De prediking van het evangelie aan de armen was een centraal thema in het leven en werk van Ignatius van Loyola en zijn volgelingen. Ignatius bracht veertig dagen door in het Italiaanse Vicenza, levend in armoede samen met drie vrienden. Deze levenswijze trok juist meer mensen aan om naar hun preken te luisteren.
Een van de meest vreugdevolle periodes in het leven van Ignatius waren de maanden die hij en zijn metgezellen doorbrachten in de Venetiaanse republiek, wachtend op een gelegenheid om naar het Heilig Land te reizen. Op 24 juni 1537 werden zij, in totaal zeven personen, tot priester gewijd in Venetië. Vervolgens verspreidden zij zich, steeds in groepjes van twee of drie, over de steden van de republiek. Ignatius zelf trok met Favre en Laynez naar Vicenza. Daar vestigden zij zich in het vervallen klooster San Pedro, dat zonder deuren of ramen was.
De eerste veertig dagen zouden zij zich wijden aan gebed, ter voorbereiding op hun priesterschap. De gedachte aan het priesterschap was voor Ignatius een voortdurende bron van innerlijke vreugde. Hun leven was er een van grote armoede: twee van de drie moesten voedsel bedelen, maar ontvingen zo weinig dat het nauwelijks voldoende was om van te leven. Na deze veertig dagen begonnen ze op de pleinen te preken. Ondertussen had Codure zich bij hen gevoegd.
Hoewel hun Italiaans gebrekkig was, kwamen steeds meer mensen naar hun preken luisteren. Aanvankelijk uit nieuwsgierigheid, maar later steeds meer uit overtuiging. Ignatius had het gevoel dat de mensen bleven komen, niet alleen vanwege de boodschap, maar ook omdat ze zagen hoe de predikers leefden: arm, maar toch gelukkig. Dit leidde ertoe dat de mensen hen ook wat meer gingen geven tijdens hun bedeltochten.
De armoede had hen vrijgemaakt, zowel innerlijk als van alle mogelijke kerkelijke en andere instanties. Een deel van de vreugde die zij daar ervoeren, is terug te vinden in de stichtingstekst van de Sociëteit van Jezus, waar gesproken wordt over armoede: “We hebben uit ervaring geleerd dat een leven ver van alle hebzucht en zo dicht mogelijk bij de armoede van het evangelie vreugdevoller, zuiverder en vruchtbaarder is. Bovendien weten we dat onze Heer Jezus Christus het nodige aan voedsel en kleding geeft aan zijn dienaren die alleen het Rijk Gods zoeken.”
De Keuze voor Armoede als Roeping
Het besluit om arm te gaan leven in Noord-Italië was geen toevallige keuze, maar had alles te maken met hun roeping om Jezus na te volgen. Ignatius had Jezus leren kennen als de arme en vernederde Heer, God die zich arm maakte om aan de mens gelijk te worden. Hij vroeg zich af hoe zij aan Hem gelijk konden worden zonder zelf arm te worden, en verwees hiervoor naar zijn Geestelijke Oefeningen.
In de beschouwing van de geboorte van Christus staat: “‘De Heer moest geboren worden in uiterste armoede, om na zoveel honger, dorst, hitte en kou, beledigingen en aanvechtingen te hebben doorstaan, te sterven aan het kruis. En dat alles voor mij.’” De verhalen over heiligen die Ignatius las, hadden hem ook laten zien hoe ver men kon gaan in het volgen van de arme Jezus. Oorspronkelijk zag hij zijn armoede meer als een persoonlijke prestatie waar hij trots op kon zijn. Echter, in Manresa leerde God hem dat evangelische armoede in het eigen hart begint: geen prestatie, maar een gave en overgave.
Tijdens zijn omzwervingen in Europa en het Heilig Land viel het Ignatius op dat rijkdom vaak de oorzaak was van ambitie en verval binnen de Kerk. Dit thema komt ook terug in zijn Geestelijke Oefeningen, waar hij spreekt over kerkelijke inkomsten en stelt dat een ongeordende gehechtheid aan bezit de wortel is van veel kwaad in de wereld, de Kerk en het eigen hart.
De vele armen die hij ontmoette - bedelaars, zieken, gevangenen, prostituees, verlaten kinderen - hielden hem op het pad van de arme Jezus. In 1547 schreef hij aan zijn medebroeders in Padua:
“Zo belangrijk zijn de armen in Gods oog, dat speciaal voor hen Jezus Christus naar de wereld is gezonden: ‘Vanwege de ellende van de behoeftigen en het klagen van de armen, ga Ik me nu verheffen, spreekt de Heer’ (Ps. 12:5). En elders: ‘Hij heeft Mij gezalfd om aan de armen de Blijde Boodschap te verkondigen’ (Luc. 4:18), een woord waaraan onze Heer herinnert, wanneer Hij aan Johannes de Doper laat antwoorden: ‘Aan de armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd’ (Matth. 11:5).”
