De Geschiedenis van de Protestantse Kerk in Dendermonde en Sint-Gillis-bij-Dendermonde

De aanwezigheid van protestantse invloeden in Dendermonde is reeds zichtbaar vanaf 1538, zoals blijkt uit de rekeningen van de lokale baljuws. Enkele decennia later werd de stad meermaals bezocht door de beruchte inquisiteur Pieter Titelmans. Met zijn rondreizende rechtbank vervolgde hij onverbiddelijk protestanten, vooral nadat in 1560 de meest militante protestanten publiekelijk wilden preken.

In 1566 ontsnapte Dendermonde zelf aan de beeldenstorm. Echter, in het nabijgelegen Wetteren, dat destijds deel uitmaakte van het Land van Dendermonde, werden wel kerken vernield. Dit leidde tot optreden van de Raad van Beroerten met confiscaties en terechtstellingen in Dendermonde. In hetzelfde jaar, 1566, vond in Dendermonde een belangrijke ontmoeting plaats tussen vertegenwoordigers van de hoogste adel, waaronder Willem van Oranje en de graaf van Egmont, in het kader van het befaamde Eedverbond der Edelen. Deze gebeurtenis wordt tot op heden herdacht met een schilderij in de hal van het stadhuis van Dendermonde.

De periode van 1568 tot 1578 kenmerkte zich door militaire schermutselingen waarbij het strategisch gelegen Dendermonde zowel getuige als slachtoffer was. De stad werd herhaaldelijk zwaar geplunderd en wisselde van kamp. Een hoogtepunt hierin was het "Calvinistisch Bestuur" dat van 1579 tot 1584 duurde. In 1584 kwam hieraan een einde met de inname van de stad door Farnese. Ook nadien bleef Dendermonde een strategisch belangrijke plaats.

Vanaf de 18e eeuw kende Dendermonde, als Barrièrestad, opnieuw een openlijk protestantse gemeente dankzij de aanwezigheid van een militair garnizoen. Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden beleefde de gemeente een heropleving. In 1820 werd er een nieuw kerkgebouw ingehuldigd door de predikant van Gent. De Omwenteling van 1830 bracht echter verwoesting van eredienstvoorwerpen door heethoofden, waardoor de gemeente opnieuw zonder huisvesting kwam te zitten. Na deze periode viel het stil in protestants Dendermonde; er werd wel gecolporteerd, maar zonder kerkstichting.

In 1924 werd het colportagewerk systematisch voortgezet door de Stads- en Landsevangelisatie Silo. Op 22 augustus 1926 werd het Evangeliehuis in de Mechelsestraat nr. 31 officieel in gebruik genomen. Dit historische overzicht illustreert de hardnekkige vastberadenheid van de protestanten in Dendermonde, die zich door de eeuwen heen vasthielden aan Gods Woord en hulp.

De Sint-Egidiuskerk in Sint-Gillis-bij-Dendermonde

De neogotische parochiekerk van Sint-Gillis-bij-Dendermonde bevindt zich midden op het voormalige Kerkplein, nu Groote Plaats genaamd. Het plein, gevormd door de Frans Van Schoorstraat, werd aangelegd tussen 1903 en 1908, gelijktijdig met de bouw van de Sint-Egidiuskerk. Voor deze aanleg werden bestaande gebouwen, waaronder de gemeenteschool en de herberg De Fontein, afgebroken.

Historische Context van Sint-Gillis-bij-Dendermonde

Sint-Gillis-bij-Dendermonde bezat reeds sinds de 7e of 8e eeuw een parochiekerk op de Zwijvekekouter, rond welke de parochie zich ontwikkelde. In de 13e eeuw werd de parochiezetel echter overgebracht naar het voormalige Sint-Gillishospitaal binnen de stadsmuren van Dendermonde. Hierdoor ontbrak er gedurende enkele eeuwen een parochiekerk op het grondgebied van Sint-Gillis-bij-Dendermonde.

