De Creolen vormen een belangrijke bevolkingsgroep in Suriname, wier afkomst grotendeels terug te voeren is op tot slaaf gemaakte Afrikanen. Volgens de Surinaamse volkstelling van 2012 identificeerden 84.933 mensen zich als Creools. Daarnaast werden 72.340 personen geregistreerd als van 'gemengde afkomst', waarbij een deel hiervan eveneens van Creoolse afstamming is. Door emigratie wonen bovendien veel Creolen buiten Suriname.
In het verleden werden de nazaten van Marrons - tot slaaf gemaakte Afrikanen die zich hadden bevrijd en in het binnenland hadden gevestigd - aangeduid als boslandcreolen. Dit onderscheidde hen van de (stads)creolen, die afstamden van vrijgelaten slaven. Tegenwoordig is dit onderscheid minder relevant en moeilijker te maken.
Het woord 'creool' is afgeleid van het Portugese 'crioulo', wat oorspronkelijk verwees naar een in de koloniën geboren persoon, ongeacht huidskleur, die geen deel uitmaakte van de inheemse bevolking. In de loop der tijd werd de term in diverse landen, met name in Franse koloniën, voornamelijk gebruikt voor personen van Europese afkomst die in de kolonie geboren waren.
In 2002 ontstond er discussie over het behoud van de woorden 'neger' en 'creool' in de Grote Van Dale. Een uitspraak van de Commissie gelijke behandeling (CGB), naar aanleiding van een klacht van de Stichting Eer en Herstel Betalingen Slachtoffers van Slavernij in Suriname, resulteerde uiteindelijk in het behoud van beide termen. De stichting betoogde dat deze woorden herinnerden aan koloniale onderdrukking en pijn veroorzaakten bij Afrikaans-Surinaamse Nederlanders.

De Ontwikkeling van Slavernij in Suriname
Vanaf de vroege Europese kolonisatie van Suriname werd slavernij toegepast. De eerste kolonisten, onder leiding van Francis Willoughby, vestigden zich in Suriname met het doel suikerriet te verbouwen. Hiervoor werden ongeveer 600 slaven meegenomen. Na de Franse herovering van Cayenne in 1664 werden Joodse planters gedwongen te vertrekken en zochten velen hun toevlucht in Suriname.
Toen Suriname in 1674 officieel Nederlands werd, emigreerden meer dan 1200 Engelsen naar Jamaica. Een groot deel van de plantages werd verlaten, en de bijbehorende welvaartsafname, gecombineerd met aanvallen van inheemsen en weggelopen slaven, maakte de kolonie zorgwekkend voor haar eigenaars. Uiteindelijk werd Suriname in de 18e eeuw een winstgevende kolonie, met een groeiend aantal plantages.
Naar schatting werden tussen de 200.000 en 275.000 Afrikanen legaal als slaaf naar Suriname verhandeld, exclusief de illegale handel. Suriname had de reputatie een bijzonder wrede vorm van slavernij te kennen. Hoewel de passages hierover in het boek van John Gabriël Stedman achteraf door zijn Britse redacteur zouden zijn toegevoegd, bleef de behandeling van slaven onmenselijk.
Leven als Slaaf in Suriname
Slaven moesten doorgaans zes dagen per week werken, vaak tot diep in de nacht, en kregen slechts rond de jaarwisseling enkele dagen vrij. Vooral bij de aanleg van plantages moesten zij hard werken. Het werk op de suikerrietplantages was gevaarlijk; verwondingen bij het oogsten van suikerriet waren frequent. Het werken met suikermolens en in het kookhuis bracht extra risico's met zich mee.
Om de tot slaaf gemaakten, die in de meerderheid waren, onder controle te houden, pasten planters lijfstraffen toe, waaronder de beruchte Spaanse bok. De repressie was intenser op plantages dichter bij het oerwoud, vanwege de mogelijkheid voor slaven om weg te lopen. Planters probeerden slaven ook tegen elkaar uit te spelen.
Slaven woonden in aparte slavendorpen op de plantages, bestaande uit eenvoudige hutten die zij zelf moesten bouwen en onderhouden. Ze ontvingen karig en eenzijdig voedsel, en kregen slechts eenmaal per jaar een pakket met kleding en andere goederen. Het sterftecijfer was hoog, mede door tropische ziekten en de onhygiënische leefomstandigheden, het zware werk en vervuild water.
Hoewel slaven niet mochten trouwen, konden ze wel kinderen krijgen. Het lage geboortecijfer, mogelijk door de slechte behandeling en fysieke gesteldheid van vrouwen, gecombineerd met het hoge sterftecijfer, resulteerde in een sterfteoverschot. Dit maakte een constante aanvoer van nieuwe slaven noodzakelijk om de populatie op peil te houden.
