In 1860 telde de buurtschap Emst ongeveer vijftig gezinnen, wat neerkomt op zo'n driehonderd mensen, velen van hen leefden in armoede. Tot die tijd waren de buurtschappen in Emst kerkelijk aangewezen op de Grote (hervormde) Kerk te Epe, de moederkerk van de Noordoost-Veluwe. De wens voor een eigen kerk in Emst groeide, aangezien de afstand naar Epe of Oene lopend aanzienlijk was.
De oprichting van de Hervormde Gemeente te Emst
Uit de kerkleden werd een commissie gevormd. In maart 1861 wendde deze commissie zich tot de hervormde gemeente van de Grote Kerk te Epe met het verzoek zich af te mogen splitsen en een eigen kerkgemeenschap met kerkgebouw in Emst te stichten. Dit verzoek stuitte aanvankelijk op weerstand in Epe, waar men Emst met zijn buurtschappen onder de eigen gemeente wilde houden. Na vele vergaderingen ging de kerk van Epe in 1862 echter akkoord.

Voor de bouw van de nieuwe kerk kwamen vele schenkingen binnen, onder andere van het St. Anthonie Gilde te Epe. De opbrengst van een provinciale collecte en een lening uit een fonds van de Grote Kerk in Epe droegen eveneens bij aan dit project. Zelfs koning Willem III verleende steun door een jaarlijkse bijdrage van 400 gulden toe te zeggen voor het salaris van de predikant, betaald uit de rijkskas. Mejuffrouw Catharina Wilhelmina Fincke, die in 1861 overleed, legateerde 1000 gulden aan de hervormde gemeente van Emst, onder de voorwaarde dat er binnen tien jaar een kerk gebouwd moest worden, anders verviel het kapitaal aan de familie.
In een vergadering van kerkvoogden en notabelen van Epe op 26 januari 1865 werd, na enige discussie, besloten om de kerkelijke gemeente van Emst de benodigde grond in volle eigendom af te staan. Het betrof zestig roeden grond aan de Grintweg te Emst, met de uitdrukkelijke bepaling dat de kosten van overdracht door de Emster commissie gedragen moesten worden. De kerkvoogden achtten de grond aan de Grintweg een geschikte locatie voor de nieuwe kerk. Deze grond was gedeeltelijk verpacht aan Wolter Tellegen, bakker en herbergier aan de Grintweg.
De bouw van de kerk en pastorie
De aanbesteding voor de bouw van de kerk en de pastorie vond plaats op 5 september 1865 bij G. Langen in Het Wapen van Epe. De technische beschrijving van de bouwwerken was zo gedetailleerd dat slechts 100 gulden betaald hoefde te worden voor werkzaamheden buiten het bestek. De laagste inschrijvers voor het werk waren de timmerlieden Johannes Cornelis de Bruin, Carel Schut en Gerrit de Bruin uit Vaassen, met een bod van ƒ 13.544.
De eerstesteenlegging van de kerk vond plaats op 19 maart 1866, verricht door G.W. van der Feltz, oud-burgemeester van Epe en voorzitter van het Sint Anthonie Gilde. Volgens A. Brouwer te Epe heeft het Sint Anthonie Gilde in 1866 een aanzienlijk bedrag van 8000 gulden geschonken voor het kerkgebouw. Als blijk van dank ontving het gilde een halve bank in de kerk in eigendom.
Tragisch ongeval na eerstesteenlegging
De eerstesteenlegging verliep vlekkeloos, maar na afloop deed zich een tragisch ongeval voor. Het werkvolk, na het nuttigen van een kruik jenever, zat op de losse stelwagen om terug te keren naar Vaassen. Toen de voerman de Grintweg opdraaide, stuurde hij de paarden de verkeerde kant op, waardoor de wagen kantelde en iedereen eraf viel. Of de voerman te diep in het glaasje had gekeken, is nooit onomstotelijk vast komen te staan. Onder de slachtoffers bevonden zich veldwachter Cornelis Johannes Bunte uit Vaassen, die zwaargewond raakte aan zijn schouder, en zijn elfjarige zoontje Coenraad Frederik, die overreden werd en aan zijn verwondingen overleed. Andere timmerlieden raakten gewond; een timmermansknecht uit Apeldoorn brak zijn been. De krant meldde later dat de blessure van de timmerman uit Apeldoorn minder ernstig was. Sommige ooggetuigen verklaarden dat drankmisbruik niet de oorzaak was, maar een menselijke inschattingsfout van de voerman, Aart van Eek, een betrouwbaar man. De wagen, ongeschikt voor personenvervoer, was bij het draaien gekanteld. Deze dag werd voor veldwachter Bunte en zijn vrouw Everdina Terwel een zeer trieste dag door het verlies van hun zoon.