Pas in de 19e eeuw, door bevolkingsgroei en uitbreiding van de gemeente, werd de behoefte aan een eigen kerk steeds groter. Met bemiddeling van het gemeentebestuur gaf de bisschop toestemming voor de oprichting van een nieuwe kerk. Het ontwerp van de Gentse architect Henri Vaerwyck was voltooid in juli 1899. De definitieve toelating voor de oprichting van een hulpkerk volgde bij koninklijk besluit op 19 augustus 1901.

In afwachting van de bouw van de nieuwe kerk werd een houten noodkerk opgericht in de Processiestraat. De eerstesteenlegging vond plaats op 30 augustus 1903, en de bouwwerken werden in 1907 voltooid. De kerkwijding werd echter tot 1924 uitgesteld door de bisschop, om ideologische redenen gerelateerd aan het liberale gemeentebestuur. Na voltooiing van de kerk, rond 1908-1909, werd naar de plannen van architect Henri Vaerwyck ook de nabijgelegen pastorie opgetrokken.

Schade en Restauratie tijdens de Wereldoorlogen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef de Sint-Egidiuskerk niet gespaard. Bij de Duitse aanval op 4 september 1914 werd de kerktoren beschoten, omdat deze per abuis werd aangezien voor een uitkijkpost van het Belgische leger. De torenspits werd vernield, de klokken stortten neer en het dak brandde af. De dag na de aanval werd er, naar verluidt door Duitse soldaten, brand gesticht in de kerk, waarbij de kerkdeuren, het portaal, het doksaal, enkele beelden, twee biechtstoelen, de communiebank en kerkstoelen werden vernield.

In 1915 werd de kerk gedeeltelijk hersteld. Vanaf 1920 startten de grondige restauratiewerken onder leiding van Valentin Vaerwyck, die omstreeks 1923-1924 voltooid werden. Tevens werden enkele niet-gerealiseerde ontwerpen voor interieurstukken uitgevoerd. De herstelde kerk werd op 3 september 1924 opnieuw ingewijd door bisschop Emiel Seghers.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de kerk grotendeels gespaard, met uitzondering van drie klokken die uit de toren werden geroofd en pas in 1954 werden vervangen. De herstellingswerken in de daaropvolgende jaren beperkten zich tot het onderhoud van het interieur en de vernieuwing van de daken in 1973-1974. Recentelijk zijn er werkzaamheden aan de toren uitgevoerd.

Architectonische Beschrijving van de Sint-Egidiuskerk

De Sint-Egidiuskerk is een driebeukige basilicale kerk met een naar het zuidwesten gericht koor en een vierkante noordoosttoren boven de voorgevel. Rechts van de hoofdingang bevindt zich een bronzen gedenkplaat, ontworpen door architect H. Vaerwyck en gegraveerd door O. Sinia, die de eerste steenlegging en de bouwgeschiedenis van de kerk markeert.

De toren wordt aan de oostzijde geflankeerd door een polygonale doopkapel, die sinds 1968 is omgevormd tot rouwkapel. Deze kapel bevat een gedenksteen met een inscriptie die herinnert aan de wederopbouw na de vernieling door de Duitsers in 1923-1924.

De middenbeuk van de kerk telt zes traveeën, de zijbeuken vijf. Een uitspringend transept van twee traveeën diep en drie breed herbergt zijkapellen. Het koor heeft een zevenzijdige sluiting. Ten zuiden van de zuidoostelijke transeptarm bevindt zich een L-vormige uitbouw die als sacristie dienst doet.

De kerk is voornamelijk opgetrokken uit baksteen op een sokkel van breuksteen, met afdekkende zadeldaken van leien, verfraaid met dakkapellen. Volgens archiefmateriaal telde de kerk oorspronkelijk minder dakkapellen; het aantal werd bij de restauratie in de jaren 1920 vermeerderd. De zijbeuken zijn afgedekt met lessenaarsdaken, en de kruising wordt gemarkeerd door een met leien beklede opengewerkte kruisingstoren.