Tijdens de emancipatie telde Suriname slechts 44.911 kleurlingen, ondanks de transportatie van honderdduizenden Afrikanen als slaaf. Dit lage aantal was echter geen uniek Surinaams verschijnsel.
Verzet en Culturele Ontwikkeling
De slaven ondergingen hun lot niet zonder verzet. Tot de 19e eeuw was weglopen de voornaamste methode. 'Zoutwaternegers', recent aangevoerde slaven, waren hierin actiever dan in de kolonie geboren slaven, die meer banden met hun familie op de plantage hadden.
Ontsnapte slaven die in het oerwoud wisten te overleven, werden Marrons. Zij overvielen regelmatig plantages voor voedsel en wapens en bevrijdden daarbij andere slaven. Weglopen kon ook een vorm van protest zijn of een manier om familieleden op andere plantages te bezoeken.
Andere vormen van verzet waren sabotage en lijntrekkerij. Slaven protesteerden ook openlijk wanneer verworven rechten, zoals vrije dagen, werden geschonden. Een voorbeeld hiervan waren de stakingen en werkweigeringen op plantage Zeezigt in 1835 tegen een nieuwe directeur.
Door de strikte scheiding van de blanke bevolking ontwikkelden de slaven een eigen cultuur met sterke West-Afrikaanse invloeden. Ze hadden een eigen religie, Winti, en een eigen taal, Sranantongo. Deze werden ook gebruikt als subtiele vormen van verzet; veel slavenliederen hadden een kritische ondertoon.

Wijzigingen in Koloniaal Bestuur en Slavernijwetgeving
Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 veroverden de Britten Suriname in 1799. De kolonie werd in 1802 teruggegeven aan Nederland, maar twee jaar later alweer door de Britten heroverd. De Britten handhaafden de slavernij, hoewel het revolutionaire Frankrijk deze in zijn koloniën had afgeschaft.
Britse officieren uitten hun verontwaardiging over de Nederlandse praktijken, zoals het gebruik van de Spaanse bok. Zij probeerden ook de slavenhandel in te dammen. In 1806 werd de invoer van nieuwe slaven beperkt, en in 1808 volledig verboden. Nederland volgde in 1814 met een verbod op de slavenhandel, onder druk van het Verenigd Koninkrijk.
De slavernij zelf bleef echter legaal. Vanwege het hoge sterftecijfer onder de slaven begon de overheid met een 'lotsverbeteringsbeleid'. Slaven werden officieel erkend als personen, wat leidde tot een lichte verbetering van hun behandeling in de 19e eeuw. De voorzieningspakketten werden groter, slaven mochten jagen en voedsel verbouwen, en de slavendorpen werden vervangen door blokwoningen.
Slaven met een vak, zoals timmerman of naaister, konden soms genoeg geld verdienen om zichzelf en anderen vrij te kopen. Deze maatregelen waren bedoeld om de slaven meer aan de plantage te binden.
In de loop van de eerste helft van de 19e eeuw werd het slavernijsysteem steeds onhoudbaarder. Het Verenigd Koninkrijk schafte de slavernij in 1833 af, gevolgd door Frankrijk in 1848. De slaven zelf werden een steeds grotere machtsfactor, en begonnen met groepsprotesten.
In Nederland zelf was er aanvankelijk weinig protest tegen de slavernij. Pas in de jaren veertig van de 19e eeuw groeide de roep om afschaffing, met name binnen de Réveilbeweging.
Emancipatie en Staatstoezicht
Op 1 juli 1863 werd de slavernij officieel afgeschaft door de Emancipatiewet. Op deze dag werden 32.911 mensen bevrijd. Slavenbezitters ontvingen een compensatie van 300 gulden per vrijgemaakte slaaf.
Ondanks de afschaffing kregen de vrijgemaakten niet onmiddellijk volledige vrijheid. Zij waren verplicht nog tien jaar te werken op basis van jaarcontracten, onder staatstoezicht. De officiële reden hiervoor was het aanleren van regelmatige arbeid en een zedelijk leven. Historici betogen echter dat de voormalige slaven het tijdens deze periode slechter hadden dan voor de emancipatie, met ontoereikende lonen en overheidsmaatregelen die verhinderden dat zij zich aan het veldwerk onttrokken of bezit vergaarden.

De Creoolse Bevolking Vandaag
Volgens de volkstelling van 2012 identificeerden 84.933 mensen zich als Creools, wat neerkomt op 15,7% van de totale Surinaamse bevolking. Zij vormen de derde grootste bevolkingsgroep na Hindoestanen en Marrons. In 2004 was dit percentage nog 17,7%.
