De vreugde van Kerstmis
Wat bekoort, wat bezielt ons, wat stemt de Christenheid altoos weer tot zo'n heilige vreugde, als het jaar ten einde loopt en het hooggetijde van het Kerstfeest onder ons wordt uitgeroepen? Ook het Paasfeest, ook het feest van Pinksteren stemt tot heilige verheuging, maar de glans van ons Kerstfeest overstralen toch elk ander hooggetijde. Onder al onze vieringen stond steeds het „zalige Kerstfeest" voor het besef van Gods kinderen het heiligst vooraan. Reeds in het elkaar toewensen van een „zalig" Kerstfeest vond dit zijn uitdrukking, en nóg gaat in alle christenland de glorie van ons Kerstfeest boven die van alle andere vierdagen uit.

Bijkomstige factoren van Kerstvreugde
Nu werkt ongetwijfeld veel bijkomstige zaken hiertoe mede. De donkere winteravonden van december sluiten ons meer op in ons gezin, terwijl als het Paasfeest komt, en vooral ook als het Pinksterfeest wordt ingeluid, de weer ontloken natuur naar buiten lokt en de leden van eenzelfde gezin verspreidt. De tegenstelling van de duisternis der korte dagen met de lichtglans die van de kribbe van Bethlehem uitstraalt, heeft iets betoverends. De lange avonden aan het einde van het jaar geven aan de viering van het Kerstfeest in de huiselijke kring meer vorm en gestalte, dan aan de viering van de hoogtijdagen die in het voorjaar vallen. Met Kerstmis ontsluit zich een lange reeks van vrije vakantiedagen voor onze scholen en allerlei betrekkingen. Daar ook het Kerstfeest niet aan Zondag gebonden is, geeft het keer op keer drie vrije dagen voor al het volk. En daar er in de wintermaand niets is, dat afleidt en verspreidt, doorleeft men die dagen samen in inniger band, en kan men zich meer dan anders geheel op de feestviering inrichten.
De diepere oorzaak van Kerstvreugde
Maar ach, ook al brengen we dit alles in rekening, toch laat zich uit dit bijkomstige de hoge jubel van ons Kerstfeest niet verklaren, en moet de diepere oorzaak van onze kerstvreugde gezocht worden in wat Zacharias aangaf in deze woorden: „Verheug u zeer, gij dochter Sions, en juicht gij dochter van Jeruzalem, want zie, uw Koning komt tot u; Hij is rechtvaardig en een Heiland, arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen."
Goddelijke poëzie in Bethlehem
Wat altoos weer in ons Kerstfeest boeit en nooit zijn bekoring inhoudt, is de Goddelijke poëzie, die ons in ons Kerstfeest overstroomt. In God is alles poëzie; proza is er in de Heilige niet, maar in God is de poëzie wezenlijkheid en werkelijkheid, terwijl ze onder mensen nooit iets anders kan zijn dan een poging om in de verbeelding boven de werkelijkheid uit te gaan, en gelijk onze God dicht door te scheppen, zóó Hem na te dichten in onze fantasie. En alles is in Bethlehem Goddelijke poëzie, maar die zich dan ook uitspreekt in wat wezenlijk gebeurde.
Nederigheid van de geboorteplaats
Wij zouden de geboorte van onzen Koning in Jeruzalem hebben geplaatst. God laat onzen Koning geboren worden in het nietige Bethlehem, twee uren gaans ten zuidwesten van Jeruzalem gelegen, om de tegenstelling tussen de macht en de glorie van onzen Koning en de nederige plaats waar hij geboren werd, zo sterk mogelijk tot ons besef te laten spreken. Aan de aarde ontleent onze Koning niets; al de glorie waarin hij tot ons komt, straalt van de hemel uit. Zelfs is in dit vergeten Bethlehem niet de woning van een der hoofden, maar een stal tot plek verkoren, waar Jezus het eerst het levenslicht zal aanschouwen, en in die stal een diep uitgegraven grot, waarin niet een koninklijke wieg, maar een kribbe, voor de voeding van het vee bestemd, de plaats is waarin onze Koning het eerst wordt nedergelegd. Het is alsof het al moet samenwerken, om alles wat deze wereld hem kan toebrengen, tot het minste en nietigste te herleiden, opdat de lichtstraal die van Boven in onze donkerheid indaalt, gansch ongebroken zou blijven.

