Inleiding tot Bestuurdersaansprakelijkheid
Menig student staat te springen om een bestuursjaar bij een studievereniging of studentenvereniging te doen. Een bestuursfunctie brengt echter ook verantwoordelijkheden met zich waar niet iedere student bij stil staat. Wat als de penningmeester een greep uit de kas doet, of de vereniging afstevent op een faillissement? Wat zijn de gevolgen als het bestuur de vereniging bindt aan verplichtingen die ze niet kan nakomen, of als de statuten niet worden nageleefd? In dit artikel zal de bestuurdersaansprakelijkheid aan een nader licht worden onderworpen.
Externe Aansprakelijkheid van Bestuurders
Stel dat de vicevoorzitter van een studievereniging het nodig vindt om stickers met het logo van de vereniging aan te schaffen om daarmee meer bekendheid te genereren voor de vereniging. Indien de vicevoorzitter deze stickers bestelt, ontstaat de vraag wie nu gebonden is door de koopovereenkomst met de leverancier van de stickers, oftewel: wie moet er betalen?
De vereniging zelf is een zogenaamde ‘rechtspersoon’ en is partij bij juridische overeenkomsten, dus niet de afzonderlijke bestuurders of leden. Zolang de vereniging haar statuten bij de notaris heeft vastgelegd, betekent dit dat het bestuur niet meer is dan het orgaan dat verantwoordelijk is voor het binden van de vereniging aan overeenkomsten. De vereniging draagt in principe zelf de aansprakelijkheid tegenover anderen. De vicevoorzitter uit het voorbeeld hoeft dus niet zelf te betalen voor de stickers; dat moet de vereniging doen.
In het geval dat de vereniging haar statuten niet bij een notaris heeft vastgelegd, is er sprake van een zogenaamde informele vereniging. De bestuurders van dergelijke verenigingen zijn ‘hoofdelijk aansprakelijk’ voor de handelingen van de vereniging. Dat wil zeggen dat ieder bestuurslid aansprakelijk kan worden gesteld voor het gehele bedrag, indien de vereniging een verplichting niet nakomt. De vicevoorzitter die de stickers heeft gekocht kan in dat geval dus door de leverancier gedwongen worden uit eigen zak te betalen, als de vereniging zelf niet betaalt.
In de praktijk zullen echter vrijwel alle studie- en studentenverenigingen hun statuten bij de notaris vastgelegd hebben. In dat geval zijn de bestuurders in principe niet aansprakelijk voor de gedragingen van de vereniging.

Interne Aansprakelijkheid van Bestuurders
Het kan echter voorkomen dat de vereniging schade lijdt als gevolg van bestuurlijk handelen. Wat bijvoorbeeld als de vicevoorzitter een zeer dure partij stickers aanschaft, terwijl hij weet dat de vereniging de prijs met geen mogelijkheid kan betalen? De vereniging heeft in bepaalde gevallen de mogelijkheid bestuurders intern aansprakelijk te stellen bij de rechter.
Bestuurders van verenigingen kunnen aansprakelijk gesteld worden, indien zij hun bestuurstaak ‘onbehoorlijk uitvoeren’. Een deel van de bestuurstaak is specifiek omschreven in de statuten van de vereniging. Een ander deel van de bestuurstaak blijkt uit het Burgerlijk Wetboek. Zo is het bestuur wettelijk verplicht na ieder boekjaar een financiële balans op te maken. Het bestuur handelt onbehoorlijk, indien het deze wettelijke plicht niet nakomt. Ook algemenere taken die nodig zijn voor een behoorlijke gang van zaken binnen de vereniging worden in het algemeen tot de taak van het bestuur gerekend.
Er is sprake van onbehoorlijk bestuurshandelen als het bestuur bijvoorbeeld in het jaarverslag misleidende gegevens over de financiële positie van de vereniging opneemt, of als de penningmeester een greep uit de kas doet. Ook als de vicevoorzitter veel te dure stickers koopt, terwijl hij weet dat dit de vereniging in financiële problemen brengt, handelt hij onbehoorlijk.
