De Statenvertaling: Eenheid en Invloed
‘Eendracht maeckt macht’ staat op de titelpagina van de Statenbijbel uit 1637. Deze nieuwe Nederlandse vertaling moest de inwoners van de Republiek verenigen: één volk, één taal, één Bijbel. En dat is gelukt: weinig boeken hebben zo’n grote invloed op de Noord-Nederlandse taal en cultuur gehad als deze Bijbel.
In bijna elke geloofsdiscussie - en die waren er veel in de zeventiende-eeuw - speelde de Bijbel een belangrijke rol. Er waren veel verschillende Nederlandse vertalingen van de Bijbel in omloop. Daar zaten behoorlijk wat fouten in, zodat allerlei passages verschillend werden uitgelegd. Maar zelfs over dezelfde vertaling werd men het vaak niet eens.
Toen in 1618-1619 op de synode van Dordrecht de leer van het gereformeerde geloof vastgesteld werd, besloot men dat er ook een correcte bijbelvertaling moest komen. Er werd acht dagen over dit plan vergaderd en vervolgens werd er intensief voor gelobbyd bij bijvoorbeeld theologen, uitgevers en de regering. De Staten-Generaal beloofden de kosten te dragen en gaven uiteindelijk in 1625 officieel opdracht voor het project, vandaar de naam Statenvertaling. De overheid gaf met de opdracht ook aan dat zij een hoger gezag had dan de kerk.

Masterplan voor de Statenvertaling
De vertalers kregen een zware taak. Zij moesten in correct Nederlands een nauwkeurige vertaling verzorgen uit de oorspronkelijke bijbeltalen, onder andere het Hebreeuws van het Oude Testament en het Grieks van het Nieuwe Testament. Bovendien moest de vertaling in lijn zijn met de gereformeerde leer die vastgesteld was op de Dordtse synode. De tekst mocht verder absoluut geen verwarring zaaien. Met de reformatie was persoonlijke geloofsbeleving belangrijk geworden. Daarom moest elke gelovige op eigen kracht de tekst kunnen begrijpen, zonder dat er aanleiding was voor twijfel.
Om aan al deze eisen te voldoen werden de zes vertalers en vijftien 'revisoren’ (controleurs) geselecteerd uit de beste theologen en taaldeskundigen van het land. Het werk gebeurde in ploegen in Leiden, waar boeken uit de universiteitsbibliotheek gebruikt werden en wetenschappers van de universiteit zo nodig adviezen gaven. De eerste vertalers begonnen in 1626, de eerste revisoren in juli 1633. Een van deze revisoren was de dichter-predikant Jacob Revius uit Deventer. De Deventer kerkenraad wilde dat hij vóór de winter terug was, maar dat weigerde Revius. Dit project gaat boven mijn plicht als predikant, zei hij, ik werk nu onder het gezag van de Staten-Generaal. In september 1634 was Revius klaar. De Statenbijbel verscheen in 1637. De eerste druk was een luxe uitgevoerd, groot en duur boek; later kwamen er ook bekorte edities, die kleiner en goedkoper waren.

Succes en Culturele Impact
De Statenbijbel werd een groot succes. In calvinistische kerken en op calvinistische scholen werd het de standaardbijbel. In calvinistische gezinnen werd er dagelijks uit voorgelezen. Ook andere protestanten, zoals de doopsgezinden en de piëtisten, gingen het boek gebruiken. Alleen de lutheranen hielden vast aan vertalingen van de Luther-bijbel.
Veel dichters werden (en worden) door de Bijbel geïnspireerd. Zo verwijst Meynarda Verboom in haar pleitrede voor Eva naar 'Het eerste boek van Mozes', zoals Genesis in de Statenvertaling wordt aangeduid. Men dacht namelijk dat de eerste vijf Bijbelboeken (de Torah) door Mozes waren geschreven. Een ander voorbeeld betreft de predikant-dichter Jodocus van Lodenstein. In zijn bundel Uyt-spanningen (1676) staat bijvoorbeeld het gedicht 'Grootsheyd des levens', naar aanleiding van 1 Johannes 2 vers 16: "Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld." Dit Bijbelcitaat waarschuwt tegen grootheidswaan en pronkzucht. We moeten aandacht schenken aan God en niet aan de levende dingen op aarde. Het leven is tijdelijk en leidt uiteindelijk tot niets:
Grootsheyd des levens
Waarheen mijn hert? Gij steigert niet, maar stijgten hijgt ook zonder trappen opwaarts; zijgtgemetlijk raad ik u, want zo gij opgemetlijk: voorzichtig; zo: als den topin vollen run komt, en daar meent te staan:’t zal wislijk tegen uwe mening gaan,
want uwen drift drijft u op ’t hoogste weerter neer.
