Dit boek, onderdeel van de serie Wegwijs Stromingen, biedt een inkijk in het vrijzinnig protestantisme, een stroming die traditioneel de linkerflank van het protestantisme in Nederland vormt. Kenmerkend voor deze geestesrichting is de nadruk op geestelijke autonomie, waarbij geloven als een persoonlijke aangelegenheid wordt beschouwd die enkel in vrijheid kan bestaan. Een ander belangrijk kenmerk is verdraagzaamheid: wie vrijheid van geweten voor zichzelf opeist, gunt deze ook anderen om hun geloof op hun eigen wijze te beleven. Vanwege de sterke gerichtheid op het leven en de heersende tijdgeest, kenmerkt vrijzinnigheid zich door een dynamisch karakter. De geschiedenis ervan is dan ook het verhaal van een voortdurend bewegende geestesstroming, gevormd door externe impulsen en interne ontwikkelingen.
De serie Wegwijs levert betrouwbare en zakelijke informatie over wereldgodsdiensten, religieuze groeperingen en stromingen. De redactie van de serie bestaat uit drs. E.G. Hoekstra, dr. J.B.G. Jonkers en dr. R.
Ontstaan en Vroege Ontwikkeling
Hoewel vrijzinnigheid in diverse vormen altijd in meer of mindere mate binnen de maatschappij en theologie aanwezig is geweest, ontstond het vrijzinnig protestantisme als specifieke godsdienstige stroming in Nederland pas in de jaren veertig van de negentiende eeuw. De nieuwe theologische richting, bekend als het modernisme, waaide over uit Duitsland. Grondleggers van het modernisme in Nederland waren de Leidse theoloog J.H. Scholten en de Utrechtse jurist en wijsgeer C.W. Opzoomer. Zij, en velen met hen, betwistten het gezag van de bijbel en de kerkleer. De moderne theologen begonnen de bijbel te toetsen aan de wetenschap en stelden de absoluutheid van de bijbel ter discussie. Dogma's zoals de schepping uit het niets, de zondeval en de mogelijkheid van gebedsverhoring werden afgewezen.
Tegen deze nieuwe ideeën ontstond aanzienlijke tegenwerking vanuit de gevestigde theologische orde, wat leidde tot jaren van strijd. Hoewel het vrijzinnig protestantisme beoogde zich binnen de bestaande kerken te bewegen, werden zowel in de negentiende als in de twintigste eeuw diverse organisaties opgericht om de vrijzinnige belangen te behartigen. Bekende voorbeelden hiervan zijn de Nederlandse Protestantenbond en de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep (V.P.R.O.). Tevens werden er vrijzinnige zondagsscholen opgericht en ontstond er een actieve vrijzinnige jeugdbeweging.

Organisaties en Educatie
De Nederlandse Protestantenbond benoemde in 1877 een commissie die zich moest gaan bezighouden met de organisatie van specifiek vrijzinnige zondagsscholen. Later nam een speciale zondagsschoolvereniging, de N.V.V.Z., deze taak over. Zondagsscholen, mede onder invloed van het Reveil in de negentiende eeuw, hadden als doel kinderen uit volksbuurten te informeren over het christendom en boden soms ook basisonderwijs. Van leerplicht was in die tijd nog geen sprake, waardoor veel arbeiderskinderen geen behoorlijke vorming genoten. Vanaf 1845 verschenen speciale zondagsschoolboekjes die kinderen met Kerstmis kregen uitgereikt. De inhoud van deze boekjes was in de begintijd vooral gericht op evangelisatie; de eenvoudige verhaaltjes bevatten veel bijbelcitaten.
Bekende schrijvers van deze vroege lectuur waren de Amsterdamse dominee J. de Liefde, zijn leerlingen E. Gerdes en A.J. Hoogenbirk (waarvan de eerste bekend stond als 'papenhater'), en vanaf 1900 Ida Keller. Deze lectuur presenteerde onbetwiste zwart-wit stellingen, wat niet aansloot bij vrijzinnigen die het persoonlijke geloofsleven en de eigen invulling daarvan centraal stelden.