Alle schade die het ‘onbehoorlijk handelen’ de vereniging oplevert, kan op de bestuurders verhaald worden. Indien twee of meer bestuurders verantwoordelijk zijn voor een bepaalde aangelegenheid, wordt aangenomen dat dit een taak voor het bestuur als geheel is en geldt een hoofdelijke aansprakelijkheid; elk bestuurslid is dus wederom voor de gehele schade aansprakelijk. De totale schade hoeft dus niet over de bestuurders verdeeld te worden.
Daarbij moet rekening worden gehouden met het feit dat financiële aangelegenheden vaak als collectieve bestuurstaak worden beschouwd en dus niet alleen de penningmeester aansprakelijk gesteld kan worden, indien hij zijn bestuurstaak onbehoorlijk uitvoert. Bovendien wordt van het bestuur van een vereniging over het algemeen een bepaalde mate van deskundigheid verondersteld. Als de vereniging bijvoorbeeld overduidelijk failliet dreigt te gaan, moet het bestuur tijdig faillissement aanvragen. Doet het dit niet, dan kunnen de bestuursleden hiervoor aansprakelijk gesteld worden.
Decharge: Kwijtschelding van Aansprakelijkheid
Na een bestuurstermijn is het gebruikelijk om aan de oud-bestuurders de zogenaamde ‘decharge’ te verlenen. Door middel van de decharge laat de vereniging aan de oud-bestuurders weten dat deze niet langer intern aansprakelijk zijn voor hun bestuurshandelen. Heeft de vicevoorzitter erg dure stickers gekocht, maar heeft de ALV dit door de vingers gezien en decharge verleend, dan kan de vicevoorzitter niet meer aansprakelijk gesteld worden als de vereniging door de dure aankoop alsnog in de problemen komt. De decharge geldt echter alleen voor het handelen dat tijdens de verlening van de decharge bekend was. De feiten moeten blijken uit het jaarverslag of expliciet vermeld zijn tijdens de ALV. Zou de vicevoorzitter voor de ALV hebben verzwegen dat hij door de aankoop van de stickers de vereniging op het randje van een faillissement heeft gebracht, dan is het bestuur nog altijd intern aansprakelijk.
Bestuurdersaansprakelijkheid bij Kerkelijke Rechtspersonen
De vraag naar bestuurdersaansprakelijkheid is ook relevant voor kerkelijke rechtspersonen. Met een zekere regelmaat maken kerkbestuurders zich zorgen over de risico's die zij persoonlijk lopen bij het nemen van beslissingen.
De Rooms Katholieke Kerkprovincie in Nederland en haar zelfstandige onderdelen bezitten rechtspersoonlijkheid, zoals bepaald in artikel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze rechtspersonen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Dit geeft uitdrukking aan de vrijheid van inrichting van kerkgenootschappen.
Bestuurdersaansprakelijkheid naar Kerkelijk Recht
Het universele kerkelijk recht, met name de Codex Iuris Canonici van 1983, legt principes vast met betrekking tot het beheer van goederen. Canon 1281, paragraaf 3, stelt dat de kerkelijke rechtspersoon niet verantwoordelijk is voor ongeldige rechtshandelingen van haar beheerders, tenzij deze de rechtspersoon tot eigen voordeel hebben gestrekt. Indien enig voordeel voor de rechtspersoon ontbreekt, zullen de beheerders zelf de gevolgen van ongeldige rechtshandelingen dragen. De kerkelijke rechtspersoon is wel verantwoordelijk voor onwettige, maar geldige rechtshandelingen van haar beheerders en behoudt een rechtsvordering tegen beheerders die schade hebben berokkend.
Het canoniek recht onderscheidt ‘onwettig’ en ‘ongeldig’ handelen. Ongeldig zijn daden die de grenzen van het gewone beheer overschrijden zonder voorafgaande schriftelijke bevoegdheid. ‘Onwettig’ verwijst naar het algemeen kerkelijk kader van handelingsbevoegdheid. Het canoniek recht erkent dat nationale wetten rechtshandelingen kunnen erkennen die volgens het eigen recht ongeldig zijn, wat ruimte opent voor een samenspel met het burgerlijk recht.