En als gij dan aan ’t rollen zijt: och, och!
Uw vaart vergroot uw val: dies zeg ik nogsta stil, en schouwt u zelf; ik wed’ gij ziet
een Niet .

God Spreekt in het Nederlands: De Taalmythe
De vertalers en controleurs van de Statenvertaling hadden opdracht gekregen correct Nederlands te gebruiken. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ze kwamen uit verschillende delen van het land en brachten hun eigen varianten van het Nederlands mee. Er moesten dus compromissen gesloten worden over spelling, grammatica en woordgebruik. Voor veel woorden, zinswendingen en uitdrukkingen was ook nog geen algemene Nederlandse variant beschikbaar, die moest dan ontworpen worden. De oplossingen waren de eerste stappen naar één Nederlandse taal. Omdat de Statenbijbel zoveel gelezen werd, kreeg ze grote invloed. In het huidige Nederlands is dat nog goed te merken.
De vertalers werkten systematisch. Zo kozen ze bijvoorbeeld steeds voor om in bijzinnen die een doel uitdrukten: ‘gekomen om dit land te doorzoeken’ in plaats van ‘gekomen het land te verspieden’ (Jozua 2:2). Ook maakten ze consequent onderscheid tussen liggen en leggen en kozen ze dacht in plaats van docht en vond in plaats van vand. Door de Statenvertaling werd het wederkerende voornaamwoord zich het algemeen gebruikte, boven hem en haar. Al deze beslissingen zijn nog steeds van kracht in het Nederlands.
Ook moesten de vertalers Hebreeuwse en Griekse zegswijzen naar het Nederlands vertalen. Dat heeft geleid tot veel nieuwe spreekwoorden en uitdrukkingen, zoals ‘iemand op handen dragen’, ‘in het duister tasten’, ‘niet van gisteren zijn’, ‘de haren rezen hem te berge’, ‘de appel valt niet ver van de boom’, ‘iemands hart stelen’, ‘je hart uitstorten’, ‘hemel en aarde bewegen’, ‘bij de pakken neerzitten’, ‘muggen ziften’, ‘iemand het mes op de keel zetten’ en ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’. Deze uitdrukkingen gebruiken we nog steeds. Ook daaruit blijkt de grote invloed van de Statenvertaling.
Het was een lastige klus die tot intensieve discussies en wijzigingen leidde. De secretaris van de commissie werd er af en toe wanhopig van. En een van de vertalers, Willem Baudartius, verzuchtte tegen revisor Revius: ‘Ik heb mijn leven lang nooit zo geblokt als ik nu in mijn oude dagen doen moet.’ Maar het succes vergoedde veel. Toen het boek uitkwam, werd opgemerkt dat God nu in het Nederlands sprak, zo goed was de taal.
Met regelmaat wordt er, onder andere in het publieke debat, gezegd dat de Statenvertaling de basis legde voor de Nederlandse eenheidstaal. Taalkundigen proberen die mythe al jaren te nuanceren. Die mythe is ontstaan in het negentiende-eeuwse nationalisme. Toen werden allerlei aspecten uit het verleden van de Republiek verheerlijkt, om zo het gevoel van eenheid aan te wakkeren. In de zeventiende en achttiende eeuw bestond het idee van de Statenvertaling als basis voor een eenheidstaal echter nauwelijks. De taal van de Statenvertaling was in haar eigen tijd al behoorlijk ouderwets en formeel. Bovendien volgden de vertalers vaak hun voorgangers, onder wie de vertalers van de Deuxaesbijbel van 1562. Natuurlijk moet het belang en de invloed van het project waar de statenvertalers gezamenlijk hun schouders onder zetten niet worden onderschat.

