De Geschiedenis van de Anglicaanse Kerk in Suriname

Vanaf het einde van de negentiende eeuw kan Suriname op religieus gebied als een mozaïek worden beschouwd, waar vier grote wereldgodsdiensten vertegenwoordigd zijn: christendom, jodendom, hindoeïsme en islam. Lange tijd werden de religieuze percepties van Suriname echter bepaald door twee dominante ideeën: eerst werd het, vanaf de zeventiende eeuw tot circa 1940, gezien als een protestantse kolonie, en daarna, van 1940 tot eind jaren zestig van de twintigste eeuw, als een overwegend christelijk land.

Vroege Religieuze Ontwikkelingen en Beperkingen

Tot ver in de achttiende eeuw gold de gereformeerde geloofsleer als staatsreligie, met de Hervormde Kerk in Suriname als staatskerk. Na de verovering van Suriname op de Engelsen in 1667, werd het beheer van de kolonie toevertrouwd aan de 'Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname'. Een belangrijke bepaling in het octrooi van deze Sociëteit was dat personen van de 'paapsche' religie geen ambt mochten bekleden of in de kolonie mochten verblijven. De planters zelf behoorden grotendeels tot de calvinistische Nederduytsch Gereformeerde Kerk.

Katholieke geestelijken werden in de kolonie tot 1786 niet getolereerd. Toen gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (1683-1688) op verzoek van een bevriende katholieke planter twee priesters toeliet, leidde dit tot onrust bij de directeuren van de Sociëteit in Amsterdam. De gouverneur werd gesommeerd de priesters, die kort na hun aankomst overleden, de kolonie uit te wijzen. In 1741 kregen de lutheranen toestemming om hun godsdienst in Suriname uit te oefenen. Pas in 1786 mochten katholieke geestelijken zich in Suriname vertonen, maar onder strikte voorwaarden: geen priesterkleding, geen openbare religieuze manifestaties en geen dopen van slaven. Het verblijf van deze priesters was overigens van korte duur vanwege malaria.

Historische kaart van Suriname met vroege nederzettingen

De Joodse Gemeenschap in Suriname

De Joodse groep vormde een belangrijk segment binnen de blanke bevolking en hun aanwezigheid is onlosmakelijk verbonden met de vroege Nederlandse expansie in de Nieuwe Wereld. Omstreeks 1632 vestigden zij zich in Suriname. Na de Portugese verovering van Brazilië in 1654, waarbij Joden beperkingen werden opgelegd, vertrokken zij via Frans-Guyana naar Suriname. Al onder het Engelse bestuur (vóór 1667) verkregen zij belangrijke privileges, waaronder godsdienstvrijheid, die na de Nederlandse verovering in 1667 werden gehandhaafd.

In de zeventiende en achttiende eeuw was Jodensavanne het centrum van de Joodse gemeenschap. Tussen 1787 en 1830 vormden Joden ongeveer een derde tot de helft van de totale blanke bevolking. Hun rijkdom en kennis als planters maakten hen tot steunpilaren van de kolonie. De Joodse gemeenschap beschouwde zichzelf als blijvende bewoners, in tegenstelling tot andere delen van de blanke bovenlaag. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de Joodse groep een invloedrijke positie in, maar aan het eind van de negentiende en begin twintigste eeuw daalde hun aantal. Dit kwam door emigratie van kinderen die in Europa werden opgeleid en niet terugkeerden, evenals door vermenging met de Creoolse bevolking. Tegenwoordig telt de Joodse gemeenschap slechts enkele honderden leden.

Het Christendom verspreidt zich: Moravische Broeders en Kerstening

De planters in Suriname ondernamen lange tijd geen pogingen om de slaven te kerstenen. De Saksische graaf Nicolaus Ludwig von Zinzendorff kreeg in 1734 toestemming voor zendingswerk door zijn evangelische brüdergemeine (volgelingen van de Moravische hervormer Johannes Hus). In 1735 arriveerden de eerste 'broeders', maar hun zending kende aanvankelijk weinig succes door fel verzet van plantagehouders en de gereformeerde kerk. Na enkele jaren kregen de herrnhutters toestemming om het evangelie onder de Indianen te prediken.

In 1760 en 1762 sloot de overheid vrede met de Aukaners en de Saramaka, groepen weggelopen slaven. Zowel de herrnhutters als de Surinaamse overheid zagen potentieel in het kerstenen van deze groepen. De Aukaners wezen zendelingen af, waardoor het zendingswerk zich op de Saramaka richtte. In 1765 trokken zendelingen naar het dorp van de Saramakaanse granman Abini. De zoon van Abini, Johannes Alabi, liet zich in 1771 dopen en steunde de zendelingen, onder andere bij het vertalen van Bijbelgedeelten naar het Sranantongo. Ondanks bijna vijftig jaar prediking onder de Marrons (1765-1813) was het succes beperkt; de Saramaka bleven overwegend 'heidens'. Veel zendelingen stierven aan tropische ziekten.

