De Wederdopers: een radicale stroming in de zestiende eeuw

Sociale en economische context in de Lage Landen

Halverwege de zestiende eeuw bevond de 'gewone man' zich in de Lage Landen in een penibele situatie. De economische en ideologische alternatieven die de wederdopers boden, zouden hen duur komen te staan, ondanks hun doorgaans gematigde opvattingen. De Europese elite voelde zich door hen bedreigd.

Tegen het midden van de zestiende eeuw waren de zogenaamde factor-markten in de Lage Landen, een gebied dat ruwweg het huidige Nederland, Vlaanderen en een deel van Noord-Frankrijk omvatte, al goed ontwikkeld. Professor Bas van Bavel van de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in economische en maatschappelijke transities, belicht dit in zijn boek 'The invisible hand?'. Hij stelt dat markten voor productiemiddelen al veel eerder bestonden dan vaak wordt aangenomen, in tegenstelling tot de opvattingen van denkers als Adam Smith en Karl Marx.

Van Bavels bevindingen over de economische toestand in de Lage Landen rond het midden van de zestiende eeuw zijn hierbij van cruciaal belang. Veel plattelandsbewoners hadden geen toegang meer tot landbouwgrond, omdat grote pachtboeren hen van de markt hadden gedrukt. In de steden leidde de opkomst van kapitaalkrachtige ondernemers in kapitaalintensieve sectoren zoals brouwerij, scheepsbouw en baksteenproductie tot de 'proletarisering' van ambachtslieden. Dit resulteerde in stijgende voedselprijzen en dalende koopkracht voor werkenden, zelfs in een ogenschijnlijk welvarende stad als Amsterdam. De 'gewone man' was er significant slechter aan toe dan de kooplieden en ondernemers die profiteerden van de markteconomie. Volgens Van Bavel heerste er onder het gewone volk veel haat jegens de rijken.

Natuurlijk waren er criticasters van de gevestigde orde. Een voorbeeld is de Vlaming Cornelis Everaert, een lakenverver en volder uit Brugge, die kritische toneelstukken schreef. Hierin hekelde hij het gedrag van welgestelde ondernemers en kooplieden, maar zijn conclusies waren niet revolutionair.

een illustratie van de sociale ongelijkheid in de 16e eeuw, met aan de ene kant rijke kooplieden en aan de andere kant arme arbeiders

De opkomst van de Wederdopers

Anders lag dat bij de wederdopers, ook wel anabaptisten genoemd (van het Griekse ana-baptizo, wat 'opnieuw dopen' betekent). Zij verwierpen de kinderdoop, omdat kinderen nog geen besef hebben van goed en kwaad, en dus ook niet van zonde en vergeving. Daarom lieten zij zich als volwassenen opnieuw dopen.

De doperse beweging wordt beschouwd als de radicale vleugel van de Reformatie. Het anabaptisme ontstond in 1523-1524 in Zürich en verspreidde zich naar Oostenrijk, Zuid- en Midden-Duitsland, Moravië (in de huidige Tsjechische Republiek) en de Lage Landen. Een vooraanstaand figuur in de Lage Landen was Menno Simons (eigenlijk Minne Simens, 1496-1561), wiens naam verbonden is aan de latere mennonitische kerk, de oudste nog bestaande kerk die afstamt van de wederdopers.

Door interne meningsverschillen raakte de beweging in de loop der tijd sterk verbrokkeld. Hoewel de overgrote meerderheid van de wederdopers in de zestiende eeuw gematigde opvattingen had, werden hun religieuze en economische inzichten toch als bedreigend voor de bestaande orde beschouwd. Dit leidde vaak tot genadeloze vervolging. Wanneer anabaptisten geweld gebruikten, bevestigde dit de autoriteiten in hun harde optreden.

een portret van Menno Simons

De Wederdopersopstand in Amsterdam en Münster

De wederdopersopstand in Amsterdam in 1535 was een van de meest dramatische uitingen van de beweging. De aanloop vond plaats op 11 februari 1535, toen een groep wederdopers naakt en schreeuwend door de stad trok, omdat zij bezit, inclusief kleding, beschouwden als het slijk der aarde. De eigenlijke opstand brak uit op 10 mei 1535, toen ongeveer veertig wederdopers het oude stadhuis op de Dam bezetten en burgemeester Pieter Colijn doodden. Bij de bestorming van het gebouw door de schutterij kwamen achtentwintig wederdopers en twintig schutters om het leven. De wederdopers kregen geen steun van de Amsterdamse bevolking, vermoedelijk omdat de gebeurtenissen in Münster bekend waren.