In de boeken van het Sint Anthonie Gilde van 1866 staat de post vermeld: transport van een halve anker wijn (12 flessen) naar Emst voor de eerstesteenlegging van de kerk: ƒ 18,20.
De eerste predikant en latere ontwikkelingen
Ds. H. Worst van de Grote Kerk in Epe was consulent, maar Anthonie Abraham Sels werd de eerste predikant van de kerk in Emst. Hij werd op zondag 8 mei 1868 in het ambt bevestigd door ds. Worst. Emst werd daarmee het vierde kerkdorp dat aan de gemeente Epe werd toegevoegd. Sels, geboren in Amsterdam in 1828, bleef ongehuwd en woonde op Emsterenk 507. Op 25 augustus 1874 werd hij uitgeschreven als inwoner van de burgerlijke gemeente Epe en vertrok hij naar Amsterdam.
De brand in de kerk van 1930
De kerk in Emst werd op maandagochtend 6 januari 1930 getroffen door een grote brand. De lokale brandweer, geholpen door korpsen uit Vaassen en Epe, kon de vlammen niet bedwingen. Met pijn in het hart moesten de omwonenden toezien hoe de kerk, waaraan veel jeugdherinneringen waren verbonden, ten prooi viel aan de vlammen. Veel waardevol materiaal, waaronder uit het kerkarchief, ging verloren. De oorzaak van de brand bleef onzeker, maar werd vermoedelijk gezocht in een stoofje met gloeiende kolen van afwezige kerkbezoekers, dat na de dienst mogelijk onopgemerkt was gebleven.

De mislukte brandbestrijding leidde tot discussies in de gemeenteraad van Epe over het functioneren van de Emster brandweer. Men besloot de brandweer op te heffen wegens ontoereikend materiaal. Op woensdag 14 mei 1930 vond de aanbesteding plaats voor de wederopbouw van de kerk in café De Nieuwe Kroon te Emst. Twintig aannemers hadden ingeschreven; R. van der Wijk uit Heerenveen won de aanbesteding voor ƒ 25.220, en W.M. Schraven uit Oldebroek voor het schilderwerk voor ƒ 1.450.
De herbouwde kerk werd op zondag 28 december 1930 ingewijd door ds. A.G. Oosterhuis.
De Gereformeerde Kerk te Epe
De Gereformeerde Kerk te Epe, ook wel De Regenboogkerk genoemd, werd gesticht op 14 november 1888, voortkomend uit een afsplitsing van de Hervormde Kerk, de zogenaamde Doleantie. De eerste ouderlingen waren C.D. Bouwman en H. Rozendal Jzn. De gemeente begon met vijftien leden en kwam aanvankelijk bijeen in een lokaal achter het kerkhof.
In 1908 werd een eigen kerk met 140 zitplaatsen aan de Beekstraat gebouwd. Deze werd in 1937 afgebroken voor een nieuwe kerk, waarvan de eerste steen op 20 november 1937 werd gelegd door ds. J. Vrolijk. Het ledenaantal groeide aanzienlijk bij de aanstelling van ds. J.J. Bajema. Andere predikanten uit die beginperiode waren ds. J.J.G. Geelkerken, ds. P. Jukkenekke, ds. I. Tonkens en ds. J. Vrolijk.
In 1968 werd aan de achterkant van de kerk een zalencomplex, genaamd de Antenne, toegevoegd. Na een grondige renovatie in 2001, gericht op brandbeveiliging en toegankelijkheid, werd de Regenboogkerk op dinsdag 20 augustus 2024 rond 11.30 uur door brand volledig verwoest. De kerkgangers vonden tijdelijk onderdak in wijkcentrum De Burgerenk vanaf 15 september 2024.

De Christelijke Afgescheiden Gemeente te Epe
In Epe bestond ook een 'Christelijke Afgescheidene Gemeente'. Vanaf 1834 werden er godsdienstige huisbijeenkomsten, 'conventikels', gehouden in een boerderij van landbouwer Jan Peters van Tongeren in het nabijgelegen gehucht Tongeren. Op 5 januari 1836 werd in de woning van Jan van Tongeren weer een conventikel gehouden. De veldwachter constateerde dat het aantal bezoekers niet boven de achttien uitkwam, wat binnen de toegestane limiet van twintig toehoorders viel.