De rol van Maria en de herders
Daar bij die kribbe dat onvergetelijk zacht-teder beeld van Maria, een vergetene onder de dochteren van Israël, die niets anders zijn wil dan een „dienstmaagd des Heeren", en die toch door de groet van de engel Gabriël hoog boven alle vrouwen verheven was. En niet bij haar, maar op een afstand van die kribbe, in het vlakke veld de herders, die hun kudde bewaakten, dan, hoog boven hen, dat Engelenlegioen, Gods zoon en mensenredding in hemelzang op de wereld toejuichend. En hierin weer diezelfde tegenstelling tussen die zelfs in Bethlehem nauw meetellende herders en die hoge geesten van Gods troon tot deze aarde neergedaald.
De mensheid aan de kribbe
Als die herders straks tot de kribbe naderen, treedt in hen de mensheid toe, maar vertegenwoordigd in haar laagsten stand, maar jubelend in de hemelse zang die hen verrukt had. Niet anders is het met de Wijzen, die niet uit Jeruzalem, en niet eens uit Israël, maar uit het heidenland onzen Koning komen aanbidden en de weelde hunner gaven om de kribbe uitstallen. En als straks de man die als Koning van Jeruzalem op de troon zat, door het gerucht dat onze Koning geboren was, verschrikt, zijn gewapende mannen naar Bethlehem uitzendt, om het kindeken dat geboren was, naar het leven te staan, nogmaals diezelfde heilige poëzie van Jozefs droom, en de uittocht naar Egypte, en tenslotte de rijke gaven van de Wijzen uit het Oosten, die tot in Egypte in het levensonderhoud van Maria en Jozef en hun heilig kindeke voorzien.
De impact van de geboorte op vroege christenen
Zo is het hier poëzie, gelijk geen verzinner het zich poëtischer kon indenken, en het is die heilige, die Goddelijke poëzie, hier in het werkelijk gebeurde sprekend, die alle eeuwen het Kerstfeest in hogere glans heeft gezet, en nog steeds alle hooggestemden van hart op zo'n meeslepende wijze bekoort. Toch moet voor de eerste christenen de indruk van de geboorte van onzen Koning nog veel roerender zijn geweest. Zij waren aan de Goddelijke poëzie, die in de kribbe en de engelenzang spreekt, nog niet als wij gewend. Voor hen was de indruk geheel nieuw, voor het eerst intredend in hun verbeelding en geloofswereld, en, zoals veelal erkend wordt, is er niets dat zozeer de indruk van het gebeurde verflauwt, als het van kindsbeen af aan de kennis dier gebeurtenissen gewend zijn.
Gewenning en de verflauwing van indrukken
Ook in ons gewone leven bespeuren we dit wel. Wie door dodelijke ziekte overvallen op het ziekbed werd neergelegd, en straks door Gods hand weer van dit krankbed mag opstaan, om op nieuw het leven in te gaan, is in de eerste weken na zijn herstelling vol van de genade die hem te beurt viel en psalmt zijn God, die hem redde, op alle tonen in zijn machtig aangegrepen hart. Maar kom nu tien jaar later, en schier geheel die heilige indruk is weg, en de redding die God hem toebracht, is vergeten. Gered te worden is heerlijk, maar, eens gered, wennen we aan het heil ons geschonken, en het vermaning van de Psalmist: „Vergeet niet één van zijn weldadigheden", spreekt dies van schuld van ondank tot ons hart. En sterker nog is dit hier, want van Bethlehem hebben we reeds als kind gezongen, en al de jaren onzes levens is de herdenking van het Kerstfeest voor ons teruggekeerd. Er is op zichzelf in het Kerstfeest niets meer dat ons verrast, dat ons als met verse olie overgiet, dat met de bekoring der nieuwheid tot ons komt. We waren er aan gewend van der jeugd af, we bleven er aan gewend al de jaren onzes levens. En het kon niet anders, of dit heeft de indruk verflauwd. Van wat Maria en Jozef, van wat die herders in Efrata en die wijzen uit het Oosten het hart als van verrukking deed trillen en beven, kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling meer maken.
De blijvende kracht van de Goddelijke poëzie
En als dan toch ook nu nog en bij elk weerkerend Kerstfeest de indruk van het zalige van dit feest ons zo overweldigend aandoet, dan voelt ge toch, hoe overstelpend de Goddelijke poëzie van ons Kerstfeest moet zijn, dat het desniettemin altoos weer zo heilige vreugde in het hart van al Gods kinderen wekt, en alsof er van verjaring geen sprake is, ons altoos weer met zo zalige verrukking aandoet. Zo machtige, altoos weer zich vernieuwende verrukking is nooit van enige menselijke poëzie uitgegaan. Alleen bij de Goddelijke poëzie, die uit Bethlehem ons toespreekt, was zulk een standhouden van de machtige indruk denkbaar.