Begin 1534 hadden de wederdopers in Münster de controle over het stadsbestuur overgenomen. Andere protestanten en katholieken kregen de keuze: zich opnieuw laten dopen of de stad verlaten. De leider van de wederdopers in Münster was aanvankelijk Jan Matthijs, een bakker uit Haarlem die als profeet werd beschouwd. Na zijn dood nam Jan van Leiden (eigenlijk Johan Beukelszoon, 1509-1536) de leiding over en radicaliseerde de beweging verder. Vanwege een scheve man-vrouwverhouding werd polygamie ingevoerd, en Jan van Leiden trouwde met zestien vrouwen. Privé-eigendom werd afgeschaft. De belegerde stad hield lang stand, maar op 25 juni 1535 drongen bisschoppelijke troepen, met hulp van overlopers, de stad binnen. Dit resulteerde in een bloedbad. Het jaar daarop werden Jan van Leiden en zijn naaste medewerkers ter dood gemarteld en hun lichamen in kooien aan de Lambertikerk in Münster gehangen.

een historische prent van de wederdopersopstand in Amsterdam in 1535

Economische ideeën en gemeenschapsvorming

Het Münsterse extremisme heeft het imago van de wederdopers langdurig negatief beïnvloed. Eeuwenlang schreven uitsluitend tegenstanders over hen, zoals de dominicaan Johannes Faber en Maarten Luthers rechterhand Melanchton, die hen bestempelden als 'duivelsgebroed' of een 'duivelse sekte'. Pas begin twintigste eeuw kwamen originele documenten aan het licht, wat leidde tot een herwaardering van hun geschriften.

Er bestond zeker een radicale stroming die zich keerde tegen particulier eigendom. Anabaptisten die in 1527 in Steyr (Oostenrijk) terechtstonden, verklaarden: 'niemand moet privé-bezit hebben, maar alle dingen moeten gemeenschappelijk zijn.' Deze opvattingen kwamen vooral voor in Zuid-Duitsland en Moravië, waar Jakob Hutter (ca. 1500-1536) een prominente leider was. Hutter en zijn volgelingen verwierpen privé-bezit, geïnspireerd door de beschrijving van de vroegste christelijke kerk in Jeruzalem, waar alles gemeenschappelijk was. Zij schaften in hun gemeenschappen in Moravië het particulier eigendom geheel af, waarbij ze consumeerden naar behoefte en produceerden naar vermogen.

De overgrote meerderheid van de wederdopers was echter veel minder radicaal. Zij betaalden doorgaans trouw belasting, zoals de tienden voor de staatskerk. Dit blijkt uit het werk van Peter James Klassen. Meningsverschillen over belastingafdrachten kwamen wel voor, bijvoorbeeld in Nikolsburg (Moravië) in 1526, waar anabaptisten als Balthasar Hubmaier en Hans Hut discussieerden over oorlogsbelasting in verband met de Turkse dreiging.

Belangrijker dan belastingkwesties waren andere economische aspecten. De wederdopers stonden kritisch tegenover de manier waarop rijken met particulier bezit omgingen. Eitelhans Langenmantel wees in 1528 op de passage 'Geef ons heden ons dagelijks brood' uit het Onzevader, en stelde dat sommigen vergaten dat dit in het meervoud was gezegd en meenden dat het alleen van henzelf was. De meerderheid van de wederdopers sloot zich aan bij gemeenschappen waarin het idee van rentmeesterschap werd gepraktiseerd: privé-bezit was een 'Gods gift' die moest worden gebruikt om de maatschappij te verbeteren. Delen onderling was een plicht voor de welgestelden, maar de minderbedeelden hadden geen recht iets op te eisen. Behoeftigen die konden werken maar weigerden, werden uitgesloten. De herverdeling was beperkt tot de eigen kring.