Tijdens deze bijeenkomsten werden vaak preken gelezen van zeer orthodoxe predikanten uit vroegere tijden. Vermoedelijk werd op de bijeenkomst van 5 januari 1836 de kerkenraad van de kleine Afgescheiden Gemeente van Epe in het ambt bevestigd, mogelijk door ds. A. Brummelkamp uit Hattem. Herman Mulder werd tot ouderling gekozen en Jan van Tongeren werd diaken.
In februari 1836 constateerde de burgemeester dat ds. Brummelkamp zich niet meer aan het maximum aantal bezoekers hield. De Afgescheidenen werden nauwlettend in de gaten gehouden. De onzekerheid over mogelijke invallen deed de Afgescheidenen van Epe een rekest sturen naar de gemeenteraad met het verzoek godsdienstige bijeenkomsten te mogen houden in de woning van J.P. van Tongeren.
Op 24 juli 1836 hielden de Afgescheidenen opnieuw een kerkdienst in de boerderij van Van Tongeren, met aanwezigheid van ds. Brummelkamp. De burgemeester en veldwachter kwamen ook kijken. Na een discussie van twee uur zag ds. Brummelkamp in dat de burgemeester gelijk had en verzocht de aanwezigen rustig uiteen te gaan. Het aantal bezoekers overschreed de limiet, en het Koninklijk Besluit van 5 juli 1836 verbood inwoners van andere dorpen deel te nemen aan dergelijke conventikels.
Ondanks deze tegenslagen gingen de bijeenkomsten van de Afgescheiden Gemeente te Epe door. Op 23 oktober 1836 kwam men opnieuw bijeen in de boerderij van J.P. van Tongeren, onder leiding van ds. Brummelkamp. Dit voorval werd voor de rechter gebracht. Op 31 november dat jaar werd vonnis gewezen, waarbij Brummelkamp een boete van ƒ 100 opliep en Van Tongeren tot ƒ 50 werd veroordeeld omdat hij zijn woning ter beschikking had gesteld.
Het zelfde gebeurde met de bijeenkomst van Eerste Kerstdag 1836; ook daar waren meer dan twintig personen aanwezig, wat leidde tot nieuwe boetes voor Brummelkamp en Van Tongeren. Ondanks de vrijspraken van de rechtbank, zette de burgemeester zijn vervolgingsbeleid voort. Begin 1837 vroeg hij om steun van militairen uit Kampen. Herman Mulder en Jan van Tongeren kregen militairen in huis, evenals andere gemeenteleden. Op deze manier probeerde de burgemeester bijeenkomsten te voorkomen.
In het nabijgelegen Oene was op 11 maart 1837 ook een Christelijke Afgescheiden huisgemeente geïnstitueerd. Beide gemeenten, die van Epe en Oene, werden ergens tussen februari en mei 1842 bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Heerde gevoegd. Vermoedelijk vond de opheffing van de gemeente van Epe begin dat jaar plaats.
De 'Vereeniging Vrienden der Waarheid' en de Doleantie in Epe
In 1857 kwam kandidaat H. Worst naar de hervormde gemeente van Epe. Hij diende de gemeente eenendertig jaar en vertrok in 1888 naar Oirschot, en liet een vrijzinnige hervormde gemeente achter.
In 1870 sprak evangelist A. van Veelo (1844-1924) in Epe. Hij behoorde tot de 'Vereeniging Vrienden der Waarheid', een landelijke vereniging die zich ten doel stelde de gereformeerde leer in de Hervormde Kerk te handhaven uit onvrede met de vrijzinnigheid. In de negentiende eeuw ontstonden soortgelijke verenigingen landelijk, die zich in 1863 verenigden in de 'Vereeniging De Vrienden der Waarheid'. De leden bestonden relatief uit veel 'kleine luyden'.
De plaatselijke verenigingen bekritiseerden de kerkenraden omdat deze de gereformeerde leer onvoldoende verdedigden tegen 'vrijzinnige dwalingen'. De vereniging stelde evangelisten aan die werkten in gebieden zonder orthodoxe prediking. Toen de Doleantie zich in 1886 aandiende, besloot de 'Vereeniging' tot onvoorwaardelijke steun aan de Dolerende kerken.
