Uitleg van het avondlied: 'k Wil U, o God, mijn dank betalen'

Het avondlied ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’, dat in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, kent een rijke geschiedenis die teruggaat tot de Evangelische Gezangen uit 1806. In deze bundel, waarin de namen van dichters en componisten niet werden vermeld, ontstond er onduidelijkheid over de auteurschap van de liederen. Dit gold ook voor gezang 180, waarvan de totstandkoming lange tijd onderwerp van discussie is geweest.

Ontstaan en auteurschap

Oorspronkelijk verscheen het lied in de Evangelische Gezangen uit 1806 als gezang 180. Door het ontbreken van vermelding van dichters en componisten, heeft men zich nadien afgevraagd wie de makers waren. Voor gezang 180 werden aanvankelijk de namen van Herman Adriaan Bruining (1738-1811) en Abraham Rutgers (1751-1809) genoemd, beiden lid van de samenstellingscommissie van het gezangboek. Diverse predikanten hebben in de negentiende eeuw pogingen gedaan om de auteurs van de Evangelische Gezangen te achterhalen.

In zijn brochure Namen van de Dichters der Evangelische Gezangen en der componisten van eenige, in Nederlandsche Hervormde Kerk gebruikelijke koraalmelodiën (Deventer 1847, eerdere uitgave: Elberfeld 1837) vermeldde Jan Hendrik Hulsken op pagina 10 dat gezang 180 door Bruining en Rutgers is gemaakt, zonder hierbij echter een onderbouwing te geven.

Op basis van archiefstukken van de redactie is later de conclusie getrokken dat Bruining de enige auteur zou zijn. Echter, het archief is beperkt en geeft voornamelijk formele besluiten weer, zonder gedetailleerde informatie over de herkomst van de liederen.

In 1917 meldde A.W. Bronsveld (1839-1924) dat Rutgers waarschijnlijk betrokken was bij de redactie van het gezang. Hij citeerde daarbij het tweede couplet van de ‘Avondzang’ uit de bundel Liederen voor den huiselijken godsdienst uit 1803, dat door Rutgers gedicht was (A.W. Bronsveld, De Evangelische Gezangen: Historisch-letterkundig onderzoek, Utrecht 1917, 448).

Hoewel tegenwoordig Bruining als dichter wordt aangeduid, zijn er argumenten om Rutgers als medeauteur te beschouwen. Het is zinvol om, anders dan Bronsveld deed, het gehele lied uit Liederen voor den huiselijken godsdienst te bekijken.

Vergelijking met 'Liederen voor den huiselijken godsdienst'

Niet alleen het tweede, maar ook het eerste couplet van de ‘Avondzang’ vertoont overeenkomsten met ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’. Elementen uit dat eerste couplet zijn terug te vinden in de oorspronkelijke eerste twee coupletten van het avondlied.

Bovendien is het bij onderzoek naar de herkomst van liederen belangrijk om ook de melodie mee te nemen, iets wat in de negentiende en begin twintigste eeuw niet altijd gebeurde. In Liederen voor den huiselijken godsdienst werd dezelfde melodie gebruikt als bij ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’. De wijsaanduiding ‘O süsser Stand, o selges Leben!’ werd ook in de Evangelische Gezangen toegepast.

Deze observaties leiden tot de overtuiging dat het tweestrofige lied van Rutgers de oorspronkelijke tekst was. Herman Bruining heeft deze tekst later, mogelijk in overleg met Rutgers, bewerkt en uitgebreid met drie strofen voor de Evangelische Gezangen. Hierdoor kunnen Rutgers en Bruining beschouwd worden als auteurs van de strofen 1 en 2 in het Liedboek, en Bruining als auteur van strofe 3.

Mogelijke Duitse invloeden en thematiek

In het verleden zijn er Duitse liederen en gedichten genoemd als mogelijke bronnen voor het Nederlandse avondlied. Echter, overtuigende overeenkomsten zijn nooit aangetoond. Het feit dat de vermeende voorbeelden andere strofevormen en dus andere melodieën gebruiken, maakt ontlening onwaarschijnlijk. Daarnaast zijn er inhoudelijke bedenkingen tegen de gesuggereerde overeenkomsten.

In het eerste couplet wordt God voorgesteld als het licht dat aanwezig blijft wanneer het zonlicht verdwijnt. Net zoals het licht de mens omringt, zo heeft God ‘mij’ met zijn genade omgeven. De regels ‘meer dan een vader zorgdet Gij’ (regel 6) en ‘zulk een ontfermer waart Gij mij’ (regel 8) kunnen een verwijzing zijn naar Psalm 103:13, die spreekt over de ontferming van de Heer over wie Hem vrezen.