De grote meerderheid van de anabaptisten stelde het particuliere eigendom als zodanig niet ter discussie. Peter James Klassen suggereert dat dit soms tijdens processen werd verklaard om rechters tevreden te stellen. Menno Simons betoogde dat wederdopers gehoorzaamheid aan de overheid verschuldigd waren inzake 'alle tijdelijke kwesties en civiele regelingen', tenzij dit inging tegen het Woord van God.

een illustratie van het communale leven van de Hutterieten in Moravië

De Apocalyptische visie en de Reformatie

Het geloof in een naderend Laatste Oordeel kan mensen tot extreme daden aanzetten. De wederdopers, die zich 'de uitverkorenen' noemden, zagen het Laatste Oordeel als een reële mogelijkheid en waren bereid alles op te offeren. Ze beschouwden zichzelf als de ware Israëlieten, het nieuwe uitverkoren volk, en hadden als taak zoveel mogelijk mensen voor de hemel te winnen.

De Reformatie, beginnend met Maarten Luthers 95 stellingen in 1517, ondermijnde de autoriteit van de katholieke kerk. De onzekerheid en het pessimisme die hieruit voortvloeiden, creëerden een vruchtbare bodem voor onheilsprofeten en de Radicale Reformatie. Predikers met eigen theologische ideeën trokken grote scharen toehoorders met voorspellingen van bloed en ondergang.

De Nederlanden kwamen eind jaren twintig in aanraking met de Radicale Reformatie via Melchior Hoffmann, een profeet uit Zuid-Duitsland. Hoffmann voorspelde dat God binnen enkele jaren Zijn eindgericht zou houden op een specifieke plek, aanvankelijk Straatsburg. Zijn ideeën vonden echter weerklank in de Nederlanden.

De wederdopers geloofden dat zij de ware Israëlieten waren en dat het Laatste Oordeel spoedig zou aanbreken. Om tot de uitverkorenen te behoren, moest men de volwassenendoop ondergaan, een ritueel dat levensgevaarlijk was, omdat de doodstraf erop stond in bijna heel Europa. De standvastigheid waarmee wederdopers hun publieke terechtstellingen ondergingen, maakte indruk en bood een heroïsch alternatief voor de wijdverbreide afkeer van de katholieke kerk.

Hoffmann, bang geworden, schortte de volwassenendoop tijdelijk op, wat leidde tot zijn ondergang. Een nieuwe profeet, Jan Matthijsz uit Haarlem, nam het stokje over, met hulp van zijn adjudant, de kleermaker Jan Beukelsz. alias Jan van Leiden. Zij zagen de groeiende schare uitverkorenen genoodzaakt tot bescherming, en God's hemelse vierschaar zou zich vestigen in de stad Münster.

een weergave van het Laatste Oordeel, zoals geschilderd door Hans Memling

De stad Münster als 'Nieuw Jeruzalem'

Eind 1533 werd duidelijk dat Gods voorkeur uitging naar Münster. In februari 1534 viel de stad zonder geweld in handen van de wederdopers, dankzij het beleid van Jan van Leiden en een machtsvacuüm. De gebeurtenis werd gevierd als een wonder. De infiltratie van wederdopers in Münster had bijna tot een burgeroorlog geleid, maar de gewapende burgers schrokken terug voor bloedvergieten. Jan van Leiden riep Münster uit tot het Nieuwe Jeruzalem en riep alle wederdopers op zich daar te verzamelen voor het Laatste Oordeel.

Velen gaven gehoor aan deze oproep. Schepen uit Amsterdam werden tegengehouden bij Genemuiden en teruggestuurd. In Amsterdam zelf stond een 'stadsgreep' gepland op 15 maart 1534, tijdens de processie van het Heilige Sacrament. De wederdopers waren van plan om eerst alle monniken en priesters te vermoorden en daarna de macht te grijpen. De burgemeesters werden echter tijdig gewaarschuwd.

Ondanks de mislukte pogingen tot een gewelddadige 'stadsgreep', bleef de aantrekkingskracht van Münster groot. In maart 1534 probeerden prominente wederdopers de stad vreedzaam in handen te krijgen, maar zij werden ingerekend en geëxecuteerd. Het amateurisme van de wederdopers, die vaak houtstapelaar, boekbinder of kuiper waren, was opvallend.

Amsterdam moest een afdeling van Münster worden. Een brief verspreidde het bericht dat de vestiging van het Nieuwe Jeruzalem nabij was, met verwijzing naar Psalm 68. Iedereen werd opgeroepen zich onopvallend en gewapend naar Amsterdam te begeven, met de instructie 'Zijt listig als een serpent en onnozel als een duif'. Maar er waren opnieuw verklikkers.