Toen hij in 1870 in Elburg een spreekbeurt hield, ontmoette A. van Veelo broeders uit Epe, een gemeente die hij omschreef als 'verstoken van de prediking der waarheid en onder de invloed verkeerde van het modern ongeloof'. Op 24 mei 1870 sprak hij in Epe en richtte er een afdeling van de 'Vereeniging Vrienden der Waarheid' op. De bijeenkomsten werden met 'zeer veel belangstelling' bezocht. In 1871 werd een lokaal aan het Molenpad gebouwd, wat de spreek- en luisteromstandigheden aanzienlijk verbeterde.
Ondertussen bleef ds. Worst de hervormde predikant van Epe. Tijdens zijn predikantschap groeide het aantal gemeenteleden dat zich niet kon vinden in de vrijzinnige koers van de hervormde gemeente. Toen ds. Worst per 26 augustus 1888 vertrok, werd hij opgevolgd door ds. J.A. Prins, die op 2 december in hetzelfde jaar aan de hervormde gemeente van Epe verbonden werd en het vrijzinnige pad van zijn voorganger voortzette.
De Doleantie in Epe en de oprichting van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk
De Doleantie, die in 1886 in Amsterdam plaatsvond, bleef ook in Epe niet onopgemerkt. Op 24 augustus 1888 deelden drie hervormde gemeenteleden, Jan Rozendal, E. Kasteel Ezn. en H. Westerink, hun kerkenraad mede dat zij, als 'leden van de Gereformeerde Kerk', zich afscheidden van de hervormde kerk. Zij stelden zich op de basis van de kerkorde van de Synode van Dordrecht 1618-1619 en de Drie Formulieren van Enigheid.
Ze wezen de hervormde ambtsdragers op 'de ontrouw en het jarenlange plichtsverzuim' van de kerk ter plaatse, door de belijdenisgeschriften terzijde te schuiven en onschriftuurlijke leringen toe te laten.
Rozendal, Kasteel en Westerink verzamelden vervolgens handtekeningen van 'vertrouwbare broederen' die instemden met de 'afwerping van het juk der synodale hiëarchie'. Deze verzamellijsten waren beschikbaar gesteld door het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat van 11 tot 14 januari 1887 onder leiding van dr. A. Kuyper in Amsterdam had plaatsgevonden.
De vijftien ondertekenaars kwamen op 14 november 1888 bijeen in het evangelisatiegebouw aan het Molenpad te Epe. Onder leiding van ds. J.H. Houtzagers van Kootwijk kozen zij twee ouderlingen en twee diakenen: de ouderlingen Cornelis Bouwman en Hermannus Rozendal Jzn.
Ds. Houtzagers had gestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en was op 7 februari 1886 bevestigd als predikant van de hervormde gemeente van Kootwijk, zonder te wachten op de vertegenwoordigers van het hervormde classicaal bestuur. Deze actie werd ondernomen op aanraden van dr. Willem van den Bergh, predikant van Voorthuizen, waar het besluit tot Doleantie reeds op 10 september 1885 was genomen.
De bevestiging van de vier gekozen ambtsdragers vond plaats onder leiding van ds. Houtzagers op 25 november 1888, opnieuw in het lokaal aan het Molenpad. Daarmee was de kleine 'Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)' te Epe een feit. De meesten van de vijftien leden waren afkomstig uit het dorpje Wissel.
De evangelisten van de 'Vrienden der Waarheid' bleven elke veertien dagen spreekbeurten vervullen in het lokaal aan het Molenpad. De Dolerende gemeente van Epe groeide langzaam. In september 1889 besloten de manslidmaten om een predikant te beroepen.
Later werd een pastorie aan de Beekstraat gebouwd, die in 1901 gereed was. Een predikant was er echter nog lang niet. In de tussentijd werden twee 'oefenaars', de brs. Henschen en Vleesch, toegelaten om een stichtelijk woord te spreken. De kerk van Epe bracht enkele keren een beroep uit op Vleesch, maar deze nam het niet aan. Ouderling H. Rozendal was de belangrijkste steunpilaar voor de kleine gemeente. Vaak werd ook een preek gelezen, met name de prekenbundel van ds. H. Hoekstra uit Arnhem, die de Heidelbergse Catechismus behandelde.