Illustratie van Moravische zendelingen in Suriname

Herrnhutters in Paramaribo en op Plantages

Succesvoller waren de herrnhutters in Paramaribo. In 1767 kochten zij een handelshuis en grond, waar hun handel floreerde. Zij huurden slaven ter assistentie, en weldra volgden enkelen het godsdienstonderwijs. In 1776 dopen de broeders de eerste slaaf. Twee jaar later waren 52 zwarten, vrijen en slaven, lid van de broedergemeente. Op het erf van Kersten & Co werd een slavenkerkje gebouwd.

In 1779 kregen de herrnhutters toestemming om onder de 148 slaven op plantage Fairfield te prediken. In 1785 stichtten zij de post Sommelsdijk. Veel slaven van omliggende plantages bezochten de zendingspost, en in een jaar tijd werden 164 slaven gedoopt. Dit werd echter beëindigd toen een korjaal omsloeg en drie slavinnen verdronken, waarna de slaven geen toestemming meer kregen Sommelsdijk te bezoeken. Pogingen om op plantages te prediken mislukten door tegenwerking van de directeuren. Na 1793 ging het achteruit met de herrnhutter zending op de plantages door oorlogen in Europa. De post Sommelsdijk werd verlaten en het kerkje op Fairfield gesloten. De zendelingen concentreerden zich daarna op de zwarte en gekleurde bevolking van Paramaribo.

Grootschalige Kerstening en de Rol van de 'Haagsche Maatschappij'

In 1823 werd de 'Maatschappij ter bevordering van het Christendom onder de Heidensche bevolking in de kolonie Suriname' opgericht, vaak de 'Haagsche Maatschappij' genoemd. Deze vereniging, voortkomend uit de Nederduytsch gereformeerde kerk, koos de Moravische Broeders als intermediair. Door politieke druk vanuit Nederland werd grootschalige kerstening van de slaven mogelijk. Vanaf 1826 werd missie en zending toegestaan om de slaven te 'beschaven'. Slavenhouders verwachtten dat ex-slaven als christenen beter in het gareel zouden lopen. Wel wensten planters dat slaven niet tot dezelfde kerk toetraden als hun meesters, om zo de sociale distantie te handhaven. Slaven konden lid worden van kerken als die van de herrnhutters en katholieken, die in de optiek van de blanken als 'minderwaardig' werden beschouwd.

In 1835 predikten de Moravische broeders op elf plantages, tien jaar later op 102, en bij de afschaffing van de slavernij op 190 van de circa 220 plantages. De kerstening van de slaven verliep moeizaam, maar de herrnhutters waren succesvoller dankzij financiële steun van het koloniaal bestuur en de Haagsche Maatschappij. Door hun activiteiten op het gebied van onderwijs en wezenzorg wisten zij een groot deel van de ex-slaven te kerstenen. Wel bleven bij delen van de Creoolse bevolking sporen van Afrikaanse opvattingen overheersen, gevormd door de cultuur die op de plantages was ontstaan.

Concurrentie en Verzuiling in het Kerkelijk Landschap

In 1879 telde de Surinaamse populatie 45.222 blanken en zwarten. Het koloniaal verslag van dat jaar vermeldde 7.283 katholieken tegenover 21.003 herrnhutters. In de jaren daarna won de katholieke kerk terrein. De concurrentie tussen de christelijke denominaties was manifest, vooral op het gebied van onderwijs. In de jaren twintig van de twintigste eeuw woedde een felle schoolstrijd in Suriname. Protestanten vreesden een 'verromsing' van de kolonie. Pas eind jaren dertig kon gesproken worden van 'pacificatie', ingegeven door plannen van het koloniaal bestuur om elementen uit de adat van hindoes en moslims wettelijk te erkennen. Protestanten en katholieken sloten de rijen om een front te vormen tegen de niet-christenen.

De Komst van Hindoeïsme en Islam

Vanaf 1873 arriveerden Brits-Indiërs in Suriname om de opengevallen arbeidsplaatsen na de afschaffing van de slavernij in te vullen. Vanuit Paramaribo vertrokken zij naar de plantages. 34.000 Hindostanen maakten de reis, en met hen kwamen het hindoeïsme en de islam naar de kolonie. Volgens De Klerk (1998) was 17,5% van de Hindostaanse immigranten moslim. Hoewel er ongetwijfeld slaven met een islamitische achtergrond waren, is het bekend dat minstens vier slaven Arabisch konden lezen en schrijven, en verslagen van zendelingen vermelden ontmoetingen met moslimslaven.