De Oorsprong van de Statenvertaling
De Bijbel is het heilige boek van de christenen en bestaat uit het Oude en het Nieuwe Testament. Het is niet door één iemand of in één keer geschreven, maar in de loop der jaren ontstaan en aangepast. Het Oude Testament is gebaseerd op het Joodse boek Tenach, de Hebreeuwse Bijbel. Het Nieuwe Testament is een verzameling van christelijke geschriften uit de eerste en tweede eeuw na Christus.
Er zijn duizenden verschillende versies van de Bijbel: van groot tot klein en van Chinees tot Spaans. In de zestiende eeuw zijn er allerlei verschillende versies van de Bijbel in omloop. Humanist Erasmus vertaalt het Nieuwe Testament van het Grieks naar het Latijn. Hervormer Maarten Luther gebruikt deze versie voor een vertaling naar het Duits. Daaruit ontstaat vervolgens de Liesveltbijbel in het Nederlands, gedrukt door Jacob van Liesvelt in Antwerpen. Er is nog geen sprake van een directe vertaling - het gaat hier om een vertaling van vertalingen. De vertalers geven hier vaak een eigen invulling aan. De Bijbelvertaling van Luther wordt daarom ook gezien als een lutherse interpretatie.
Door deze veelvoud aan incomplete of ‘gekleurde’ Bijbelvertalingen is er niet één echte algemene vertaling. De Synode van Dordrecht geeft in 1618 opdracht tot het produceren van een officiële versie, rechtstreeks vertaald vanuit de brontalen. Het Oude Testament is geschreven in het Hebreeuws door de joden, met verschillende passages in het Aramees. Het Nieuwe Testament bestaat uit Griekse teksten. De vertalers moesten vanuit deze oorspronkelijke talen een Nederlandse bewerking maken.
Tot 1500 lezen maar weinig mensen zelf de Bijbel. Vooral geestelijken en de rijken konden lezen. Het is dus tijd voor een nieuwe versie.
Zij hebben namelijk gezien dat een algemene Bijbelvertaling in Engeland veel succes heeft gehad. Koning James geeft 54 geleerden en geestelijken de opdracht de Bijbel te vertalen. Na zeven jaar wordt in 1611 de ‘King James version’ uitgegeven. Deze officiële versie moet alle eerdere Bijbels vervangen. Tijdens de vergaderingen wordt gevraagd of er noodzaak is voor een nieuwe Bijbel. Ja, stellen velen leden. Er moet een hervormde Bijbel komen, die compleet en zo origineel mogelijk is. De Synode stelt regels op voor vertalers. Zo moet een vertaler zo min mogelijk woorden toevoegen bij het vertalen van een zin. Als hij wel iets wil toevoegen, moet dat tussen haakjes. Zo blijft duidelijk wat oorspronkelijk in de Bijbel stond en wat een toevoeging is van de vertaler.

De Productie van de Statenbijbel
Na de oproep van de Synode uit 1618 duurt het nog even voordat het vertalingsproces in gang wordt gezet. De Staten-Generaal gaan pas in 1628 akkoord. Twee van de aangewezen vertalers zijn dan al overleden. Er wordt snel naar vervanging gezocht en in Leiden gaan de vertalers aan de slag. Drie vertalers worden op het Oude Testament gezet en drie andere vertalers beginnen aan het Nieuwe Testament. Zij moeten met kanttekeningen aangeven waarom zij kiezen voor een bepaalde vertaling. Daaropvolgend wordt de tekst gecontroleerd door zogenaamde ‘overzieners’.
De stad Leiden wil maar al te graag meehelpen aan het vervaardigen van de Bijbel en betaalt 2500 gulden voor het octrooi om de Bijbel in Leiden te drukken. Er wordt een meesterdrukker uit Amersterdam ingeschakeld. Die moet de druk echter nog een jaar uitstellen omdat het papier op dat moment erg duur en schaars is. Pas in 1637 is het zover. Aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden wordt het drukken gestart. Het eerste exemplaar wordt extra groot gedrukt, gebonden in fluweel en verguld op snee. De vertalers presenteren deze bijbel op 17 september 1637 aan de Staten-Generaal. Omdat deze het project gefinancierd hebben, krijgt de vertaling de naam Statenbijbel.