De Opkomst van Vrijzinnige Kinderlectuur
Vanaf 1880 werd een eerste, voorzichtige poging ondernomen om vrijzinnig protestantse kinderlectuur te verspreiden. In 1881 verscheen bij Van Broekhoven te Utrecht Gedichtjes voor de zondagsschool, samengesteld door Anna Fles en Jacoba F.D. Mossel. Dit boekje kende een ongekend succes, met een verkoop van 35.000 exemplaren in 1900.
De echte start van de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur vond plaats op 1 september 1886, met de lancering van Vrij en Vroom, een maandblad voor zondagsscholen in vrijzinnige geest, uitgegeven door H.C.A. Thieme te Nijmegen. Het blad stond onder redactie van Jacoba F.D. Mossel.
Jacoba F.D. Mossel: Een Pionier
Jacoba Frederika Daniëlla Mossel werd geboren op 3 maart 1859 in Vlissingen. Al op jonge leeftijd raakte zij, mede door contacten met de familie Opzoomer, geïnteresseerd in het geestelijk leven. In 1892 vestigde zij zich in Amsterdam, waar ze als zelfstandig godsdienstlerares werkte. Lang voordat de eerste vrouwelijke predikant in Nederland op de kansel stond, preekte Jacoba al bij de doopsgezinden en raakte betrokken bij het werk van de Vrije Gemeente, een vrijzinnige kerkgemeenschap in de hoofdstad. Het zondagsschoolwerk had haar grote aandacht. Zij was een bevlogen vrouw, energiek en geïnteresseerd in vele geestelijke en maatschappelijke aspecten van het leven.
Als redactrice van Vrij en Vroom was zij de eerste die gelijkgestemden om zich heen verzamelde en ervoor zorgde dat het vrijzinnig protestantse kinderverhaal een plaats kreeg. Zelf schreef ze ook voor kinderen, onder eigen naam en onder het pseudoniem Dodo. Door haar onbevangen instelling, ze publiceerde onder meer pamfletten over emancipatie en dienstweigering, kwam zij regelmatig in botsing met de autoriteiten en later ook met de zondagsschoolbestuurders.
Inhoud en Auteurs van Vrij en Vroom
In Vrij en Vroom, en later ook in andere vrijzinnig protestantse zondagsschoolbladen, verschenen zowel religieuze als algemene verhalen. Daarnaast stonden er 'preekjes' in die thema's behandelden als Schaamte, Zelfkennis, Zelfbeheersing of Goed zijn maakt gelukkig. De verhalen werden meestal geschreven door vrouwen, waaronder Christine Doorman, Esjee, Emilie Knappert en H. Stuten-van IJsselstein. In augustus 1902 debuteerde To Gaerthé, die later als C.M. van Hille-Gaerthé grote bekendheid kreeg. Het meest gericht op de belevingswereld van het kind waren de verhalen van Henriëtte Wijthoff. Het proza van Jacoba Mossel en Henriëtte Wijthoff werd in dikke verzamelbundels uitgegeven door L.J. Veen, met titels als 't Zondagsklokje, Voor een rustig hoekje, Stille uren, Jong Leven.
Vrij en Vroom bleef dertig jaar bestaan, al die tijd onder redactie van Jacoba F.D. Mossel. Na een conflict - de redactrice maakte van het tijdschrift steeds meer een sociaal strijdblad - verscheen in 1917 een nieuw blad: 's Levens Opgang, nu geheel onder de zeggenschap van de N.V.V.Z. In 1947 werd dit blad opgevolgd door De Kandelaar, dat nog steeds bestaat en maandelijks in een kleine oplage verschijnt. Bekende auteurs werkten aan deze bladen mee, zoals Aafje Bruijn, D.A. Cramer-Schaap en C. Wilkeshuis.