De eerste Javaanse immigranten kwamen op 9 augustus 1890 aan, aangeworven voor plantage Mariënburg. Tot 1939 maakten 32.956 Javanen de reis. Hoewel de meerderheid van de Javaanse contractarbeiders een islamitische achtergrond had, stoelt de islam bij deze bevolkingsgroep op pre-islamitische geloofsvoorstellingen. De meeste immigranten uit Brits-Indië en Java bleven hun religie trouw. Herrnhutters en katholieken probeerden hen te bekeren, wat leidde tot hevige concurrentie, vooral na 1895 toen het overheidsbeleid gericht was op permanente vestiging van ex-contractarbeiders. Missie en zending hadden onder deze 'nieuwelingen' weinig succes; minder dan vijf procent ging over tot het christendom. Dit kwam mede door het plantageleven dat weinig ruimte bood voor geregelde bekeringswerkzaamheden en de voortdurende aanvoer van nieuwe contractarbeiders die de band met het moederland bestendigden.

Groepsfoto van Hindostaanse immigranten in Suriname

Categorale Zielzorg en de Perceptie van Suriname als Christelijke Kolonie

Missie en zending hanteerden een categorale benaderingswijze bij de evangelisatie, waarbij elke groep een eigen identiteit had. Zo ontstond de categorale zielzorg op basis van taal en bevolkingsgroep. Binnen kerken werden aparte diensten gehouden voor Creolen, Hindostanen en Javanen. De kerken benadrukten vreedzame coëxistentie, maar integratie (gezamenlijke diensten) werd niet nagestreefd. Het duurde lang voordat de Surinaamse overheid besefte dat de komst van Hindostanen en Javanen het christelijke karakter van Suriname zou doen verdwijnen. De perceptie van Suriname als christelijke kolonie werd pas door gouverneur Kielstra (1933-1944) verlaten.

Eind jaren dertig van de twintigste eeuw stelde het koloniaal bestuur voor de eigen adat in huwelijkse zaken bij hindoes en moslims te legaliseren. Zij sloten huwelijken voor hun religieuze voorgangers, die in deze zaken geen officiële rechtsmacht bezaten. Het voorstel leidde tot veel verzet in de Staten van Suriname, waar men vreesde dat dit een bres zou slaan in het bolwerk van het christendom.

De Anglicaanse Kerk: Ontstaan en Ontwikkeling

In 1991 vierde de Anglicaanse kerk in Suriname haar 340-jarig bestaan. Zij is de oudste christelijke gemeente in Suriname, met een centrum en kerk op Thorarica. De kerk kwam mee met de eerste, Engelse kolonisatoren en verdween toen het gebied dat later Suriname werd, door Zeeuwen werd veroverd. In 1667 kon de eerste dominee, J. Basseliers, van de Zeeuwse Gereformeerde kerk aan de slag. Ds. Basseliers had contacten met Inheemsen en wilde een schooltje en internaat oprichten, maar dit lukte niet door gebrek aan tijd en geld, en de moeilijkheid van hun taal.

De Evangelische Broeder Gemeente (EBG) kreeg in 1735 verlof voor zendingswerk in Suriname en stichtte zendingsposten om te evangeliseren onder de 'Naturellen'. Deze jonge gemeentes hielden het niet lang vol door conflicten met weggelopen en gevluchte slaven, die de Inheemse kampen en posten vernielden. De zendelingen slaagden er niet in de christelijke gewoontes en moraal ingang te doen vinden, wat leidde tot de sluiting van de posten. In 1818 zette de Broedergemeente definitief een punt achter deze vorm van zendingswerk.

Oude Anglicaanse kerk in Paramaribo

Missiewerk onder Inheemsen en Bosnegers

Met gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck kwamen in 1683 enkele Belgische Franciscanen mee. In deze periode van grote Inheemsen-opstand schreven de paters over de last die zij ondervonden van de Inheemsen. De paters overleden al snel of keerden ontgoocheld terug. Daarna was het voor priesters lange tijd verboden zich in Suriname te vestigen. Pas begin negentiende eeuw kwam er continuïteit in het kerkwerk. In mei 1867 werd de eerste missiereis naar de Inheemsen gemaakt. Pater J. Romme rapporteerde over vredelievende Arowakken. Pater Petrus (Peerke) Donders bezocht jarenlang de dorpen langs de rivieren, doopte velen en maakte een begin met onderwijs. Bijna alle benedenlandse Indianen werden katholiek.