De Statenbijbel wordt niet alleen vanuit religieuze overwegingen geproduceerd, maar ook vanuit politieke.

Belang en Erfenis van de Statenbijbel
De Statenbijbel wordt tussen 1637 en 1657 maar liefst een half miljoen keer gedrukt. Ruim driehonderd jaar blijft de Statenbijbel de belangrijkste Bijbel in de gereformeerde kerken. Omdat de Statenbijbel zo wijdverspreid gebruikt wordt, ontstaat er ook meer religieuze eenheid. In plaats van allerlei verschillende versies, lezen de meeste protestanten de Statenbijbel. De katholieken wilden niks te maken hebben met de Statenbijbel, de vertaling is zelfs verboden.
Ook op taalkundig gebied heeft de Statenbijbel voor eenheid gezorgd. De Statenbijbel is voor iedereen en moest dus ook voor iedereen goed leesbaar zijn. De vertalers nemen daarom elementen uit verschillende streektalen op. Bepaalde spelling, woordkeuze en uitdrukkingen uit de Statenbijbel worden na publicatie steeds vaker gebruikt. De Bijbel draagt zo bij aan de standaardisering van het Nederlands. De taal uit de Statenbijbel is een mengvorm van verschillende dialecten.
“Zo’n heilig boek zit in de ziel van onze cultuur.”
Het Nederlands Bijbelgenootschap: Ontstaan en Ontwikkeling
Het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) werd op 29 juni 1814 in Amsterdam opgericht, op aandringen uit Engeland. In verschillende Europese landen werden destijds Bijbelgenootschappen opgericht, het eerste in Engeland, in 1804: the British and Foreign Bible Societies (BFBS). Het BFBS had zich tot doel gesteld om over de hele wereld de Bijbelverspreiding te bevorderen. Maar pas na de val van Napoleon kon dat ook in Nederland en Vlaanderen.
Overal in het land ontstonden plaatselijke Bijbelgenootschappen, die vanaf 1815 samenwerkten in één Nederlands Bijbelgenootschap. Het bestuur van het Nederlands Bijbelgenootschap voelde zich vanaf 1815 ook verantwoordelijk voor het Bijbelwerk in wat toen de ‘Zuidelijke Nederlanden’ werd genoemd. Het Nederlands Bijbelgenootschap kocht Bijbels in bij de grote Bijbeldrukkers die zich voor het uitgeven van de Bijbel hadden verenigd in de Bijbelcompagnie, en plaatste er drukopdrachten. Bijbels werden gratis verspreid onder de mensen die ze niet konden betalen. In 1847 besloot het Nederlands Bijbelgenootschap om ook zelf Bijbels uit te geven. Het liet drukkers inschrijven en zo kwamen er goedkopere uitgaven.

Al snel na de oprichting begon het NBG ook aan Bijbelverspreiding in toenmalig Nederlands-Indië. Een 18e-eeuwse Maleise vertaling werd herdrukt en de Bijbel werd vertaald in het Javaans en andere Indonesische talen. De basis voor deze koepelorganisatie, de United Bible Societies (UBS), werd gelegd in Nederland. Het Nederlands Bijbelgenootschap nodigde toen, ter gelegenheid van zijn 125-jarig jubileum in 1939, de Bijbelgenootschappen uit voor een conferentie over wereldwijde samenwerking. Vijf dagen na het eind van de conferentie begon de Tweede Wereldoorlog. De samenwerking kon pas van de grond komen in 1946.
De UBS telt nu zo’n 160 leden en partnerorganisaties. Zij coördineert het wereldwijde Bijbelvertaal- en verspreidingswerk. Ook in Vlaanderen werd het Bijbelwerk in de 20e eeuw voortgezet. De organisatievorm is verschillende keren gewijzigd. Dat hing onder meer samen met de meertaligheid van België en de kerkelijke constellatie, die anders is dan in Nederland. In 2021 fuseerden het Vlaams en het Nederlands Bijbelgenootschap tot het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.