Vrijzinnige Jeugdliteratuur en Tijdschriften
Naast de bladen voor de zondagsschool waren voor de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur ook de tijdschriften van de diverse jeugdbewegingen van belang. Het vrijzinnig jeugdwerk werd georganiseerd binnen de V.C.J.C., de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale. Voor verschillende leeftijdsgroepen werden tijdschriften uitgegeven: Vrije Vogels, Kampvuur en Wachtvuur. Rein Valkhoff en ook A. Rutgers van der Loeff-Basenau behoorden tot de auteurs. De inhoud bestond uit verhalen, opvoedkundige stukjes, nieuws uit de jeugdbeweging en boekbesprekingen. Illustraties kwamen weinig voor.
Andere jeugdtijdschriften met een vrijzinnig protestantse signatuur waren Droom en Daad, verschenen tussen 1923 en 1930 onder redactie van C.M. van Hille-Gaerthé.
Kernprincipes van Vrijzinnige Jeugdliteratuur
Een belangrijk uitgangspunt van vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur is dat men wel op God en het geloof mag wijzen, maar het niet mag opdringen. In deze literatuur zijn nauwelijks verhalen te vinden over kinderen die op het sterfbed tot geloof komen, iets wat in de orthodoxe jeugdliteratuur tot ver in de twintigste eeuw een dankbaar onderwerp was. Relatief veel boeken spelen zich af in de betere kringen. Armoede is in de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur een verschijnsel waar de personages mee in aanraking komen, maar meestal niet zelf ervaren.
De meeste auteurs waren vrouwen. Wanneer ze gehuwd waren, hadden ze meestal geen baan meer, omdat werken voor getrouwde vrouwen in die tijd in de betere milieus als ongepast werd beschouwd. De vrije tijd konden ze goed invullen met schrijven, een bezigheid die thuis te verrichten viel. Onder de auteurs waren tamelijk veel domineesvrouwen, maar ook zondagsschooljuffen en godsdienstleraressen. Ook enkele vrouwelijke, veelal remonstrantse, dominees namen de pen ter hand. Mannelijke auteurs waren er nauwelijks binnen de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur.
Naast neutrale schrijvers als Rein Valkhoff en C. Wilkeshuis, die uitstapjes maakten naar vrijzinnige uitgevers, kregen eigenlijk alleen de christen-anarchist Felix Ortt, de in de Tweede Wereldoorlog dwalende doopsgezinde predikant A.A. van der Waals en de later tot het nationaal-socialisme bekeerde G. van der Zalm (deze laatste met een strikt anti-revolutionaire signatuur) enige bekendheid.

Belangrijke Auteurs en Uitgevers
In de loop van negentig jaar (1880-1970) verschenen ongeveer 500 kinderboeken op vrijzinnig protestantse grondslag, de meeste gering in omvang. De belangrijkste auteurs waren Mien Labberton en C.M. van Hille-Gaerthé.
Mien Labberton
Mien Labberton werd op 6 april 1883 geboren in Den Haag, waar haar vader onderwijzer was. Ze was actief in de Remonstrantse Kring in haar toenmalige woonplaats Oosterbeek. Ze publiceerde ook voor volwassenen. Haar eerste kinderboek was Lentebloesem (1926), een versjesbundel met illustraties van Tjeerd Bottema, uitgegeven door Ploegsma in Zeist. Met Een jaar bij de familie De Bloeme (1930) was haar naam als vrijzinnig protestants kinderschrijfster gevestigd. In 52 hoofdstukken werkte zij algemene verhalen uit naar een religieus of opvoedkundig slot. Later verschenen vergelijkbare boeken als Het hele jaar buiten (1934) en Jonge harten (1939). Labberton publiceerde ontelbare verhalen in tijdschriften en kranten. Zij verdiepte zich zeer in het wezen van het kind, wat ook blijkt uit haar schetsen voor volwassenen. Uit haar werk spreekt een grote liefde voor de natuur en er zit een nooit versagend streven naar opvoeding in, waarbij religie een belangrijk element was. Tussen 1930 en 1960 was zij voor de jeugd dé vrijzinnig protestantse schrijfster bij uitstek.