Het verlangen naar heil in de oudheid
Onder alle volk, heel de oudheid door, tintelde in het hart der besten het levendig besef, dat er iets gebeuren moest. Het zondebesef was niet diep ingedrongen, en men kon zich geen rekenschap geven van wat er aan ons menselijk leven schortte, maar men voelde levendig, dat het zo niet blijven kon. Er was een drang in hun hart, die geen bevrediging vond; een streven en pogen dat steeds zonder uitkomst bleef; men zag voor ogen en doorzwoegde zelf een ellende, waaraan geen ontkomen was. Er was een nooit verzoende strijd in hun hart tussen wat dat hart begeerde en ondervond en leed. Zo kon het niet blijven, er moest verandering komen, er moest iets gebeuren dat een nieuwe orde van zaken in het leven riep. Men wist niet, hoe noch vanwaar het komen zou, maar zag steeds verwachtend, hopend en profeterend naar wat te gebeuren stond, uit. Daarvan zong de poëzie, daarvoor pleitten de wijzen, het genie giste, het volk riep er om, maar het kwam niet, en alle dingen bleven als van ouds. Wat men beproefde mislukte, wat men zocht en verzon, stelde teleur. De wereld kon uit de wereld het heil niet aanbrengen. Noch de machtigste onder de vorsten der aarde, noch de bovenmate wijze onder de wijzen der wereld, noch dichter noch profeet onder de volken wist de stand van het leven te verzetten. Het bleef gelijk het geweest was. Donkerheid bij schijnlicht en kunstlicht. Eén diepe onvoldaanheid die het hart verteerde, één jammerlijke ellende die het leven tot een plaag maakte.
De komst van de Heiland
En dit hield aan en dit duurde, tot uit Bethlehem het licht opging en in de kribbe ons het Koningskind was geschonken. Wat de wijzen en de machtigen der aarde niet hadden vermocht, dat bracht God tot stand. Door de donkere wolk van de toorn brak plotseling een lichtstraal der ontferming door. Uit Israël zou het heil zijn, en in Israël werd onze Koning geboren. En sindsdien kenterde het leven. Voor onvoldaanheid kwam zaligheid, voor strijd in het hart heilige vrede. De doodelijke spanning week, de in het paradijs verloren harmonie keerde terug. In het hart van Gods kinderen werd genoten, werd met volle teugen hemelse vreugde ingedronken, en uit het vreugdedronken hart steeg een jubel op aan alle einden der aarde. De centnerzware last die het mensenhart gedrukt en bekneld had, werd van dit hart afgeschoven. Om heil, om redding was geroepen, gesmeekt, geweend, geschreid, alle eeuwen door, en zie, dit heil schonk God nu aan de wereld. Ze had nu haar Heiland, en zag zich in dien Heiland voor nu en eeuwig een volkomen verlossing verpand.

De vreugde van het welbehagen in mensen
Het is dit „welbehagen in mensen", dat het gevoel van vreugde zo diep uit ons hart op het Kerstfeest doet opkomen, te meer waar we weten, dat „de aarde in het rond zich met ons verheugt". Men kan ook in de eenzaamheid blijde zijn en zich alleen geheel in een ons beschoren redding verheugen, maar de toon uit het hart klinkt toch zo veel hoger, zo we weten dat anderen, dat velen zich met ons verheugen; zo de vreugde die ons in het hart trilt, een algemeen karakter draagt, en zo we, wel ver van met onzen juichtoon alleen te staan, ervan alle kanten de echo op beluisteren, en voelen hoe onze eigen jubeltoon slechts de echo is op den lofzang die uit anderer borst opstijgt.
Gedeelde vreugde
Een feest in een familie is reeds hoger gestemd dan een feest in een enkel gezin; en geldt het een feest waar heel een stad, ja heel een land aan deelneemt, dan vuren er vonken, die aller hart aansteken, het vreugdebetoon luidruchtig doen worden, zodat het zelfs in overspanning en opwinding overslaat. Dan loopt ieder uit, het is één blij gewoel langs de straten, men steekt de driekleur uit en ontsteekt het vreugdelicht. Vreugdebetoon van velen samen klinkt zo veel hoger dan verheugen in de eenzaamheid om een redding, die al u ten deel viel. En dit zelfde nu geldt ook op geestelijk gebied. Ge kunt een psalm des lofs alleen in uw binnenkamer zingen, maar veel hoger toch stemt 't uw hart, zo ge, met de gemeente des Heeren opgegaan, instemt met het lied der ere dat onder 's Heeren gewelven van het huis des gebeds opstijgt. Heel de heerlijke bundel van onze psalmen is er op ingericht, om allen samen te bezielen die naar Gods huis opgingen.