Nieuwe Vertalingen en Moderne Uitgaven
Al voor de Eerste Wereldoorlog gingen er stemmen op dat het tijd werd voor een nieuwe Nederlandse vertaling van de Bijbel. De veel gebruikte Statenvertaling was weliswaar regelmatig verbeterd en aangepast aan nieuwe spellingsregels, maar inmiddels drie eeuwen oud. In 1927 begon het NBG aan deze taak. Het Nieuwe Testament was klaar in 1937 en de complete Bijbel verscheen in 1951. Hij werd aangeboden aan koningin Juliana en prinses Wilhelmina en kreeg veel aandacht, zelfs op de televisie.
Nieuwe opvattingen over Bijbelvertalen leidden ertoe dat het NBG de Bijbel ook vertaalde ‘in omgangstaal’, alledaags Nederlands. In 1972 verscheen het Nieuwe Testament: ‘Groot nieuws voor U’. Maar het was nodig, vond men, om een derde variant te maken: een Bijbelvertaling in ’eenvoudig Nederlands’, begrijpelijk voor iedereen. Dat werd de ‘Bijbel in Gewone Taal’. Die werd in jubileumjaar 2014 - toen het NBG 200 jaar bestond - aangeboden aan koning Willem-Alexander.
Ondertussen raakte de vertaling uit 1951 gedateerd. In de jaren 90 van de vorige eeuw werd daarom besloten een nieuwe vertaling te maken die als centrale vertaling voor Nederland en Vlaanderen zou kunnen dienen. Deze verscheen in 2004 onder de naam ‘Nieuwe Bijbelvertaling’ en werd aangeboden aan koningin Beatrix. Sindsdien is de Bijbel online overal en altijd te lezen op een computer, smartphone of tablet.
Vanaf het begin zorgde het NBG ook voor de beschikbaarheid van kinderbijbels. In de jaren 60 van de vorige eeuw startte het NBG met de serie boekjes ‘Wat de Bijbel ons vertelt’. Kunstenaar Kees de Kort had in 1964 een wedstrijd van het NBG gewonnen om Bijbelillustraties te maken voor verstandelijk gehandicapten. Van zijn hand verschenen 28 deeltjes in deze reeks, die in 1992 werd gebundeld tot de ‘Kijkbijbel’. Daarvan zijn in Nederland 3 miljoen exemplaren verkocht. Omdat de nieuwe generatie een belangrijke doelgroep van het NBG is, worden regelmatig nieuwe Bijbeluitgaven gemaakt voor gezinnen, kinderen en jongeren. In 2008 verscheen de Prentenbijbel met illustraties van Marijke ten Cate. In 2014 verscheen de Samenleesbijbel voor gezinnen met kinderen van circa 7-12 jaar: de complete Bijbel in Gewone Taal, met ‘leesroutes’ door de Bijbel in oplopende moeilijkheidsgraad.

Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap Vandaag
Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG) is een vereniging die zich bezighoudt met de vertaling van de Bijbel, verspreiding van bijbels en voorlichting over de Bijbel. Het NBG heeft een kantoor in Haarlem en in Antwerpen. Beschermheer is sinds 30 april 2013 koning Willem-Alexander der Nederlanden.
Bijbelvertalen: de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) kwam in 2004 gereed. Voorlichting over de Bijbel: het is lang niet altijd mogelijk om de Bijbel zo te vertalen dat iedereen zich er in kan vinden. Daarom is er in 2008 naast de NBV-Studiebijbel een meer behoudende versie verschenen met onder andere meer aandacht voor de verbindingen tussen Oude en Nieuwe Testament. Het NBG biedt zijn bijbelvertalingen aan via de site www.debijbel.nl. In het hele land zijn honderden vrijwilligers actief om het werk van het NBG te ondersteunen.