De eerste predikant van de Gereformeerde Kerk te Epe
Nog voordat een predikant werd beroepen, werd na veel overleg het salaris vastgesteld: ƒ 800 per jaar als basistraktement. Omdat Epe een arm heidedorp was, ging de classis akkoord met ƒ 600, met financiële steun van de classis als 'hulpbehoevende kerk'.
Het eerste beroep ging uit naar ds. J.H. Houtzagers van Kootwijk, maar deze bedankte (hij zou tot zijn emeritaat in 1918 in Kootwijk blijven). Jaren later, in 1898, werd de kerkenraad attent gemaakt op ds. J.J. Bajema (1844-1927). Hij was in 1887 met de Doleantie meegegaan en verbonden geweest aan de Dolerende Kerk van Sneek. Na zes jaar lonkte de preekstoel weer, en werd hij in 1896 bevestigd als predikant van de Gereformeerde Kerk te Heteren en Randwijk. Hij kreeg het verzoek om in Epe te komen preken.
Op de gemeentevergadering van 16 mei 1899, met slechts achtentwintig manslidmaten aanwezig, werd hij met algemene stemmen beroepen. Ds. Bajema deed op 6 augustus 1899 intrede. Tijdens zijn predikantschap werden plannen gemaakt om een nieuw kerkgebouw te stichten, aangezien het kerkje aan het Molenpad te klein werd. In februari 1903 werd een bouwcommissie benoemd.
Voordat in 1892 de landelijke kerkfusie tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken plaatsvond, ontstonden er spanningen onder gemeenteleden van Christelijke Gereformeerde Gemeenten die niets van de fusie moesten hebben. Zij vonden dat de Christelijke Gereformeerde Kerk 'verkocht en begraven' werd en dat de plaatselijke gemeenten niet geraadpleegd waren.
Predikanten ds. F.P.L.C. van Lingen te Zetten en ds. J. Wisse Czn. van Den Haag waren de voornaamste woordvoerders van de bezwaarden tegen deze fusie. Vlak voordat ds. Bajema in 1905 naar Oostzaan vertrok, bleek dat een tweetal kerkenraadsleden uit Epe zo nu en dan christelijke gereformeerde kerkdiensten bijwoonden.
In 1904 werd door de gereformeerde kerkenraad in Epe een Christelijke School gesticht. Omdat steeds meer Hervormde ouders hun kinderen toevertrouwden aan deze Gereformeerde School, besloot het bestuur zich aan te sluiten bij de 'Ver. voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs' (C.N.S.). De grondslag van de school werd hierdoor positief-Christelijk zonder kerkelijk etiket.
In december 1904 vroeg ds. Bajema om hem vrij te laten in de op hem gedane roeping, aangezien hij een beroep had ontvangen van de Gereformeerde Kerk te O... (de plaatsnaam ontbreekt in de tekst).
De geschiedenis van de pastorie in Epe en Emst
Het dorp Emst is eigenlijk nog niet oud en werd pas echt een 'dorp' (een kerkdorp) met de bouw van de kerk in 1866. Vóór die tijd moest men vanuit Emst lopend naar de Grote Kerk in Epe. In 1861 werd de eerste aanvraag bij de kerkenraad te Epe ingediend om in Emst een eigen gemeente te stichten. De kerkenraad van Epe was hier aanvankelijk niet voor. De wens om een eigen kerk te stichten bleef bestaan, en in een vergadering van 9 januari 1862 werd een plan opgesteld voor de stichting van een kerk en pastorie te Emst. Een jaar later werd het financiële gedeelte afgehandeld voor een te stichten zelfstandige gemeente te Emst.
In de vergadering van 26 januari 1865 werd besloten aan de kerkelijke gemeente van Emst 0,60 HA grond af te staan.
Op 5 september 1865 vond bij G. Lange in het Wapen van Epe de aanbesteding van kerk en pastorie plaats. De laagste inschrijvers waren timmerlieden uit Vaassen voor de som van ƒ 13.544,00.
De oud-burgemeester van Epe, G. W. van der Feltz, legde op 19 maart 1866 de eerste steen. Na de voltooiing van de kerk en pastorie kon het beroepingswerk beginnen.
Op zondag 8 mei 1868 deed candidaat Sels uit Deventer zijn intrede in de nieuwe gemeente, na bevestigd te zijn door de consulent Ds. H. Worst.