De massieve, vierkante noordoostelijke toren telt vier geledingen en een bekronende balustrade. De opvallende naaldspits is voorzien van hogels en een verguld torenuurwerk, geflankeerd door vier torentjes op de hoeken. De toren wordt ondersteund door zware hoeksteunberen en heeft in de noordwestelijke oksel een traptorentje.

Het rijkelijk versierde spitsboogportaal bevat een mozaïekdecoratie met de voorstelling van "De Verheerlijkte Christus". Vergelijkbare portalen met mozaïeken die respectievelijk "Onze-Lieve-Vrouw als Moeder Gods" en "Sint-Eligius" voorstellen, bevinden zich in beide transeptarmen. Het houtwerk met siersmeedwerk in de portaaldeuren is uitgevoerd in neogotische stijl.

De gevels van de zijbeuken zijn geritmeerd door steunberen en spitsboognissen met drielichten en glas-in-loodramen. De hoge, uitspringende transeptarmen eindigen op puntgevels en zijn voorzien van zware steunberen. Het transept heeft een groot centraal spitsbogig venster met gotische tracering. Het zevenzijdig hoogkoor is eveneens verrijkt met spitsboogvensters. In de buitenmuur van de apsis bevindt zich een gevelsteen met het opschrift "ANNO DOMINI MDCCCCIII", ter herinnering aan de bouw van de kerk.

Interieur van de Sint-Egidiuskerk

Het in neogotische stijl uitgevoerde interieur, dat constructief dateert uit 1903-1906, vormt een harmonieus geheel met de art-decogetinte inbreng uit 1923-1924, met name de beschilderingen op doek. In het interieur werden verschillende materiaalsoorten, zoals blauwe hardsteen en baksteen, afwisselend gebruikt om een contrasterend effect te creëren.

De basilicale ruimte kenmerkt zich door een drieledige opstand met spitsboogarcades op blauw hardstenen zuilen. De kruising wordt gedragen door vier bakstenen pijlers op een blauw hardstenen sokkel.

De overwelving van het middenschip en de zijbeuken bestaat uit bakstenen kruisribgewelven met natuurstenen geprofileerde ribben. In dezelfde materialen is een straalgewelf in het hoogkoor uitgewerkt.

De wandafwerking omvat hoge houten lambriseringen en deels vlak bepleisterde, beschilderde wanden. Het hoogkoor en transept zijn voorzien van vrijgelegde beschilderingen op doek in art-decostijl, waarschijnlijk uit 1923-1924, mogelijk van de firma Leon Bressers. Het transept is verfraaid met gestileerde engelenfiguren en de voorstelling van de vier evangelisten.

Een gedeelte van de zuidoostelijke zijkapel, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Egidius, is omgevormd tot bidkapel en afgescheiden door een glazen wand. Deze kapel biedt toegang tot de achterliggende, vrijstaande sacristie. De zijkapel ten zuidwesten, gewijd aan de Heilige Jozef en Sint-Antonius, bleef ongewijzigd.

De aankleding van de kerk werd in verschillende fasen gerealiseerd door schenkingen en aankopen. Sommige geplande werken werden pas na de Eerste Wereldoorlog uitgevoerd. Rond de jaren 1920 werden tijdens de oorlog vernielde objecten hermaakt naar oorspronkelijk ontwerp, waardoor de eenheid van stijl behouden bleef.

Het merendeel van de kunstwerken werd vervaardigd in de ateliers of door oud-leerlingen van het Sint-Lucasinstituut te Gent in neogotische stijl. Beeldhouwer Remi Rooms (1861-1934) ontwierp een groot deel van het meubilair.

Het hoogkoor telt drie figuratieve glasramen uit 1924, met voorstellingen van Onze-Lieve-Vrouw, het Heilig Hart van Jezus en Heilige Jozef. De glasramen in de zijbeuken, aangekocht bij Achiel Ysabie in 1908-1910, tonen taferelen die verwijzen naar de patroonheiligen van de zijkapellen. In de zuidwestelijke transeptarm en noordwestelijke zijbeuk bevindt zich hedendaags glaswerk naar ontwerp van H. Van de Perre. De beuken en het middenschip zijn verlicht met ongekleurd glas.

