Kerkenraad en Belijdenis: Onderzoek en Aanname

Introductie: De Betekenis van Geloofsbelijdenis

Belijdenis doen van de waarheid vereist geloof. Het vraagt om een instemming met de waarheid, 'van harte', wat betekent: gelovig. Gods genade is hierbij onmisbaar. Alleen dan wordt het afleggen van geloofsbelijdenis een belijden met de mond van wat men gelooft in het hart. Om belijdenis te kunnen doen is niet een groot en onaangevochten geloof noodzakelijk, maar wel een waar geloof, al is het zo klein als een mosterdzaadje.

Illustratie van een open Bijbel met stralen van licht

Het Proces van Geloofsbelijdenis: Van Catechisatie tot Aanneming

Gedurende de periode waarin de belijdeniscatechisatie wordt gevolgd, vinden er persoonlijke gesprekken plaats met elke belijdeniscatechisant. In een gesprek rond kerst wordt gevraagd naar de ervaringen met de catechisatie, wat er geleerd is, en of er vragen leven rondom het belijdenis doen en de houding tegenover de Heere. Ook eventuele zorgen over de levenswandel van de catechisant kunnen hierbij aan de orde komen.

Voor de betrokkenheid vanuit de kerkenraad is het wenselijk dat ook een (wijk)ouderling een gesprek heeft met de belijdeniscatechisant. Het tweede gesprek met de predikant vindt plaats enkele weken voor de aannemingsavond. Voor dit gesprek schrijven de belijdeniscatechisanten een brief waarin ze antwoord geven op de volgende vragen:

  • Waarom wil je belijdenis van het geloof doen?
  • Wat betekent belijdenis doen voor jou?
  • Welke dingen zijn er de afgelopen periode in je leven veranderd, of anders gezegd: Hoe kunnen anderen aan je zien dat je je ja-woord in praktijk wilt brengen?
  • Wat betekent het Heilig Avondmaal voor jou?
  • Wat vind je moeilijk bij het belijdenis doen?

Deze brief vormt de leidraad voor het tweede gesprek. Daarna volgt de aannemingsavond, waar de meeste belijdeniscatechisanten behoorlijk tegenop zien. Deze avond vindt plaats tussen de laatste les van de belijdeniscatechisatie en de belijdenisdienst. De gehele kerkenraad of een delegatie ervan is hierbij aanwezig.

Historische Context van het Onderzoek naar Geloofsbelijdenis

Deze avond staat in andere kerkverbanden ook wel bekend als het 'komen voor de kerkenraad'. Dit gebruik is al zeer oud. Aanvankelijk werden degenen die belijdenis wilden doen in het openbaar ondervraagd naar hun kennis van de geloofsleer. De Artikelen van het Convent van Wezel uit 1568 spreken van een 'voor de volle gemeente onderzoeken' van de 'jongelingen die in de Catechismus uitgeleerd zijn.' Het is begrijpelijk dat zo'n ondervraging in het bijzijn van de hele gemeente nogal wat mensen ervan terughield om belijdenis te doen.

Al spoedig ontstond daarom de gewoonte dat het onderzoek plaatsvond voor de kerkenraad of voor een commissie van de kerkenraad als vertegenwoordiging van de gemeente, terwijl de belijdenis zelf in het openbaar plaatsvond met een eenvoudig ja-woord. Het onderzoek door de kerkenraad op de aannemingsavond is niet een soort examen waarvoor men kan slagen of zakken. De predikant weet immers hoe de belijdeniscatechisanten tijdens de lessen hebben meegedaan en hoe zij thuis de lesstof hebben verwerkt. Hij leidt het gesprek waarin wordt onderzocht of er kennis is van de leer en wat dit voor het leven betekent.

Illustratie van een historische vergadering van een kerkenraad

De Rol van de Kerkenraad: Toetsing van Leer en Leven

De kerkenraadsleden luisteren aandachtig naar wat iedere catechisant van de geloofsleer weet. Tijdens dit gesprek wordt rekening gehouden met de verschillende niveaus van de catechisanten. Voor sommige jongeren kan zelfs het beantwoorden van een eenvoudige vraag al erg moeilijk zijn. Niet alle catechisanten hebben een even groot opsluitingsvermogen. Het stemt tot dankbaarheid als tijdens het onderzoek blijkt hoe iedere belijdeniscatechisant met de talenten die hem of haar geschonken zijn, heeft gewoekerd.