Onze Heer gaf de voorkeur aan de armen boven de rijken, zozeer dat Hij zijn apostelcollege uit de armen koos om met hen te leven, zich met hen te verbinden, hen de leiding over de kerk toe te vertrouwen en hen de twaalf stammen van Israël te laten oordelen. Dit benadrukt hoe hoog de stand van de armoede door Christus werd verheven. Ignatius hoopte dat allen die vanuit zijn spiritualiteit wilden leven, het hart van een arme zouden hebben om zo een hart voor de armen te hebben.
Jezus en de Arme Mens
De Bijbeltekst uit Matteüs 11:5 illustreert de komst van het Koninkrijk der hemelen en de kenmerken daarvan, waarbij de armen centraal staan:
"blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie."
Jezus sprak tot de menigte over Johannes de Doper en benadrukte zijn unieke positie. Hij stelde vragen als: "Wat zijt gij uitgegaan te zien? Een riet, door de wind bewogen? Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige kleding? Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen. Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien? Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet." Jezus benadrukte dat niemand groter was dan Johannes de Doper, maar dat de kleinste in het Koninkrijk der hemelen groter is dan hij.
De Bijbelteksten uit verschillende vertalingen (NBG51, HTB, BasisBijbel) benadrukken allemaal de wonderen die Jezus verrichtte, met name de genezing van zieken en het verkondigen van het evangelie aan de armen, als tekenen van het naderende Koninkrijk der hemelen. De worsteling van Johannes de Doper, die twijfelde of Jezus wel de verwachte Messias was, wordt ook beschreven. Jezus wees op de wonderen die Hij deed, juist de tekenen die in het Oude Testament waren voorzegd, als bewijs van Zijn identiteit.
De preken en geschriften uit de 19e eeuw, zoals de Bijdragen ter Bevordering van het Christelijke Leven en de Handleiding bij het godsdienstig onderwijs, reflecteren op de betekenis van armoede en het evangelie. Er wordt benadrukt dat in geestelijk opzicht er slechts twee standen zijn: rijk of arm. Van nature zijn alle mensen arm en hebben zij ontdekking van hun armoede nodig, zodat het evangelie aan hen verkondigd kan worden.
De zaligspreking "Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen" wordt uitgelegd als degenen die hun geestelijke armoede kennen en zich bewust zijn van hun schuld. Zij ontvangen een grotere rijkdom: het Koninkrijk der hemelen. Aardse rijkdom wordt gecontrasteerd met deze hemelse schat.
Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen natuurlijke armoede en geestelijke armoede. Ware armoede wordt beschreven als een staat van totale leegte, waarin de mens een plek is voor God om te werken. Dit is een armoede naar de geest, waarbij de mens zo leeg is van God en zijn eigen werken dat God zelf de plek wordt waar Hij kan werken.
De weldaad van schuldvergeving wordt benadrukt: God werpt de zonden van Zijn volk in de diepte van de zee. De zee van Gods genade is dieper dan de berg van onze zonden hoog is. Naast schuldvergeving geeft God Zichzelf, waardoor de mens werkelijk rijk wordt.
De cirkel wordt als beeld gebruikt voor het ware geestelijk leven: het vloeit uit God en keert tot God terug. Dit leven leidt tot rijkdom voor tijd en eeuwigheid, waarbij sterven zelfs een vorm van erven wordt.
Praktische Voorbeelden van Evangelische Armoede
De tekst bevat diverse voorbeelden en reflecties op evangelische armoede in de praktijk:
- **Bakker Breet:** Een bakker uit Den Helder die, ondanks zijn eigen armoede, hulp ging verlenen aan behoeftigen in zijn stad. Hij leefde sober, maakte lange dagen en gaf brood aan iedereen die het nodig had, geleid door zijn geloofsbelijdenis: "de behoeftigen, die ik ontmoet op mijn levensweg, zijn voor mijn rekening." Hij staat bekend als de ‘zalige vader Breet’.
- De ware leerlingen van het Evangelie: De armen worden soms gezien als de enige ware leerlingen van het evangelie, omdat Christus zelf zei: ‘Aan de armen wordt het Evangelie verkondigd’.
- Rijkdom en begeerte: Er is op aarde genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders begeerte.
- Armoede en zondeloosheid: Soms weerhoudt armoede van zondigen, maar dit betekent niet automatisch dat men geen last heeft van wroeging.
- Het gebruik van de ander als afvalbak: Een kritische noot wordt geuit over het geven van afgedragen kleding, wat niet mag betekenen dat men de ander als afvalbak gebruikt.
- Gods voorzienigheid en armoede: Jezus, die arm werd terwijl Hij rijk was, voedt onze hongerige zielen.
- Innerlijke rijkdom van Job: Job, hoewel al zijn bezittingen kwijtgeraakt, behield zijn innerlijke rijkdom omdat God in zijn hart woonde. Zijn situatie veranderde, maar God niet.
- De hoogste armoede: De hoogste armoede wordt beschreven als een staat waarin de mens niet eens de wil van God wil volbrengen, volledig onthecht is van alles, inclusief God zelf, en een plek wordt waar God kan werken.
- Het Koninkrijk voor de armen: Voor hen die omwille van Jezus los van alles en in armoede leven, breekt het Koninkrijk aan. Zij hebben hun schat in de verborgenheid, omdat ze Jezus aan het kruis hebben.