In Münster hadden de wederdopers intussen te maken met een sterke vijand. De bisschop van Münster had duizenden soldaten rond de stad gelegerd. Het uitblijven van het Laatste Oordeel, dat door Jan Matthijsz voor Pasen 1534 was voorspeld, bracht Jan van Leiden in verlegenheid. Hij verklaarde dat de dopers nog niet vroom genoeg waren, wat leidde tot meer disciplinaire maatregelen. Na driekwart jaar was Münster ontaard in een theocratisch schrikbewind, maar voor de Nederlandse dopers bleef het Nieuwe Jeruzalem het lichtende voorbeeld.

De Nederlandse autoriteiten werden nerveus door geruchten over drieduizend dopers in Amsterdam. Begin 1535 werd de alarmfase ingesteld. Jan van Leiden besloot dat de hemel tegemoet moest worden gewerkt en dat er grotere opofferingsgezindheid vereist was. In Deventer, Leiden, Amsterdam en Delft wachtten de broeders en zusters in hun schuilplaatsen, maar de autoriteiten doorzochten systematisch hun achterbuurten. Een opgepakte doper verraadde vijftig anderen, waardoor de geplande acties werden verijdeld.

In februari 1535 wierpen zeven mannen en vijf vrouwen hun kleren in het vuur en begaven zich naakt de koude straten in, schreeuwend: 'Wee, wee over de wereld en de goddelozen.' Nog eenmaal zouden de dopers een stadsgreep plegen, de meest kansrijke en dodelijke. Onder leiding van de uit Münster gestuurde agitator Jan van Geel, een voormalige huurling, werd een wapenarsenaal aangelegd. Op 10 mei 1535 veroverde een tiental dopers het stadhuis op de Dam; de burgemeesters konden ontsnappen. De schutterij werd opgeroepen en een veldslag volgde. Terwijl de nacht viel, werd het stadhuis omsingeld en met een kanon bestookt. Na de doorbraak van de deur stormden de Amsterdammers het stadhuis binnen. Jan van Geel vluchtte naar de klokkentoren. De aanslag op Amsterdam werd gevolgd door een reeks terechtstellingen. Anderhalve maand later viel Münster door verraad in handen van de bisschoppelijke soldaten, gepaard gaande met veel wreedheden.

een kaart van Münster met de locatie van de Sint-Lambertuskerk

De nalatenschap van de Wederdopers

De wederdopersbeweging was een uiting van het opkomend protestantisme, met verzet tegen de katholieke kerk en de gevestigde orde. Maarten Luther verzette zich vanaf 1517 tegen de katholieke kerk, gebaseerd op de Bijbel. De ontevredenheid onder het volk, mede door economische stagnatie, droeg bij aan de bloei van de doperse beweging. Zij verwierpen de kinderdoop en zagen bekering als een serieuze zaak. De wederdopers hadden ook een hekel aan de overheid, weigerden eden af te leggen en wilden niet in staatsdienst treden.

Een deel van de wederdopers vertoonde militante neigingen en zag de huidige tijd als het 'Einde der tijden'. In Münster vestigden de wederdopers met geweld het 'Rijk Gods'. In Holland vernam men over de opstand in Duitsland. Onder leiding van Jan Matthys en Jan Beukelsz. trok een leger van wederdopers naar Münster. In Friesland vormde Jan van Geel een groep opstandelingen. Na veel geweld namen zij het klooster Bloemkamp in, waarna de stadhouder van Friesland het klooster aanviel. Na een beleg van acht dagen gaven de wederdopers zich over en werden onthoofd.

Jan van Geel dook in mei 1535 op in Amsterdam bij de mislukte poging om het stadhuis in te nemen. De afgehakte hoofden van de wederdopers werden ter afschrikking op staken bij de stadspoorten geplaatst. Na de val van Münster werden de verordeningen tegen de wederdopers verscherpt. Velen zagen in dat de militante weg tot verderf leidde.

Onder leiding van de voormalige priester Menno Simons vormde het pacifistisch merendeel van de wederdopers de Mennonitische kerk. Deze beweging legde de nadruk op vreedzaamheid en gemeenschapsvorming, en bestaat tot op de dag van vandaag.

Nederland en de Slavernij: Handel in Slaven (Afl. 1)

tags: #12 #hoe #noemt #men #de #leer