De kerkenraad mag ook zelf vragen stellen aan de catechisanten over leer of leven. Een kerkenraad heeft niet alleen toe te zien op de leer, maar ook op het leven van de (aanstaande) leden van de gemeente. Het is immers niet mogelijk om belijdenis te doen en toegang te krijgen tot het Heilig Avondmaal als de leer en het leven niet in overeenstemming zijn met Gods Woord. Anders kan er niets van uitgaan in de gemeente en dat is bovenal niet tot Gods eer. Leer en leven zijn nauw met elkaar verbonden.

Het onderzoek door de kerkenraad gaat over leer en leven, over de buitenkant, niet over het hart van de belijdeniscatechisanten, over de binnenkant, hoewel daar wel naar gevraagd mag worden. Al sinds de dagen van de Vroege Kerk wordt de stelregel gehanteerd: Over het innerlijk oordeelt de kerk niet. De kerkenraad kan alleen afgaan op wat de mond belijdt en heeft daarbij aan te dringen op de persoonlijke doorleving van de dingen die op de belijdeniscatechisatie geleerd en besproken zijn. Wij hoeven geen oordeel over het hart uit te spreken.

De Scheiding tussen Verborgen en Openbare Zonden

Calvijn introduceerde in zijn beschouwing over de kerkelijke tucht het onderscheid tussen 'verborgen' en 'openbare' zonden. Een 'verborgen' zonde is slechts bij een beperkt aantal mensen bekend. Een 'openbare' zonde is 'niet slechts bij één of twee getuigen' bekend, maar bij de hele of vrijwel de hele gemeente. Dit onderscheid is in de kerkorde van gereformeerde kerken overgenomen.

De onderscheiding tussen verborgen en openbare zonden is te herleiden op de grondgedachte dat de kerk ergens een grens moet trekken. Hoewel de kerk uit zondaars bestaat en niet op elke overtreding hoeft te reageren, kan ze ook niet alles laten passeren. Wanneer leden van de kerk ernstige misstappen begaan, brengen ze daarmee de hele gemeenschap in diskrediet en ondermijnen ze de gemeenschappelijke moraal. Dan moet de kerkgemeenschap reageren op het gedrag van deze leden om zelf geloofwaardig te blijven. Omdat de kerk echter geen onnodige ophef wil veroorzaken, maakt ze een onderscheid tussen zonden die reeds openlijk besproken worden en zonden die vooralsnog nauwelijks bekend zijn.

Geschiedenis Kerk van Jezus Christus te Groningen

Historische Toepassing van het Onderscheid

Het pontificaat van Innocentius III (1198-1216) was van grote betekenis voor de ontwikkeling van het Christendom in Europa. Hij voerde hervormingen door binnen de kerk, waaronder de invoering van de persoonlijke biecht en de reorganisatie van de rechtsspraak. Tijdens de visitaties moesten bisschoppen nagaan of er binnen de parochie ernstige misstanden waren, dat wil zeggen misstanden die een scandalum (ergernis, schandaal) hadden veroorzaakt onder de bevolking. Deze peccata publica of crimina publica corresponderen met de 'openbare zonden' uit de latere gereformeerde traditie.

Het vaststellen van de juiste feiten en de toedracht bleek vaak een probleem. In veel gevallen leverde het horen van getuigen geen eenduidig beeld op. Daarnaast bestond het reële gevaar dat haatdragende personen opzettelijk valse geruchten in omloop brachten om iemand in diskrediet te brengen. De kerk heeft niet alleen als taak om de discipline te handhaven, maar ook om zondaren te begeleiden op de weg van inkeer, boete en vergeving. Het Vierde Lateraanse Concilie probeerde deze twee opdrachten duidelijker van elkaar te scheiden door de kerkelijke rechtspraak te onderscheiden van de persoonlijke biecht. De biecht werd omgeven met de meest strikte geheimhoudingsplicht (het biechtzegel).