Bestuurdersaansprakelijkheid naar Nederlands Recht
Het Nederlands recht stelt rechtspersonen, wat vermogensrecht betreft, gelijk aan natuurlijke personen. Een rechtspersoon is in beginsel zelf aansprakelijk voor zijn schulden. Bestuurders zijn niet aansprakelijk, tenzij zij zich schuldig maken aan onbehoorlijk bestuur of een onrechtmatige daad.
Om persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen volgens de Nederlandse wet af te wenden, is inschrijving van de rechtspersoon in de registers van de Kamer van Koophandel essentieel. Gebeurt dit niet, dan is iedere bestuurder naast de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor rechtshandelingen waarmee hij de rechtspersoon verbindt. Voor zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen geldt vanwege hun bijzondere positie in het Burgerlijk Wetboek geen inschrijvingsplicht.
Interne Bestuurdersaansprakelijkheid
Volgens artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek is een bestuurder van een rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Niet-behoorlijke taakvervulling die leidt tot schade aan de rechtspersoon kan leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid geldt ten opzichte van de rechtspersoon zelf en wordt daarom ‘interne’ aansprakelijkheid genoemd.
Niet-behoorlijk bestuur moet worden aangetoond en impliceert dat de bestuurder een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Van ernstige verwijtbaarheid is sprake als geen enkele redelijk handelende bestuurder in dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld. Een bestuurder kan zich van schuld vrijpleiten indien hij aantoont dat de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten was en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen af te wenden.
Bij collegiale verantwoordelijkheid geldt dat de draagplicht wordt bepaald in evenredigheid met de mate waarin de aan iedere bestuurder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De totale schade hoeft niet over de bestuurders verdeeld te worden.
Externe Bestuurdersaansprakelijkheid
Externe aansprakelijkheid betreft de directe persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders voor schade aan derden als gevolg van hun onbehoorlijke gedragingen. Dit is een afwijking van het principe dat de rechtspersoon aansprakelijk is.
Verschillende vormen van externe bestuurdersaansprakelijkheid zijn te onderscheiden:
- Niet-inschrijving in het handelsregister: Elke bestuurder is hoofdelijk aansprakelijk naast de rechtspersoon.
- Onbevoegde vertegenwoordiging: Een bestuurder die de statutaire beperkingen van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid overschrijdt, bindt de rechtspersoon niet en kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld door de geschaadde derde.
- Onrechtmatige daad: Een bestuurder die opzettelijk schade toebrengt aan een derde kan hoofdelijk aansprakelijk zijn naast de rechtspersoon.
- Tweede Anti-Misbruikwetgeving: Voerde persoonlijke aansprakelijkheid in voor bestuurders voor de afdracht van belastingen en premies, indien het niet-afdragen te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur.
- Derde Anti-Misbruikwetgeving (Faillissement): Maakt iedere bestuurder bij faillissement hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die niet door vereffening van baten kunnen worden voldaan, mits aangetoond wordt dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

De Rol en Verantwoordelijkheden van Kerkrentmeesters
De gemeente is primair een geloofsgemeenschap, maar beheert ook geld en goederen ten behoeve van haar functioneren. Het beheer is een geestelijke zaak en zorgvuldig beheer is van groot belang.
De kerkorde regelt het beheer van vermogensrechtelijke aangelegenheden nauwkeurig. Zowel de gemeente als de diaconie bezitten rechtspersoonlijkheid en kunnen verplichtingen aangaan, kopen en verkopen. De kerkorde legt vast wie bevoegd is om voor deze kerkelijke rechtspersonen op te treden.
In toenemende mate wordt zekerheid gevraagd over de bevoegdheid van vertegenwoordigers van gemeenten en diaconieën. Opname in het handelsregister door de Kamer van Koophandel zal hieraan tegemoetkomen.
Scheiding van Zorg en Verzorging
De kerkorde maakt onderscheid tussen de zorg en de verzorging van vermogensrechtelijke aangelegenheden. De eindverantwoordelijkheid voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden van zowel de gemeente als de diaconie ligt bij de kerkenraad. De kerkenraad vertrouwt de verzorging van niet-diaconale aangelegenheden toe aan het college van kerkrentmeesters en die van diaconale aard aan het college van diakenen.