Het NBG werd in 1814 opgericht, op initiatief van de British and Foreign Bible Society, die in 1804 was opgericht. De taak van het Bijbelgenootschap werd bewust beperkt gehouden tot de verspreiding van bijbels en men liet de verkondiging van het evangelie aan anderen over. De eerste activiteiten bestonden uit het inkopen en uitdelen, of tegen lage prijzen verkopen, van bijbels en bijbelgedeelten. Het NBG verzorgde in het verleden ook bijbels in andere talen. Vanaf 1823 leidde het NBG Nederlandse taalkundigen op om de Bijbel in het Javaans en later in andere Indonesische talen te vertalen. Vanaf 1847 ging het NBG ook zelf bijbels uitgeven. Na de Tweede Wereldoorlog werd het vertaalwerk ten behoeve van andere talen dan het Nederlands overgedragen aan de Wereldfederatie van Bijbelgenootschappen. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw wordt bij het vertalen en uitgeven van bijbels regelmatig samengewerkt met de Katholieke Bijbelstichting. Voor de wetenschappelijke ondersteuning van het vertaalproject van de Nieuwe Bijbelvertaling werd, met name voor het Oude Testament, ook samengewerkt met joodse theologen. In 2003 werd het beheer van de uitgeverij van het Nederlands Bijbelgenootschap overgedragen aan Uitgeversgroep Jongbloed in Heerenveen, het NBG concentreerde zich sindsdien op vertalen en verspreiden.
Het Vlaams Bijbelgenootschap (VBG) was een interconfessionele organisatie die bijbels verspreidde en het Bijbelgebruik in Vlaanderen aanmoedigde.
Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is een vereniging met meer dan 100.000 donateurs, gevers en leden. We zijn al vanaf de oprichting in 1814 een vereniging. De doelstellingen en bestuurlijke organisatie zijn vastgelegd in de statuten. In de ledenraad zitten zeven mensen met allerlei achtergronden; zij vertegenwoordigen alle leden van onze vereniging. Het bestuur van het NBG is eindverantwoordelijk en houdt toezicht op de hoofdlijnen van het beleid. Het bestuur stelt het algemene beleid vast op voorstel van de directie en evalueert de uitvoering ervan. De leiding van de organisatie ligt in handen van de directeur. De directeur wordt benoemd door het bestuur. Bij het NBG werken zo’n zestig professionals, verdeeld over drie afdelingen: Communicatie & Fondsenwerving, Financiën & Beheer, en Ontwikkeling & Uitgeven.
Het NBG maakt deel uit van de internationale netwerkorganisatie United Bible Societies (UBS). De UBS is een wereldwijd netwerk van ruim 150 lokale Bijbelgenootschappen die in 184 van de 195 landen van de wereld werkzaam zijn.
De Vlaamse adviesraad adviseert gevraagd en ongevraagd over het Bijbelwerk in Vlaanderen en de positie van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap in Vlaanderen. De Vlaamse adviesraad vergadert ten minste tweemaal per jaar en bestaat uit minimaal vijf en maximaal negen leden. De leden worden benoemd voor een termijn van vijf jaar en zijn eenmaal herbenoembaar.
De commissie Financiële en Economische Zaken (FEZ) geeft advies aan het bestuur over de financiële gang van zaken van de vereniging. Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap brengt de Bijbel dichtbij, in Nederland, Vlaanderen en verder weg.
De Erkenning is het keurmerk voor goede doelen dat door het CBF, Toezichthouder Goede Doelen wordt uitgegeven. Met de Erkenning laten organisaties zien dat ze voldoen aan strenge kwaliteitseisen. Voor grotere organisaties gelden uiteraard andere eisen dan voor kleinere. Circa 80 procent van het particuliere geefgeld staat inmiddels onder toezicht van het CBF. Transparantie in één oogopslag: Het CBF-Erkenningspaspoort. Het CBF-Erkenningspaspoort toont op een eenduidige en neutrale wijze de belangrijkste informatie van een Erkend Goed Doel. Transparantie in één oogopslag dus. Het paspoort bevat zowel kwalitatieve informatie over de doelstelling en activiteiten van de organisatie als financiële kengetallen. Deze laatste zijn door het CBF gevalideerd.
“Wij geven mensen in binnen- en buitenland toegang tot de Bijbel. Het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap (NBG) brengt al meer dan 210 jaar de Bijbel dichtbij. We willen dat mensen in binnen- en buitenland toegang krijgen tot de Bijbel.”

tags: #nederlandse #bijbelgenootschap #haarlem