Mobilair en Kunstwerken

Beeldhouwwerk: In de muren van de zijbeuken bevinden zich reliëfs met de staties van de Kruisweg en Zeven Weeën van Maria, aangekocht in 1908-1909 in het atelier van beeldhouwer Aloïs de Beule.

In de zijbeuken zijn ook neogotische, gepolychromeerde houten heiligenbeelden geplaatst, uit het atelier Léon Bressers: Sint-Antonius van Padua (1921), Heilige Jozef en Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes (1905) in de linkerzijbeuk; Heilige Theresia van Lisieux (1926) en Heilige Egidius (1930) in de rechterzijbeuk.

Tegen het houten tochtportaal in de noordoostelijke transeptarm staat de Heilige Familie op een beschilderde sokkel.

In de transeptarmen bevinden zich twee gepolychromeerde houten beelden van Onze-Lieve-Vrouw en het Heilig Hart, onder een neogotisch baldakijn uit het atelier van Mathias Zens (1911).

Meubilair: Het neogotische hoofdaltaar in witte Echaillonsteen, marmer en petit granit werd gemaakt door het atelier van Remi Rooms tussen 1907-1912. Het retabel toont sculpturale voorstellingen van de Calvarie en de twaalf apostelen. Het centrale tabernakel, naar ontwerp van Felix Stockman, dateert van 1910-1913.

De neogotische zijaltaren, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Egidius, Heilige Jozef en Sint-Antonius, werden eveneens tussen 1907-1912 door Remi Rooms vervaardigd. De altaarretabels dragen reliëfs van de patroonheiligen en scènes uit hun leven.

Het koorgestoelte, met heiligenafbeeldingen en knielbank, is eveneens van de hand van Remi Rooms (ontworpen 1912-1915, geplaatst 1924).

De neogotische communiebank, vervaardigd door Leopold Blanchaert (1908-1911) en aangevuld door Jos. Blanchaert (circa 1920), werd gedeeltelijk hergebruikt in de zijkoorafsluiting en het antependium.

De neogotische preekstoel, geleverd door het atelier van Remi Rooms (1907-1912), is uitgevoerd in witte marmer. De kuip toont vijf taferelen in hoogreliëf gerelateerd aan de prediking van het geloof. De borstwering en trapleuning zijn in gesmeed ijzer.

Vier neogotische biechtstoelen in eikenhout, per twee geplaatst in de transeptarmen, werden wellicht uitgevoerd door het atelier van Albert-Jozef Van Sinaeve (circa 1907) en later vervangen of aangevuld door exemplaren uit het atelier Sinaeve-Dhont (circa 1921) of Remi Rooms (circa 1925).

Het orgel, ingewijd op 25 juli 1926, is van de gebroeders Daem. Tussen het oorspronkelijke en het nieuwe altaar uit 1964 werd de doopvont geplaatst, toegeschreven aan Oscar Sinia, met een koperen deksel van Maurits Gheeraert.

Gedetailleerde architectonische tekening van de Sint-Egidiuskerk, met nadruk op de neogotische elementen en de structuur van de kerk.

De Protestantse Beweging in de Nederlanden

Het lutheranisme was de eerste reformatorische stroming die aanhang vond in de zuidelijke Nederlanden, reeds vanaf 1519. De invloed van het augustijnenklooster in Antwerpen, waar monniken naar Wittenberg gingen, was hierin cruciaal. Na de excommunicatie van Luther en het Edict van Worms (1521) volgde felle vervolging, waardoor het lutheranisme vrijwel verdween uit de zuidelijke Nederlanden.