Wereldwijde vreugde rond Kerstmis
En nu is dit het plechtig verblijden van ons Kerstfeest, dat we weten dat in dienzelfden morgen, op denzelfden dag, waarop wij ons feestlied inzetten, onder alle volken en onder alle natiën, heel de wereld door, aller denken en zinnen onder 's Heeren volk zich om de kribbe van Bethlehem verzamelt, dat het loflied uit alle oorden opgaat, dat niet wij alleen, maar allen samen met ons jubelen, en dat van zee tot zee en tot aan de einden der aarde het gejuich en gejubel opgaat voor wat God ons in het Kindeke van Bethlehem geschonken heeft. Aller hart is er vol van, aller mond vloeit er in dank en aanbidding van over. Dat het op Kerstfeest een wereldvreugde is, die zich op duizend tonen alom uit, bezielt ook de vreugde van ons eigen hart tot hogere verheffing.
De panacee: Jezus als Heiland
En nu weet ge wat men verstaat onder een panacee. Men doelt daarmee op een geneesmiddel, dat van alle ziekten redt, een medicijn dat alle kwalen heelt, een wonderkruid, dat uit alle krankheden redding brengt. Naar zulk een panacee had men gezocht, maar zonder het ooit te vinden; doch in Jezus, onzen Koning, is dit panacee ons juist van God geschonken. Om één medicijn tegen alle noden en krankheden van ziel en lichaam te vinden, moest wat helen zal, afdalen en doordringen tot de diepste wortel, waaruit alle nood en ellende voortkwam. En dit juist verheft het Kindeke van Bethlehem boven alle redders uit de nood die zich aanmeldden.
Jezus' verlossende kracht
Uit onze zonde en schuld kwam al deze jammer op, en het is juist die zonde en schuld die alleen Jezus kan tenietdoen. Reeds bij zijn omwandeling op aarde kwam dit zo rijk veroverend uit. Zeker, hij kwam om onze ziel van de dood te redden, maar toch was er geen nood, dien hij ontmoette, of hij wist ze op te heffen. Zo in vollen, allesomvattenden zin was hij de Christus Consolator. Hij vergaf de zonde, stierf voor onze schuld, deed in de ziel de Heilige Geest indalen, maar ook spijzigde hij de hongerigen, genas de zieken, troostte de bedroefden, wekte de doden op. Hij redde de mens in de volle betekenis van zijn menszijn, geestelijk, waarachtig en uiterlijk uit de nood, dien de vloek over ons had gebracht.
De rijke gave uit de kribbe
En daarom was de gave Gods in de kribbe van Bethlehem zo rijk, zo alle andere hulp die ons geboden was, te verre te boven gaande. Met Hem gaat het Goddelijk leven, en daarmee de Goddelijke kracht, in onze menselijke natuur in, en brengt de redding, waarop we hoopten, in dien wortel zelf van ons menselijk leven aan, om uit dien wortel via alle vertakkingen van ons menselijk leven op te klimmen en geheel ons menselijk bestaan te zaligen, hier reeds bij voorproef, en eens in het rijk der heerlijkheid, als de herboren mensheid naar ziel en lichaam glinsteren zal in gelijke heerlijkheid als waarin Hij zelf nu reeds...
Betekenis van het woord 'Heiland'
Het woord ‘Heiland’ duidt op iemand die heil (aan)brengt. Vaak wordt het weergegeven met ‘zaligmaker’.
God de Heiland
In het Oude Testament wordt God vaak de Heiland genoemd, onder andere in het boek Jesaja (Jesaja 43:3, 11; 45:15, 21; 49:26; 60:16; 63:8). In het Nieuwe Testament is dat ook het geval.
Aankondiging van de Heiland
Voor zijn geboorte wordt Hij aangekondigd als de behouder van zonden. De naam Jezus betekent: ‘de Heer redt’ (Matteüs 2:21). Bij zijn geboorte wordt Jezus als Heiland aangekondigd (Lucas 2:11). Tijdens zijn leven werd Hij als Heiland van de wereld erkend (Johannes 4:42; vgl. 1 Johannes 4:14). Na zijn sterven is Hij als Heiland verhoogd in de hemel (Handelingen 5:31). Over Hem werd in die zin gepredikt in de wereld (Handelingen 13:23). De uniekheid van het heil in Christus (geen andere naam) geeft Petrus aan (Handelingen 4:12).
Geestelijke groei en de wederkomst
De gelovigen worden vermaand op te groeien in de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus (2 Petrus 3:18). Als Heiland komt Hij weer. Gelovigen verwachten de wederkomst van Jezus niet als rechter, als oordelaar, maar als Heiland (Filippenzen 3:20). Hun wordt rijkelijk verleend de ingang in het Koninkrijk van de Heiland (2 Petrus 1:11).