Achttiende-eeuwse avondliederen focussen vaak meer op de zorgen en moeilijkheden van de dag dan op de prettige ervaringen. Dit geldt ook voor strofe 2 van Liedboek 245. Een ander veelvoorkomend aspect in avondliederen is dat Gods zorg gedurende de dag als ‘genade’ wordt aangeduid, die de zanger niet heeft verdiend.

Voorbeeld uit het lied:

Dank, Vader! Dank voor die genade! Verdiend’ ik zulks, ik zondaar? Neen! Sloegt Gij naar ’t regt mijn zonden gade, Waar bergd’ ik mij, waar vlugtt’ ik heen?

Een standaardelement in avondliederen is de blik naar de toekomst, zowel naar de komende nacht als naar het einde van het menselijk leven. In ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’ werd dit oorspronkelijk in de strofen 4 en 5 gedaan. Strofe 4, die niet meer in het Liedboek staat, greep terug op de lofprijzing waarmee het lied in couplet 1 begon.

Oorspronkelijke strofe 4:

Laat uwe hand mij nu ook dekken, ‘k Verlaat m’ op U, ook in den nacht, U word’, als Gij mij weêr zult wekken, Op nieuw mijn lofzang toegebragt.

De vijfde strofe (in het Liedboek couplet 3) is qua opbouw vergelijkbaar met de vierde. Het eerste deel behandelt de afwisseling van dag en nacht, terwijl het tweede deel ingaat op het einde van het leven, de ‘avond van mijn leven’. De ik-persoon belooft opnieuw Gods lof te zingen, en stelt dat aan het einde van zijn leven deze lof ‘hoger, reiner’ zal zijn.

Centraal in dit couplet staat de onveranderlijke trouw van God, waarvan de zanger zeker kan zijn. De strofevorm bestaat uit acht regels van afwisselend negen en acht lettergrepen in jambisch ritme, met een rijmschema van aBaBcDcD.

Melodie en muzikale kenmerken

In de Evangelische Gezangen stond boven het lied de aanduiding ‘Wijze: Gezang 9’. Boven gezang 9 stond genoteerd: ‘Wijze: O süsser Stand, o selges Leben!’. Dit betrof een achtstrofig lied van de piëtistische dichter Johann Joseph Winckler (1670-1722).

De melodie is echter oorspronkelijk gecomponeerd voor een ander lied: ‘Die Tugend wird durchs Kreuz geübet’, een tekst van Johann Christian Nehring (1671-1736). Deze tekst en melodie werden voor het eerst gepubliceerd in het invloedrijke Geistreiches Gesangbuch (Halle 1704, nr. 307) van J.A. Freylinghausen.

De melodie werd, naast de twee genoemde teksten, ook gekoppeld aan andere liederen, waaronder ‘Wie gross ist des Allmächtigen Güte’ van Christian Fürchtegott Gellert (1715-1769). Met deze tekst werd de melodie ook opgenomen in katholieke liedbundels.

Toen de melodie in Nederland bekend werd, betrof dit een variant van het origineel. De wijzigingen resulteerden in een strikt isometrische melodie, waarbij verschillende notenwaarden werden teruggebracht tot één. De populariteit van de F-groot-melodie werd mede bevorderd door de vele herhalingen: regel 1 wordt herhaald in regel 3 en 7, en het begin van regel 1 keert terug aan het einde van regel 5.

Kenmerkend voor de eerste (derde, zevende) regel is de krachtige opwaartse beweging via een kwart- en kwintsprong, met F-groot akkoorden (f’-a’-c”) als steunpunten. Opvallend is ook de verbinding tussen regel 1 en 2 via de ritmische formule kwart-achtste | achtste-kwart. Waar regel 1 voornamelijk gebaseerd is op het F-akkoord, wordt in regel 2, die gelijk is aan regel 4, de dominant c” bevestigd, onder meer door de leidtoon b’. De robuuste werking van regel 1 blijft in regel 2 aanwezig door de tweevoudige kwartsprongen.

Het gepuncteerde ritme aan het einde van de regels 2, 4 en 6 is typerend voor basso continuomelodieën, wat duidt op melodieën die de componist van een becijferde bas voorzag.

Terwijl de regels 1 tot en met 4 meer als een statement kunnen worden getypeerd, hebben de regels 5 en 6 een meer beschouwend karakter.

