Katholieke kerk, wat duidelijk blijkt uit de thematiek van boetvaardigheid en berouw die door de tekst heen loopt.

Oorsprong en vroege publicaties

De oorspronkelijke tekst van 'Ick wil mi gaen vertroosten' werd voor het eerst gepubliceerd rond 1539 in 'Een devoot ende profitelijck boecxken', een franciscaans liedboek samengesteld door een anonieme minderbroeder. Dit liedboek, waarvan twee exemplaren bewaard zijn gebleven, bevatte 259 liederen en was bijzonder omdat het het eerste liedboekje was waarin Nederlandse teksten met melodieën werden genoteerd. De melodie van 'Ick wil mi gaen vertroosten' staat genoteerd op folio 37, gevolgd door de zeven coupletten van het lied.

Na deze eerste publicatie werd de liedtekst in de zestiende en begin zeventiende eeuw opgenomen in diverse liedbundels. Een opmerkelijke vermelding is het Liedboek van Anna de Tenniers, dat rond 1600 verscheen en een aantal door haar opgetekende liederen bevat. Het lied raakte echter in de vergetelheid, om pas in de negentiende eeuw herontdekt te worden.

illustratie van een oud liedboek met handgeschreven noten

Heruitgave en heropleving in de negentiende eeuw

De herontdekking van 'Ick wil mi gaen vertroosten' is grotendeels te danken aan de inspanningen van germanist en etnomusicoloog August Heinrich Hoffmann von Fallersleben en kerkhistoricus J.G.R. Acquoy. Zij wezen muziekhistoricus D.F. Scheurleer op het belang van 'Een devoot ende profitelijck boecxken'. Scheurleer zorgde in 1889 voor een heruitgave van dit liedboek, wat leidde tot de opname van het lied in diverse nieuwe liedbundels rond 1900. Bekende voorbeelden zijn 'Nederlandsche volksliederen voor gemengd koor' (1902) en 'Oude en nieuwe zangen' (1911) van S.M. van Woensel Kooy. Deze heruitgaven bevatten doorgaans de eerste drie coupletten van het oorspronkelijke lied.

Thematiek en structuur van de tekst

De tekst van 'Ick wil mi gaen vertroosten' ademt boetvaardigheid en berouw. Centraal staat de tegenstelling tussen het lijden van Christus en de vergeving van zonden die hierdoor mogelijk wordt. De lieddichter, terneergedrukt door zijn zondige leven, roept Jezus aan om zich over hem te ontfermen. De invloed van de Rooms-Katholieke traditie is voelbaar, met name door de aanroeping van Maria als 'Des sondaers toeverlaet' (toeverlaat van de zondaar).

De tekst is opgebouwd uit acht regels per couplet, met afwisselend zeven en zes lettergrepen en een rijmschema van a-B-a-B-c-D-c-D. De eerste strofe legt de nadruk op het lijden van de Heer, waarbij de regels 3-6 doen denken aan Christus in Getsemane. De refreinregel handhaaft de oude taalvorm 'Jesu' om te voorkomen dat 'O Jezus' als krachtterm wordt ervaren. Het tweede couplet verklaart de reden voor de aanroeping: ongehoorzaamheid, het niet opmerken van de liefde van de Heer, en een verloren leven.

De latere versie, die werd opgenomen in de bundel 'Liedboek - Zingen en bidden in huis en kerk', is een bewerking van Jaap Zijlstra. Hij schreef een nieuwe tekst die aansloot bij de oorspronkelijke, met behoud van de aanvangs- en slotregel. In deze nieuwe versie wordt de tegenstelling tussen de afkerige ik-persoon en de beminde Heer sterker benadrukt. De regel 'U bidt voor wie U hoonden' verwijst naar Lucas 23:34, waar de gekruisigde Jezus bidt voor zijn beulen. De slotstrofe verwoordt het doel van Christus' lijden ('om mijn zonden') en de dichter's toevlucht, die klinkt als een echo van Psalm 31:3: 'Hoor mij, haast u mij te helpen, wees voor mij een rots, een toevlucht, een vesting die mij redding biedt.' De versregel 'Mijn toevlucht is uw naam' is bijzonder treffend, aangezien de naam 'Jezus' 'Jahwe is redder' betekent.

De melodie: een sleutel tot populariteit

Ondanks het verouderde taalkleed van het oorspronkelijke lied, werd 'Ick wil mi gaen vertroosten' in de twintigste eeuw, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, populair. De melodie wordt gezien als een belangrijke factor in dit succes. De dorische melodie kenmerkt zich door het gebruik van uitsluitend kleine toonafstanden (secunden en tertsen) en een ritme dat voornamelijk in kwartnoten verloopt.

notenbalk met een melodielijn die een klagend karakter heeft

De melodieregels 1, 3 en 6 cirkelen rond één toon, de 'roeptoon' (dominant). De drievoudige herhaling van deze toon aan het begin van deze regels geeft ze een uitgesproken roepend karakter, wat perfect aansluit bij de smeekbeden in de tekst. De melodie beweegt zich voornamelijk tussen de finalis d' en de dominant a', binnen het zogenaamde hexachord naturale. Een enkele bes' in regel 1 en 3, de 'fa super la', draagt bij aan het klagende, roepende karakter.

De melodie begint met een dalende lijn van la (a') naar re (d') in de eerste twee regels, die herhaald worden in regel 3 en 4. Regel 5 contrasteert hiermee met een stijgende beweging van re naar la. Het hoogtepunt van de melodie wordt bereikt in de voorlaatste regel, waar de melodie kortstondig in een hogere ligging komt, het hexachord molle (f'-d''). Hier volgt een kort melisme van twee achtste noten, wat de smekende bede in de ritmiek hoorbaar maakt. De melodie keert vervolgens terug naar het naturale hexachord, wat de luisteraar een gevoel van rust en geborgenheid geeft na de intense smeekbeden.

Het lied werd ook opgenomen in de bundel 'Het oude Nederlandsche lied', uitgegeven door Florimond van Duyse tussen 1903 en 1908. De versie voor de protestantse kerken werd opgenomen in de 'Psalmen en gezangen voor den eredienst der Nederlandsche Hervormde Kerk'.

Variations on an old Dutch song Ick wil mij gaen vertroosten

tags: #ik #wil #mij #gaan #vetroosten #gezang