De verzorging omvat het beheren van vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen het vastgestelde beleid en de begroting. Dit omvat beheersdaden zoals het verzorgen van archieven, het onderhouden van gebouwen en goederen, en geldwerving.
Samenwerking en Verantwoordelijkheid
Het college van kerkrentmeesters wordt gevormd door ouderlingen-kerkrentmeester en eventueel kerkrentmeesters die geen ambtsdrager zijn. Het college van diakenen bestaat uit diakenen, eventueel aangevuld met diaconale rentmeesters.
De kerkenraad, het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen werken nauw samen. De colleges stemmen hun beleid af op dat van de kerkenraad en doen verslag aan de kerkenraad. Zij blijven binnen de grenzen van de door de kerkenraad vastgestelde begroting en beleidsplan.
De nadruk op de eindverantwoordelijkheid van de kerkenraad laat onverlet dat de colleges ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. De vermelding van de colleges in de Romeinse artikelen onderstreept dat zij geen louter uitvoerende commissies zijn. De kerkenraad dient bij het vaststellen van het algemene beleid en de begroting ruimte te laten voor de eigen keuzen van de colleges.
Om de zorg en verzorging dicht bij elkaar te houden, hebben beide colleges ten minste twee ambtsdragers zitting, wat zorgt voor een personele verbinding en betrokkenheid.
Specifieke Taken van Kerkrentmeesters
Kerkrentmeesters hebben een breed palet aan verantwoordelijkheden, waaronder:
- Gebouwen: Zorg en verantwoordelijkheid voor kerkgebouwen, pastorieën, landerijen, etc.
- Mensen: Bijdragen aan de organisatie van gemeenteleden, predikanten, betaalde krachten en vrijwilligers.
- Geld: Geldwerving (o.a. Actie Kerkbalans) en financieel beheer, inclusief het opstellen van begrotingen en jaarrekeningen.
- Organisatie: Bijdragen aan de organisatie van administratie, ICT, verzekeringen, archief en communicatiemiddelen.
- Registratie: Beheren en bijhouden van het doopboek, belijdenisboek en trouwboek.
Een beleidsplan van 4 jaar wordt opgesteld in samenwerking met de kerkenraad, het college van diakenen en het college van kerkrentmeesters. Dit plan omvat zowel organisatorische als visiegerichte zaken en wordt ondersteund door een meerjarenbegroting.

Wat is Hoofdelijke Aansprakelijkheid?
Hoofdelijke aansprakelijkheid betekent dat iedere schuldenaar (debiteur) aansprakelijk is voor de gehele verschuldigde prestatie. De schuldeiser kan dan alle schuldenaren voor het volledige bedrag aanspreken.
Hoofdelijke aansprakelijkheid kan voortvloeien uit de wet, gewoonte of een rechtshandeling. Bij ondeelbare prestaties is eveneens sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.
Hoofdelijke Aansprakelijkheid in Verschillende Contexten
- VOF en Vennoten: Zowel de VOF als de vennoten kunnen hoofdelijk tot betaling worden aangesproken.
- Groepsaansprakelijkheid: Daders die in groepsverband een onrechtmatige daad begaan, zijn hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 6:166 BW lid 1.
- Opdrachtovereenkomst: Indien een opdrachtovereenkomst namens twee of meerdere opdrachtgevers wordt gesloten, zijn alle opdrachtgevers hoofdelijk verbonden tegenover de opdrachtnemer op grond van artikel 7:407 lid 1 BW.
- Medehuur: Bij een huurovereenkomst is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van huurders bij medehuur.
Belangrijk: Bij een rechtspersoon of vennootschap is geen sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon zelf, maar de bestuurders kunnen onder omstandigheden wel hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld.
Het is essentieel om de hoofdelijke aansprakelijkheid duidelijk en schriftelijk vast te leggen om interpretatieruimte te voorkomen. Advocaten gespecialiseerd in ondernemingsrecht kunnen helpen bij het correct opstellen van dergelijke contracten en bij het verdedigen tegen hoofdelijke aansprakelijkstelling.
tags: #wat #is #een #kerkrentmeester #hoofdelijk #aansprakelijk