C.M. van Hille-Gaerthé
C.M. van Hille-Gaerthé werd als Catharina Magdalena (To) Gaerthé op 17 mei 1881 geboren in Zwolle. Haar vader was huisarts. Zij trouwde met de classicus Gilles van Hille en publiceerde vanaf 1915 om de twee jaar een boek. Haar debuut Onder het stroodak (1915), met illustraties van Tjeerd Bottema, was een groot succes. Vele andere boeken volgden, waaronder Aan de zonzijde (1918), Het verstopte huuske (1925) en Kool en rozen (1927). Zonder opdringerigheid of bekeringszucht getuigden haar boeken van een oprecht vrijzinnig denken, waarin aandacht voor de naaste centraal stond. Hoewel karaktertekeningen niet haar sterkste kant waren, bleken de boeken herkenbaar voor de groep waarvoor ze waren bedoeld: meisjes vanaf twaalf jaar. Zij schreef ook voor jongere kinderen. Bekende titels zijn Het kabouterhuis (1916) en Bij moeder thuis (1931); niet direct boeken met een specifieke, vrijzinnige ondertoon. Haar werk was vaak een mix van fijngevoeligheid en Hollandse gezelligheid. Daarnaast getuigden haar verhalen van een diepe levensernst en straalden ze een zekere intellectualiteit uit. Net als bij Mien Labberton nam in haar werk de natuur een grote plaats in. Haar boeken hadden veel succes; zij was een veel gelezen auteur en niet alleen bij vrijzinnig protestanten.
Andere auteurs van betekenis waren D.A. Cramer-Schaap, Coos Covens en C.E. Pothast-Gimberg; de laatste vooral met haar bundels vol kerstverhalen. Omstreeks 1950 was Dora van der Meiden-Coolsma de belangrijkste auteur. Zij publiceerde in diverse bladen en bij Van Gorcum te Assen verschenen bijna twintig boeken van haar hand. Enkele titels: Verjarie (1952), Maup's grote reis (1955), Kaarsen op kerstfeest (1957) en Kinderen van Suriname (1959). Zij verbleef verscheidene jaren in Suriname waar zich veel van haar verhalen afspelen.
Belangrijkste Uitgevers
De belangrijkste uitgevers van vrijzinnig protestantse kinderboeken in de loop der tijd waren L.J. Veen te Amsterdam, J. Waltman te Maassluis, Editio te Hillegom, Van Gorcum te Assen en Ploegsma te Zeist/Amsterdam.
- L.J. Veen ging van start met de boeken van Jacoba Mossel en Henriëtte Wijthoff en stopte met specifiek vrijzinnige kinderboeken in 1917 toen Vrij en Vroom werd opgeheven.
- Vanaf 1900 verscheen bij J. Waltman een heel fonds vrijzinnige zondagsschoollectuur, met als hoogtepunt het jaarlijkse Kerstboek voor Jong Holland.
- Editio nam het fonds van Waltman in 1918 over en ging tot 1940 op dezelfde voet verder.
- Van Gorcum kwam vanaf 1926 met een nieuw fonds van soortgelijke boeken, die merendeels in series verschenen, waarvan Naar 't zonlicht toe de bekendste was.
- Bij Ploegsma verschenen de belangrijkste boeken van Mien Labberton.
Na 1945 bleven alleen Ploegsma en Van Gorcum als uitgever van vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur actief. Ploegsma was toen echter al meer de vooraanstaande uitgever van algemene kinderboeken, die hij nog steeds is.

