De bundel Weerklank is ontwikkeld binnen de Gereformeerde Bondskring en voorziet in een langdurige behoefte aan een zangbundel die aansluit bij de visie van de gereformeerde gezindte. Het doel van Weerklank is om gebruikt te worden in de eredienst en biedt een breed scala aan liederen die de bijbelse boodschap vertolken of daar met instemming op antwoorden. Deze liederen zijn verzameld uit de rijke schat van de kerk door de eeuwen heen, evenals uit een verscheidenheid aan recentere uitgaven.

Structuur en Inhoud van Weerklank
De bundel opent met een nieuw psalmboek. Het bevat alle 150 psalmen in een nieuwe berijming, waarbij een aantal psalmen bovendien verrijkt is met een tweede berijming. Van de 85 psalmen die uit het Gereformeerde Kerkboek afkomstig zijn, worden er 57 uit het Liedboek overgenomen.
Wat de gezangen betreft, is Weerklank bijzonder veelkleurig qua herkomst. Er is een keuze gemaakt uit zowel het oude als het nieuwe Liedboek. Daarnaast bevat de bundel vele liederen van A.F. Troost, uit de Schriftberijmingen en enkele uit de bundel Opwekking. De 618 gezangen zijn onderverdeeld in diverse rubrieken, waaronder:
- Liederen bij het kerkelijke jaar
- Liederen bij kerk en Koninkrijk
- Liederen bij liturgische momenten en bijzondere dagen
- Liederen van lof, gebed en toewijding
- Liederen van schuldbelijdenis en vergeving
- Liederen bij zorg en verdriet
Daarnaast is er ook een aantal kinderliederen opgenomen in de bundel.
Samenstelling van de Werkgroep
De bundel is samengesteld door een werkgroep onder leiding van de hervormde predikant ds. A. Schroten uit Leerdam. Andere leden van de werkgroep waren de predikanten A. Baas, W.J. Bakker, W.J. Dekker, E.K. Foppen, P. Nobel, A. Visser en J.A.W. Verhoeven. Tevens waren de organisten Rien Donkersloot en Dick Sanderman, leerkracht G. Klink-van Reenen en neerlandicus dr. H. van 't Veld betrokken bij de samenstelling.
De ondertitel van Weerklank is ontleend aan Johannes Calvijn (uit zijn liedboek Pseaulmes et Cantiques, 1539): 'Psalm en lied zal ik zingen, zolang ik ben.'
Gezang 156: 'Autem in Domino gaudebo'
Een specifiek lied, Gezang 156, werd in 1987 door Koenraad Ouwens geschreven ter gelegenheid van de wijding van Teunis Johannes Horstman tot oud-katholiek bisschop van Haarlem. Dit lied werd eerder opgenomen in het Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 527) en in de Evangelische Liedbundel (1999, nr. 217).
De zinspreuk op het wapen van bisschop Horstman, ontleend aan Habakuk 3:18 ('Autem in Domino gaudebo' - 'toch zal ik juichen voor de Heer'), vormde de inspiratie voor dit lied. Strofe 1 van het lied sluit direct aan bij het begin van Habakuk 3:2, waar de profeet zijn ontzag uitspreekt voor Gods werk. De dichter breidt dit uit door te stellen dat God zelf de vrees in het hart heeft gelegd. Het verzoek van de profeet om Gods werken 'in deze tijd tot stand' te brengen, wordt in het lied vertolkt als 'breng nu, o God, uw werken aan de dag'. Daarbij voegt de dichter de oproep toe om Gods trouw en goedheid te tonen, wat een echo is van Psalm 85:11-12.
In strofe 2 wijkt de dichter meer af van de tekst van Habakuk, geïnspireerd door de passage 'maar toon uw mededogen als het tumult losbarst'. Het tumult wordt in het lied omschreven als alomtegenwoordig geweld, negeren van God, haat, afgunst en de heerschappij van de dood. Desondanks neemt de dichter aan het einde van deze strofe het begin van Habakuk 3:18 weer op, nu in de eerste persoon enkelvoud: 'toch zal ik juichen voor de Heer'.