Niet alle zonden beperken zich echter tot de 'verborgenheden van het hart', want sommige zonden komen opzettelijk of onopzettelijk in de volle openbaarheid. In dat geval moet de kerk wel reageren, want sommige zonden 'kan de kerk niet zonder schandaal negeren of zonder gevaar dulden'. Vanaf het Vierde Lateraans Concilie werd het feit dat een zonde in de openbaarheid was gekomen, een uitgangspunt voor het in gang zetten van een procedure voor het forum externum, de kerkelijke rechtbank.

Het Concept 'Fama' in de Kerkelijke Rechtspraak

Om de grens tussen 'verborgen' en 'openbare' zonden te markeren, werd vanaf het begin van de 13e eeuw het begrip fama (gerucht) verheven tot juridische terminus technicus. Vanaf deze tijd was het enkele feit dat er rond een bepaalde persoon een mala fama (kwaad gerucht) bestond voor een rechter voldoende reden om een formeel juridisch onderzoek (inquisitio) te starten. Uiteraard moest de rechter daarbij niet afgaan op kwaadwillende of kwaadsprekende getuigen, maar alleen op betrouwbare en eerlijke mensen.

De toepassing van het begrip fama was vanaf het begin omgeven door allerlei problemen en onduidelijkheden. In veel gevallen leverde het horen van getuigen geen eenduidig beeld op. Om zichzelf te verweren kon de beschuldigde voor de rechtbank een eed van onschuld (purgatio) afleggen. Dit leidde overigens tot een sterke juridisering van het kerkelijke leven.

Hedendaagse Praktijken en Vragen

De kerkenraad van Genève onder leiding van Calvijn (1541-1564) ondernam een gedecideerde poging om de kerkelijke tucht in de praktijk gestalte te geven. Het Consistoire, een bestuurlijk lichaam, probeerde grip te krijgen op het leven van de inwoners. De verslagen van het Consistoire geven een fascinerend inzicht in het kerkelijke leven.

De handhaving van de tucht plaatst de kerk voor twee structurele problemen: de waarheidsvinding, omdat de kerk geen eigen opsporingsapparaat heeft; en het bepalen van de grens tussen de pastorale en disciplinerende opdracht van de kerk. Deze observaties zijn ook van toepassing op recente zaken in Amersfoort en Kruiningen, waar leden werden beschuldigd van misbruik en de kerkenraad moest bepalen hoe hiermee om te gaan binnen de geldende kerkordelijke kaders.

Overstap naar een Andere Gemeente

Een veelgestelde vraag betreft de noodzaak om opnieuw belijdenis te doen bij een overstap naar een andere gemeente, zelfs binnen vergelijkbare kerkverbanden. Hoewel het voor de betrokkenen soms als nutteloos en hoogmoedig kan overkomen, wordt het vanuit kerkelijk perspectief gezien als een goede zaak om zich op die manier voor Gods aangezicht uit te spreken en zich te verbinden aan de Heere en Zijn dienst in een ander kerkverband. Kerkelijke regels, zoals afspraken tussen kerkverbanden inzake overkomst van leden, kunnen ertoe leiden dat belijdenis voor de kerkenraad niet nodig is. Deze regels moeten op een pastorale en zorgvuldige manier worden toegepast.

Er kunnen zich situaties voordoen waarin het nodig is om het ja-woord van de belijdenis des geloofs te herhalen. Kerkelijke overgang is zo'n situatie. Het is een goede zaak om je op zo'n manier voor Gods aangezicht uit te spreken en je te verbinden aan de Heere en Zijn dienst in een ander kerkverband. Kerkelijk gezien zijn er afspraken tussen de Oud Ger. Gem. en de Ger. Gem. inzake overkomst van leden. Dan kan het zijn dat belijdenis voor de kerkenraad niet nodig is. Het zijn kerkelijke regels die op een pastorale en zorgvuldige manier toegepast moeten worden. De ervaring leert dat mensen het op prijs stellen dat het op deze manier gaat.

Schema van de stappen in het belijdenisproces

De catechese wordt gegeven onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad, in de regel door de predikant. Indien degene die de toelating tot de belijdenis van het geloof vraagt, in het register van een andere gemeente van de kerk is ingeschreven, vindt de belijdenis van het geloof eerst plaats nadat de kerkenraad van die andere gemeente daarvan op de hoogte is gesteld en daartegen binnen drie weken geen bezwaar heeft gemaakt.

tags: #kerkenraad #onderzoek #belijdenis