Sommige Creolen identificeren zich als 'Afro-Surinamers', een optie die in 2012 werd toegevoegd. Het precieze aantal Creolen in Nederland is niet exact bekend, maar wordt geschat op 132.000.
Historisch gezien was Sranantongo de moedertaal van de Creolen, aangezien het Nederlands leren en spreken werd ontmoedigd. Er bestaat een cultureel onderscheid tussen de verschillende sociale lagen, waarbij de cultuur van de elite en middenklasse sterk beïnvloed is door de westerse cultuur, mede door intensief contact met blanken en deels blanke voorouders.
De lagere klassen werden de westerse cultuur actief onthouden, uit angst voor opstandigheid. De kerstening van slaven duurde lang, en onderwijs aan slavenkinderen werd pas in 1844 toegestaan.
De traditionele kleding van vrouwelijke Creolen in Suriname is de koto met de angisa (een op speciale wijze gebonden hoofddoek), nog steeds gedragen op feestelijke gelegenheden.
Religie in de Creoolse Gemeenschap
Het christendom is de dominante religie binnen de Creoolse gemeenschap. Vooral de Rooms-Katholieke Kerk, de Evangelische Broedergemeente Suriname (EBG) en de Pinksterbeweging hebben veel aanhangers. De Pinksterbeweging, ook wel Volle Evangelie genoemd, is in de 21e eeuw sterk gegroeid.
De traditionele religie is Winti, een samensmelting van diverse Afrikaanse religieuze tradities.

De Evangelische Broedergemeente en de Creoolse Gemeenschap
De Evangelische Broedergemeente (EBG) speelt een significante rol in het leven van veel Creolen in Suriname. De gemeenschap heeft een lange geschiedenis in Suriname en heeft bijgedragen aan de culturele en religieuze vorming van de bevolking.
Een voorbeeld van de verbinding tussen de EBG en de Creoolse gemeenschap is te vinden in het leven van Nenne Albertina. Zij werd rond 1845 geboren op een suikerplantage en haar moeder was een slavin. Na de afschaffing van de slavernij in 1863, kreeg zij de naam Mietje Madretsma. Ze kwam terecht op plantage Waterloo in Nickerie, nabij een zendingspost van de Evangelische Broedergemeente. Door haar huwelijk met een onderwijzer werd haar naam Albertina Abrahams. Na het overlijden van haar man verhuisde ze naar Paramaribo, waar ze onder andere dienstbode werd bij Anna Kersten-van Calker, de auteur van een boekje over haar leven. Kersten zag het als haar plicht om over Albertina te vertellen, gezien hun vriendschap gedurende vijftien jaar.
De EBG was ook betrokken bij herdenkingen van het slavernijverleden, zoals blijkt uit de vieringen rond Keti Koti in Zoetermeer in 2023. Deze bijeenkomsten, waarbij kerk- en geloofsgenoten en nazaten van tot slaaf gemaakte mensen elkaar ontmoeten, markeren de eerste stappen om elkaar als 'zwarte en witte' christenen en kerken in de ogen te kijken, na 150 jaar afschaffing van de slavernij.
Waarom Veel Surinamers in Nederland Nog Steeds Niet Echt Thuis Voelen - Zelfs Na 50 Jaar
Familiegeschiedenis en Namen in Suriname
Onderzoek naar familiegeschiedenis in Suriname, met name in relatie tot de periode van slavernij, kan complex zijn. Namen en familienamen evolueerden, en formele registratie was niet altijd beschikbaar of nauwkeurig.
Een voorbeeld hiervan is de geschiedenis van Betje van Beeldsnijder, geboren rond 1742 in Paramaribo. Zij werd op 11 november 1810 gedoopt binnen de EBG. Haar vermoedelijke eerste eigenaar was Andreas Rijnsdorp. Er is bewijs dat er een relatie bestond tussen Betje en Wolfert Jacob Beeldsnijder Matroos, een hoge ambtenaar. Hoewel een formeel huwelijk onmogelijk was gezien hun verschillende sociale staten, suggereert de doop van hun kinderen, waarvan twee de naam Van Matroosen kregen (later veranderd in Matroos of Matroos Beeldsnijder), deze relatie.
De naam 'Bijval', gedragen door een oudere zus van Betje's tweelingkinderen, zou kunnen duiden op een 'willekeurig' kind. De theorie is dat Beeldsnijder Matroos haar als stiefvader adopteerde toen hij een relatie aanging met Betje, die toen nog een tot slaaf gemaakte vrouw was. Hij zou haar en haar kinderen hebben vrijgekocht.
De vermelding van personen als 'H.Matroos & family' in de volkstelling van 1811, en de getuigenis van een kleindochter van Antoinette Matroos, illustreren de blijvende impact van deze familienamen.
tags: #surnaams #evangelische #broederschap