Strofe 3 neemt elementen uit Habakuk 3:17 over, zoals de niet-bloeiende vijgenboom en tegenvallende oogst, maar voegt daar nieuwe testamentische elementen aan toe, zoals het ontbreken van 'levend water' (vergelijk Johannes 7:38) en 'geen brood, geen wijn', wat duidt op het niet meer vieren van de sacramenten en het verdwijnen van het besef van het hemelse brood en de wijn van het koninkrijk.
Strofe 4 richt zich op Gods 'woord van het begin', waarin Zijn verbond van trouw en recht kenbaar werd. De negativiteit uit eerdere strofes wordt achter zich gelaten, en de dichter neemt het begin van Habakuk 3:19 in de mond: 'God, de Heer, is mijn kracht', aangevuld met 'mijn zekerheid'. Het 'toch' uit Habakuk 3:18 is verdwenen, en vanuit deze zekerheid kan de dichter zingen: 'ik juich om U in tijd en eeuwigheid'. De verandering van de rijmklank naar '-eid' benadrukt deze wending.

Melodie van Gezang 156
Koenraad Ouwens hoorde de tekst van Gezang 156 oorspronkelijk op de melodie van het Engelse kerstlied 'Christians, awake, salute the happy morn'. Dit lied, geschreven door John Byrom in 1749, kreeg een melodie van John Wainwright, die het in 1750 uitvoerde. De melodie stond bekend als STOCKPORT (mogelijk naar Wainwrights geboorteplaats of begraafplaats) of soms als YORKSHIRE.
De eerste twee regels van de melodie bevestigen krachtig de toonsoort C-groot, met een omvang van c' tot e'' en een opwaartse beweging die de melodie een krachtige 'drive' geeft. Deze beweging is stapsgewijs, in secundeschreden. Regel 3 wijkt hiervan af met een tertssprong naar boven, een sextsprong omlaag en een tertssprong omlaag. Regel 4 vervolgt secundegewijs, met een golvende beweging, en wijkt uit naar de paralleltoonsoort a-klein. De laatste twee regels keren terug naar de tonica, waarbij de laatste regel een melodische herhaling is van de tweede, maar met een ander ritme.
Begeleidingsbundel
In de begeleidingsbundel van Weerklank zijn zettingen opgenomen van Rien Donkersloot en Dick Sanderman. De psalmen zijn hierin niet opgenomen. De bundel telt 336 pagina's.
De tekst van het lied 'O God, die de gedachtender mensen ziet en leest' (een van de liederen in Weerklank) is als volgt:
- O God, die de gedachtender mensen ziet en leest, Gij weet, wat zij betrachten in 't midden van hun geest, waar zij zich toe begeven, het zij tot goed of kwaad in dit ellendig leven, dat als een wind vergaat.
- Ik heb door slechte daden en gruw'len onbepaald in plaats van uw genade uw straf op mij gehaald. Och Heer, ik kan niet rusten, van eigen wil verwoed, want mijne kwade lusten, die drijven mij van 't goed.
- Och, had ik willen horen uw inspraak, eer ik viel, zo zou ik nu uw toren niet dragen op mijn ziel; zo zou ik nu niet dulden een heimelijke smart van mijn beleden schulden, die drukken op mijn hart!
- O Heer, ik ben verwonnen, ontzondig mijn gemoed, en drenk mij uit de bronnen van water en van bloed, die tot de hemel springen, tot voor uw Majesteit, opdat zij U bedwingen tot uw barmhartigheid.
- Doe toch zo grote dingen aan mij, en geef Gij dan, dat daar uw eng'len zingen in eeuwigheden van uw goedheid en het wonder, dat niet kan zijn vol-eerd, dat is: dat Gij een zondaar tot U, Heer, hebt bekeerd.