Tekstfragment dat vaak wordt geciteerd:

‘Gij woudt mij met uw gunst omringen, meer dan een vader zorgdet Gij. Gij milde Bron van zegeningen! Zulk een ontfermer waart Gij mij’

Deze woorden komen uit het bekende christelijke lied ‘’k Wil U, o God, mijn dank betalen’. Het lied, dat onder veel christenen bekend is, werd onlangs nog gezongen tijdens een samenzangavond in de Grote Kerk van Hasselt.

Illustratie van een oude kerk met avondzon, die de sfeer van het avondlied weergeeft.

Liedboekversies en selectie van strofen

Het avondlied telde oorspronkelijk vijf coupletten. In de ‘Hervormde Bundel 1938’ werd het lied als gezang 280 opgenomen met aanpassingen in strofe 3. Vervolgens verscheen het in de Honderdnegentien gezangen (1964, gezang 110), maar dan zonder de strofen 3 en 4.

Andere bundels volgden deze selectie van strofen (1, 2 en 5):

  • Liedboek voor de kerken (1973, gezang 390)
  • Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 774)
  • Het Liedboek

De bundel Op toonhoogte (editie 2005, nr. 128b; editie 2015, nr. ...)

Het Gereformeerd Kerkboek is in 1975 voor het eerst verschenen als proefbundel. De definitieve versie kwam uit in 1986. De inhoud van de bundel is hieronder weergegeven, met links naar alle liederen.

De volgende liederen worden in de bundel genoemd:

  • 149 Halleluja!
  • 1.
  • 2.
  • 3.
  • 4.
  • 5.
  • 6.
  • 7.
  • 8.
  • 9.
  • 10.
  • 11.
  • 12.
  • 13.
  • 14.
  • 15.
  • 16.
  • 17.
  • 18.
  • 19.
  • 20.
  • 21.
  • 22.
  • 23.
  • 24.
  • 25.
  • 26.
  • 27.
  • 28.
  • 29. Troost, troost mijn volk!
  • 30.
  • 31.
  • 32.
  • 33.
  • 34.
  • 35.
  • 36.
  • 37.
  • 38.
  • 39.
  • 40.
  • 41.
  • 42.
  • 43.
  • 44.
  • 45.
  • 46.
  • 47.
  • 48.
  • 49.
  • 50.
  • 51.
  • 52.
  • 53.
  • 54.
  • 55.
  • 56.
  • 57.
  • 58.
  • 59.
  • 60.
  • 61.
  • 62.
  • 63.
  • 64.
  • 65.
  • 66.
  • 67.
  • 68.
  • 69.
  • 70.
  • 71.
  • 72.
  • 73.
  • 74.
  • 75.
  • 76.
  • 77.
  • 78.
  • 79.
  • 80.
  • 81.
  • 82.
  • 83.
  • 84.
  • 85.
  • 86.
  • 87.
  • 88.
  • 89.
  • 90.
  • 91.
  • 92.
  • 93.
  • 94.
  • 95.
  • 96.
  • 97.
  • 98.
  • 99.
  • 100.
  • 101.
  • 102.
  • 103.
  • 104.
  • 105.
  • 106.
  • 107.
  • 108.
  • 109.
  • 110.
  • 111.
  • 112.
  • 113.
  • 114.
  • 115.
  • 116.
  • 117.
  • 118.
  • 119.
  • 120.
  • 121.
  • 122.
  • 123.
  • 124.
  • 125.
  • 126.
  • 127.
  • 128.
  • 129.
  • 130.
  • 131.
  • 132.
  • 133.
  • 134.
  • 135.
  • 136.
  • 137.
  • 138.
  • 139.
  • 140.
  • 141.
  • 142.
  • 143.
  • 144.
  • 145.
  • 146.
  • 147.
  • 148.
  • 149.
  • 150.
  • 151.
  • 152.
  • 153.
  • 154.
  • 155.
  • 156.
  • 157.
  • 158.
  • 159.
  • 160.
  • 161.
  • 162.
  • 163.
  • 164.
  • 165.
  • 166.
  • 167.
  • 168.
  • 169.
  • 170.
  • 171.
  • 172.
  • 173.
  • 174.
  • 175a.
  • 175b.
  • 175c.
  • 175d.
  • 175e.
  • 176a.
  • 176b.
  • 177.
  • 178.
  • 179a.
  • 179b.
  • 180a.
  • 180b.
  • 181a.
  • 181b.
  • 181c.
  • 181d.

Gezang 150 (Gereformeerd Kerkboek) Heer Jezus, duizend vragen; Samenzang

tags: #k #wil #u #o #god #mijn