De betekenis en oorsprong van gezang 300: "Eens, als de bazuinen klinken"

Gezang 300, met de titel "Eens, als de bazuinen klinken", is een diepgaand lied dat zich richt op de eschatologische verwachting en de uiteindelijke komst van Jezus Christus. De tekst is geschreven door Tom Naastepad (1921-1996) in 1964, en het wordt gezongen op de melodie 'Rhuddlan', een oude volkswijs uit Wales.

De thematiek van het lied

Het lied is geschreven met het oog op de thematiek van de wederkomst, met name in de laatste weken na Pinksteren en de eerste weken van de Advent. Naastepad zelf verklaarde dat het lied gericht is op "het laatste punt van de tijd", waarbij de verandering van de mens en het ingaan in een ander leven centraal staan. Dit houdt verband met de toekomst van de Mensenzoon en verwijst naar:

  • Het 'zuurdeeg' uit het Evangelie van Matteüs 13:31-35.
  • De kosmische ontzetting uit het Evangelie van de laatste zondag na Pinksteren, Matteüs 24:15-35.

Hierdoor is het lied een "avondlied over 'het andere leven'" geworden. Het staat ook bekend onder de titels "Van de naderkomst" en "Het andere leven".

Liturgische en theologische context

Het lied heeft een belangrijke plaats ingenomen in de eredienst en is opgenomen in diverse liedbundels, waaronder het Liedboek voor de Kerken (1973, gezang 300). Oorspronkelijk schreef Naastepad de tekst op de melodie 'Rhuddlan', maar op advies van W.G. Overbosch koos hij later voor de melodie van Wim ter Burg, die ingetogener is en "alle triomfalisme vermijdt".

De tekst van het lied richt zich zingend tot de 'Heer' en spreekt over de definitieve komst van Jezus Christus om alles recht te zetten. Dit gebeurt zowel jubelend als biddend. De bazuinen, waar het lied over spreekt, refereren aan Bijbelse passages over het einde der tijden, zoals:

  • Matteüs 24:31: "Dan zal Hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen."
  • 1 Korintiërs 15:52: "Toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt."
  • 1 Tessaonicenzen 4:16: "Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen."

De bazuinen worden hierbij geïnterpreteerd als een metalen muziekinstrument met een stevig geluid, in tegenstelling tot de Joodse sjofar (ramshoorn).

Naastepad benadrukt dat het lied geen spoor van chiliasme (een tussentijds, voorlopig bestand van vrede) vertoont, maar zich onomwonden richt op de laatste punt van de tijd, waarin Gods heerschappij definitief zal zijn en alle verdrukte levens tot hun recht zullen komen. De sfeer doet denken aan het boek Openbaring, met zijn vele stemmen, het zingen van een nieuw lied en het beslechten van het pleit.

Illustratie van bazuinen die klinken in een hemelse context.

Analyse van de strofen

Strofe 1: De aanvang van de verwachting

De eerste strofe begint met de oproep "Scheurt het voorhang van de wolken", wat herinnert aan het scheuren van het voorhangsel van de tempel bij Jezus' dood (Matteüs 27:51) en aan Jesaja 63:19. De verborgenheid van God maakt plaats voor zijn zichtbaarheid. De eerste vier regels zijn beschrijvend en leiden naar de conclusie: "Heer, dan is de dood verzwolgen". Het lied benadrukt de haast waarmee dit alles zal geschieden, culminerend in het "haastig eten" in strofe 6.

Strofe 2: Het oordeel en de vervulling van de Schriften

Deze strofe bevat binnenrijm zoals "richten zult" en "Schriften vervuld", met daartussen de regel "dood". Dit symboliseert hoe de dood "er tussen genomen" en "verzwolgen" wordt door Gods gerichte hand en de vervulling van de Schrift. Gods gericht wordt hierbij als een genadig gericht beschreven, waarbij Hij de dood van zijn vijanden niet wenst.

Strofe 3: Oproepen tot getuigenis en rehabilitatie

De derde strofe bevat vier oproepen aan God: "roep op", "roep", "richt omhoog", "kroon". Het is een gebed om rehabilitatie, waarbij de doden worden opgeroepen om te getuigen van Gods eeuwenlange regering. De strofe beschrijft de verdrukten, "die men dwong te zwijgen" en "die de wereld heeft geweerd", en benadrukt hun veerkracht en levenskunst ("wat wist te buigen").

Strofe 4: De hoop op Gods aanwezigheid

Deze strofe lijkt op de tweede strofe qua grammaticale structuur en eindigt met de aanroep "Heer, laat ons dan niet ontbreken". Het bevat een waarschuwing tegen het verstek laten gaan, ondanks de uitnodiging, en kan voorkomen dat het lied te uitgelaten wordt gezongen. De regel "Als de graven openbreken" herinnert aan Matteüs 27:52-54 en Ezechiël 37:12, waar gesproken wordt over het openbreken van graven en een "mensenstroom".

Strofe 5: De paradox van "ongeduldig geduld"

De strofe roept de mensen direct op: "Mensen, kom uw lot te boven". De christelijke verwachting mag niet leiden tot activisme of passief afwachten, maar tot een paradoxale combinatie van "ongeduldig geduld". Men moet hopen op het moment "Dat gij oplaait als een vuur", verwijzend naar Jezus' doop met Geest en vuur.

Strofe 6: Haastige lankmoedigheid

De laatste strofe begint met "Van die dag kan niemand weten", verwijzend naar Matteüs 24:36. Men kan niet blijven zitten, maar moet Christus "gaandeweg tegemoet gaan". De strofe verwijst naar het "haastig eten" van het pesachmaal (Exodus 12:11) en de tekst uit Hebreeën 13:8: "Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid."

Opname in 2025: een geanimeerde christelijke film die je leven zal veranderen | AI-animatie #bijbelverhalen

Oorsprong van de melodie 'Rhuddlan'

De melodie 'Rhuddlan' is afkomstig uit Wales en werd in 1964 door Tom Naastepad ontdekt in The English Hymnal (1906), waar het verbonden was met het lied 'Judge eternal, throned in splendour' van Henry Scott Holland. De melodie zelf is ontleend aan Musical and Poetical Relicks of the Welsh Bards (editie 1800), samengesteld door Edward Jones. Alan Luff beschrijft 'Rhuddlan' als een voorbeeld van de 'folk tradition' voor de harp, het traditionele instrument van Wales. De oorspronkelijke vorm van de melodie kende herhalingen, wat resulteerde in een A-A-B-B structuur, die in latere edities werd aangepast.

Auteur en zijn reflectie

Tom Naastepad (1921-1996) was priester en schreef dit lied in 1963. Hij gaf aan dat hij niet had verwacht dat het lied zo populair zou worden en dat christenen er "zoveel mee aan de haal zouden gaan". De eerste vermelding van het lied is in de Arauna-maandbrief van 19 november 1963. Naastepad parodieerde zijn eigen lied later met de titel "Eens als de ajuinen stinken".

tags: #waarop #is #gezang #300 #gebaseerd