Kinderbijbels en de Afname van de Vraag
Er zijn diverse kinderbijbels op vrijzinnige grondslag verschenen. De belangrijkste kenmerken van deze uitgaven zijn dat er niet in wordt gemoraliseerd en dat bij het navertellen van de bijbel het uitgangspunt is: 'zo zegt de bijbel het' en niet: 'zo is het'. Bekend zijn Vertellingen uit den bijbel (1886) van Agatha, De bijbel aan kinderen verteld (1911) van C. Sparnaay, Vertellingen uit de bijbel voor de kleintjes (1917) van Felix Ortt, Wat ons uit het oude boek verteld wordt (1936) van L. Spelberg-Stokmans en De bijbel voor de jeugd (1948) van Johanna Kuiper. Ze bereikten niet het grote succes van Bijbelse verhalen voor jonge kinderen van D.A. Cramer-Schaap, dat in 1957 bij Ploegsma verscheen en meer dan dertig drukken beleefde.
Na 1960 verdween de vraag naar vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur. De toenemende onkerkelijkheid, speciaal onder vrijzinnigen, en het verdwijnen van zondagsscholen, vormden daarvoor de belangrijkste redenen. Na 1971, toen bij Ploegsma het laatste kerstboek Het licht schijnt overal verscheen, werd in boekvorm geen vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur meer op de markt gebracht. In de eenentwintigste eeuw verschijnt in beperkte oplage alleen nog het blad De Kandelaar, met verhalen voor de zondagsschoolviering op de langzamerhand in aantal steeds verder afnemende vrijzinnige zondagsscholen.
De betekenis van de vrijzinnig protestantse jeugdliteratuur binnen de totale jeugdliteratuur is gering. Zelfs binnen de protestantse jeugdliteratuur neemt ze maar een bescheiden plaats in.
Lieux de Mémoire en de Identiteit van het Vrijzinnig Protestantisme
In de bundel Geschiedenis van het Vrijzinnig Protestantisme wordt het door de Franse historicus Nora gemunte begrip lieux de mémoire (plekken van herinnering) centraal gesteld. Deze plekken zijn verankerd in het collectieve geheugen van een volk en bieden identificatie. In deze bundel gaat het echter niet om de lieux de mémoire van een natie, maar van een groep: de vrijzinnig protestanten. Het begrip wordt ruimer gehanteerd, waarbij het niet alleen concrete plekken betreft, maar ook personen (zoals Coornhert), boeken en monumenten, en vooral abstracte begrippen (zoals tolerantie). Met al deze 'herinneringen' voelde men zich verbonden, waardoor ze deel gingen uitmaken van de vrijzinnig-protestantse identiteit.
Johannes Lindeboom's Geschiedenis van het Vrijzinnig Protestantisme wordt door Arie L. Molendijk beschouwd als een lieu de mémoire. Lindeboom vatte de belangrijke kenmerken en ideeën van deze stroming samen: het ontkennen van kerkelijk leergezag en de goddelijke oorsprong van de Bijbel, de nadruk op de autonomie van de mens, het aanvaarden van verwereldlijking en kerkelijke ontvoogding, verregaande verdraagzaamheid en de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek. Volgens Lindeboom correleerden deze liberale ideeën 'in ons land van oudsher met de sociale en culturele geesteshouding eener, breede, verlichte burgerij van humanistische stempel'.
Hoewel het vrijzinnig protestantisme rond 1870 definitief zijn plaats in de theologie had ingenomen, slaagde het er niet in de grote massa te winnen. Standsverschillen en de positie tussen orthodoxie en vrijdenkersbeweging speelden hierbij een rol. Mirjam Buitenwerf-Van der Molen's dissertatie God van vooruitgang (2007) suggereert dat de vrijzinnige popularisering van historisch-kritisch bijbelonderzoek op zichzelf al tot onkerkelijkheid kon leiden, omdat het individu uiteindelijk de enige basis van geloof was. Vrijzinnige organisaties werden zo voor velen een doorgangshuis naar onkerkelijkheid. Molendijk concludeert dat Lindeboom's boek steeds meer een terugblik wordt voor een stroming van weleer, omdat de vrijzinnigheid in snel tempo vervluchtigt. Het georganiseerde vrijzinnig protestantisme loopt op haar laatste benen.