Ds. G. van Rhijn (predikant te Emst van 1902-1908) was de eerste rechtzinnige predikant en wordt beschouwd als de grondlegger van het jeugdwerk in de gemeente. De oprichting van een Jongelings-, Meisjes-, Zang- en Knapenvereniging, en de Zondagsschool, was mede het werk van het echtpaar Van Rhijn. Ter dankbaarheid voor zijn werk is in 1961 een straat in Emst naar hem genoemd: de Ds. Van Rhijnstraat.
Met de komst van Ds. R. Bartlema ging de gemeente over naar de Hervormd-Gereformeerde richting.
De oude pastorie aan de Weemeweg
De hoek Beekstraat met de Weemeweg in Epe kent een rijke geschiedenis. Een groep ouders kwam in 1876 in de oude pastorie van de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Weemeweg bijeen om een school op te richten. De zogenaamde Fransche School werd op 17 januari 1876 geopend in de oude pastorie, met Jacob Gerard van den Bosch als schoolhoofd. Het adres van de school en het hoofd luidde: Oude pastorie, Kom 81 B te Epe.
De eerste jaren was de school een soort privé-instituut. In 1882 werd de school door de gemeente overgenomen en kreeg zij een openbaar karakter. De oude pastorie (uit 1653?) aan de Weemeweg, waarin de Fransche school was ondergebracht en die later MULO werd, werd in december 1912 afgebroken om plaats te maken voor een nieuw schoolgebouw. Het laatste hoofd van de MULO-school was de heer Roelof Paasman.

Het woord 'Weeme' betekent 'een statig groot huis nabij een kerk'.
'De Weemehof'
Omstreeks 1989 stond het gebouw met de gymzaal van de voormalige Van den Boschschool aan de Beekstraat leeg. Alleen de directeurswoning werd nog bewoond. De vraag rees wat er met dit markante gebouw moest gebeuren: slopen of behouden voor culturele activiteiten. De locatie in het centrum van Epe was uitermate geschikt voor de bouw van een seniorencomplex, dicht bij de voorzieningen.
Architectenbureau Jorissen in Rijssen kreeg de opdracht een woningbouwplan te ontwerpen voor seniorenwoningen met een gemeenschappelijke ruimte en afgesloten galerijen, om een fijn woon- en leefklimaat te creëren. De videofooninstallatie en de afgesloten toegangsdeur droegen bij aan een veilige woonomgeving. Er werd gekozen voor duurzame materialen en goede warmte-isolatie, zoals kunststof buitenkozijnen.
Met dit bouwplan werd de procedure ingezet voor de wijziging van het bestemmingsplan en de bouwaanvraag. Na de sloop van het schoolgebouw werd de bouwput uitgegraven, en op 5 maart 1992 kon de eerste paal geslagen worden van 'De Weemehof', onder belangstelling van genodigden en het bestuur van woningbouwvereniging De Vier Dorpen.
Na een voorspoedige bouwperiode kon aannemer Reinbouw uit Dieren de woningen nog voor de kerstdagen van 1992 opleveren voor de huur aan de bewoners. Woningbouwvereniging De Vier Dorpen heeft, samen met anderen, bijgedragen aan de inrichting van een gemeenschappelijke ruimte. Omstreeks Pasen 1993 werd 'De Weemehof' feestelijk geopend.
In 1992 werd de vereniging 'De Weemehof' opgericht, met als doel het bevorderen van de woonzelfstandigheid van ouderen en het zorgen voor een optimaal woon- en leefgenot. Twee keer per jaar wordt een algemene vergadering gehouden.
Bewoners zoals mevrouw Trompetter, Klaas en Diny Fiks, mevrouw Koerhuis-Toorn en de familie Kamphuis delen hun positieve ervaringen met het wonen in 'De Weemehof', de georganiseerde activiteiten en de centrale ligging.
Sinds 2009 stellen de bewoners van 'De Weemehof' hun gemeenschappelijke ruimte open voor maatschappelijke stagiaires van de Regionale Scholengemeenschap De Springborn uit Epe en het Christelijke College de Noordgouw uit Heerde, om jongeren kennis te laten maken met vrijwilligerswerk.
De huidige directeur van Triada, dhr. Harrie van de Ven, spreekt zijn trots uit over 'De Weemehof' en benadrukt de goede verzorging, het plezier van de bewoners en de mogelijkheden in de gemeenschappelijke ruimte. Hij prijst de manier van bouwen die destijds mogelijk was en de uitstraling van het woongebouw.