De wederdopers ontstonden omstreeks 1525 als afsplitsing van de hervormingsbeweging van Ulrich Zwingli. Vanaf 1527 werden zij vervolgd en velen vluchtten naar de Nederlanden. De zuidelijke Nederlanden, met hun kosmopolitische steden zoals Antwerpen, boden aanvankelijk een toevluchtsoord. Na het mislukte experiment van Jan van Leiden te Münster (1535) namen de vervolgingen toe. Veel wederdopers streefden naar een theocratie, maar na 1540 ontstond een meer ingetogen stroming, mede door de invloed van Menno Simons.

Ondanks de inquisitie, met figuren als Pieter Titelmans, groeide het belang van de doopsgezinden. De opkomst van het calvinisme in de jaren 1560 bood hen voordeel. De doopsgezinden namen echter niet deel aan de Beeldenstorm (1566). Met de komst van Alva in 1567 begon een periode van felle onderdrukking, die leidde tot de Tachtigjarige Oorlog.

Hoewel de doopsgezinden niet expliciet werden genoemd in de Pacificatie van Gent (1576), konden zij opereren tot Parma een groot deel der Nederlanden heroverde. Na de val van Antwerpen in 1585 nam de druk toe, en velen vluchtten naar de noordelijke Nederlanden.

Het calvinisme werd de belangrijkste stroming van het protestantisme in de Nederlanden, vanaf circa 1540 in de zuidelijke Nederlanden. Het Smeekschrift der Edelen in 1566, met de opkomst van de term 'Geuzen', leidde tot onderdrukking onder Alva en de oprichting van de Raad van Beroerten. Vele calvinisten vluchtten naar Engeland en sloten zich aan bij de Watergeuzen en Bosgeuzen. De Tachtigjarige Oorlog (vanaf 1568) bracht een vrijplaats voor andersgelovigen in de noordelijke Nederlanden.

Na de Pacificatie van Gent (1576) richtten calvinisten calvinistische republieken op in Vlaamse steden, waaronder Dendermonde. Het intolerante bewind leidde echter tot een tegenbeweging. De herovering door Parma eindigde de calvinistische republieken in de Zuidelijke Nederlanden in 1585, wat resulteerde in een massale uittocht van calvinisten.

Ondanks de onderdrukking bleven er geïsoleerde protestantse gemeenten bestaan, mede dankzij de aanwezigheid van Nederlandse en Engelse troepen vanaf het einde van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw, en het Barrièretraktaat. Protestantse kerken werden geopend in steden als Namen, Doornik en Dendermonde.

Het Tolerantiepatent van Jozef II (1781) en de Franse annexatie (1794) leidden tot meer religieuze vrijheid. Na de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815) en de Belgische Opstand (1830), organiseerden protestantse gemeenten zich in de Bond der Protestants-Evangelische Kerken (vanaf 1839). Diverse evangelisatiecomités, zoals Silo, waren actief in het stichten van nieuwe gemeenschappen en scholen.

In de 19e eeuw kende het Belgisch protestantisme groei onder impuls van het Réveil, met de komst van het Leger des Heils (1889) en de baptisten (1892). Methodisten werden actief vanaf 1919.

In 1919 sloten de Kerken van de geannexeerde Oostkantons zich aan bij de Bond, die in 1957 verder ging onder de naam Protestantse Evangelische Kerk van België.

Een andere calvinistische stroming, het Belgisch Evangelisch Genootschap, werd actief vanaf het begin van de 19e eeuw. Met de aanvaarding van de geloofsbelijdenis van Guido de Brès in 1862, wees het de inmenging van de burgerlijke overheid in kerkelijke zaken af.

De Gereformeerde Kerken, beïnvloed door ontwikkelingen in Nederland, ontstonden in Brussel (1894) en later in Antwerpen, Gent en Mechelen, voornamelijk door Nederlanders die in België verbleven. Deze gemeenten vormden vanaf 1974 de classis België van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

De Verenigde Protestantse Kerk in België (VPKB) werd opgericht op 4 november 1978 en ging officieel van start op 1 januari 1979, als samensmelting van verschillende protestantse kerken.

Histoclips Luther en de Hervorming

tags: #protestantse #kerk #dendermonde