Hans Roldanus beschrijft in Vrijzinnigheid in de familie zijn tante Corry Roldanus, bekend van haar boeken en artikelen over de zeventiende-eeuwse voorlopers van de vrijzinnigheid, zoals haar werk Zeventiende-eeuwse geestesbloei (1938, 1961). Roldanus concentreerde zich op het tertium genus reformationis, de stroming tussen contraremonstranten en contrareformatie.
Mathilde van Dijk schetst in Door hun geestigen stijl en evangelischen inhoud de geschiedenis van de waardering van de Moderne Devotie in vrijzinnige kring, aan de hand van de kerkhistoricus Willem Moll (1812-1879). De Moderne Devotie fungeerde in de negentiende eeuw als een lieu de mémoire voor vrijzinnig protestanten, die het beschouwden als een voorloper van de Reformatie en een typisch Nederlandse uitwerking ervan.
De pastorie van Jorwerd was voor de vrijzinnigheid zeker een lieu de mémoire, aldus Rienk Klooster in zijn artikel Dr. Cornelis Hille Ris Lambers. Een opmerkelijk dienaar van God in Jorwerd (1907-1927). Hille Ris Lambers was een voorvechter van de vrijzinnigheid en een exponent van de omslag in het culturele klimaat aan het begin van de twintigste eeuw. Zijn interesse in Leo Tolstojs ideeën over ascetisme en vereenvoudiging van het leven getuigt hiervan.
Dezelfde interesse in Tolstoj treft men aan bij de eerste vrouwelijke predikant in Nederland, Anne Zernike. Zij kantte zich tegen het marxisme vanwege de nadruk op klassenstrijd, en vond Tolstojs ideeën over leven in onderlinge liefde en broederschap passender. Anne Zernike werd in 1911 predikant in de doopsgezinde gemeente van Boven-Knijpe.
Abels wijst terecht op Gouda als de bakermat van de vrijzinnigheid in Nederland. De stad koos als eerste grote stad de kant van de prins, maar de geuzen kregen er niet de overhand. De stadsregering eiste handhaving van de 'liberteyt van den religie', en weerde elke vorm van geloofsdwang, in de geest van Coornhert. Tal van vrijdenkers en heterodoxe boekdrukkers zochten bescherming in Gouda. Hoewel katholieke priesters hun kerken kwijtgeraakt waren, konden zij in Gouda blijven wonen en de H. Mis opdragen. De bestandstwisten brachten echter de vrijzinnigheid in Gouda ten val.
Marius van Leeuwen beschrijft in Nieuwegracht 27: de droom van een vrijzinnige zuil hoe na een oproep van K.H. Roessingh in 1923 de vrijzinnige organisaties samenwerkten, wat leidde tot de oprichting van de V.P.R.O. in 1926. De Nederlandse Protestanten Bond, de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden, de Remonstrantse Broederschap en andere organisaties vestigden zich in Nieuwegracht 23-27. Nu zitten alleen de remonstranten nog op Nieuwegracht 27a. De droom van de vrijzinnige zuil is vervlogen.
Hoewel het boek veel wetenswaardigs bevat en interessant is voor wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van het vrijzinnig protestantisme, blijft de vraag of het lieux de mémoire-concept wel passend is voor de 'vervlogen herinneringen' van een kleine, onderling verdeelde groep. De onderlinge verdeeldheid deed twijfelen of deze herinneringen wel deel gingen uitmaken van de vrijzinnig-protestantse identiteit.
De Geschiedenis van: MAARTEN LUTHER
tags: #vrijzinnig #protestants #boeken