De missionarissen hadden weinig oog voor het cultureel en religieus erfgoed van de Inheemsen en gebruikten Sranantongo in hun contacten. Vertalingen van de catechismus in Indiaanse talen werden weinig gebruikt. Pater W. Petrus Donders probeerde de Inheemsen van West-Suriname te concentreren in grotere groepen om het missiewerk te vergemakkelijken, maar dit systeem werkte niet. De priesters bleven de dorpen langs de rivieren bezoeken, wat bekend werd als Waka Kerki (rondreizende kerk). Het kerkelijk leven bleef van voorbijgaande aard, en de mensen bleven vasthouden aan hun eigen gebruiken, mythen en geneesmiddelen. De missionarissen zagen de pyjaiman, de religieuze leider, geneesheer en raadsman van de Indianen, als hun grootste tegenstander.

De kerk moest soms zaken door de vingers zien, zoals niet-strikt katholieke man-vrouw relaties. Het onderwijs op de dorpen was volledig op Europese leest geschoeid, waardoor de Inheemsen hun eigenwaarde verloren en in een andere wereld leerden leven. Vanaf de tijd van Peerke Donders werd gezocht naar mensen die permanent in de dorpen wilden wonen om de Inheemsen te onderrichten, vaak Creolen uit de stad. Later werd het opleidingsniveau van deze eigen mensen verhoogd, maar de kwaliteit van de boslandkatechisten bleef een zorg. In 1976 startte een meerjarige opleiding voor katechisten, gericht op bijbelstudie, pastorale vaardigheden en het inbrengen van eigen culturele waarden.

De kerk zette zich in voor onderwijs en stimuleerde landbouw en veeteelt. In 1917 kocht de katholieke kerk plantage L'Esperance om Inheemsen de gelegenheid te geven geld te verdienen met houtkap. De kerk verdedigde ook bepaalde rechten van de Inheemsen, bijvoorbeeld tegen de vuurwapenbelasting. In 1968 werd de Pater Ahlbrinck Stichting (PAS) opgericht om het missioneringswerk in het binnenland te ondersteunen en te vernieuwen, met een focus op gemeenschapsontwikkeling, onderwijs en medische zorg. Er groeiden oecumenische verbanden met de Broedergemeente.

Foto van een dorp in het Surinaamse binnenland

De Anglicaanse Kerk: Een Historisch Overzicht

De Anglicaanse kerk in Suriname, hoewel niet de grootste, heeft een lange geschiedenis. Zij kwam mee met de Engelse kolonisatoren aan het begin van de koloniale periode. Na de Nederlandse overname verdween zij tijdelijk, maar keerde later terug. De eerste dominee, J. Basseliers, van de Zeeuwse Gereformeerde kerk, begon zijn werk in 1667. Hij had contacten met de Inheemsen en wilde een schooltje en internaat oprichten, maar dit lukte niet.

De Anglicaanse kerk werd pas later in de geschiedenis van Suriname een significante factor, met name tijdens periodes van Engels bestuur. De Engelse koning schonk in 1814 100.000 gulden voor de bouw van een nieuwe kerk voor de Hervormde gemeente, die toen onder Engels bestuur viel. Deze oude kerkzaal werd gebruikt voor de anglicaanse eredienst. Helaas werd het gebouw in 1821 door brand verwoest.

Kerk en Slavernij: Een Complexe Relatie

De Evangelische Broedergemeente (EBG) en de Rooms-Katholieke Kerk bewerkstelligden de kerstening van de overwegend zwarte bevolking, terwijl de hervormde en lutherse kerken overwegend witte kolonistenkerken bleven. De verwevenheid van de kerk met de koloniale staat is onmiskenbaar; de kerken waren inherent koloniaal en hun vorm werd bepaald door het koloniale systeem. Religie, kolonie en slavernij beïnvloedden elkaar voortdurend.

De godsdienstvrijheid van de Republiek was in de koloniën ver te zoeken. De kerken werden gezien als 'agents of empire', vertegenwoordigers van de koloniale staat. De kerk speelde een belangrijke rol in de koloniale beschavingsidealen en de legitimatie van koloniale doelen. Economisch gewin en bekeringsdrift gingen hand in hand.

In 1828, met het oog op de mogelijke afschaffing van de slavernij, achtte het koloniaal bestuur het essentieel de slaafgemaakten middels het christendom aan zich te binden en hen te 'beschaven' en onder controle te houden. Het christelijke beschavingsoffensief van de koloniale kerken bracht een 'religie van onderdanigheid' voort, die bijdroeg aan een 'erfelijk minderwaardigheidsgevoel'. Anton de Kom schreef in zijn boek 'Wij slaven van Suriname' (1934) dat na de afschaffing van de slavernij de bijbel werd gebruikt om dezelfde gehoorzaamheid aan te kweken. Dit fenomeen wordt ook wel 'kolonisatie van de ziel' of 'mentale slavernij' genoemd. Veel historici concluderen dat de christelijke kerken de emancipatie van de slaafgemaakten eerder vertraagden dan bevorderden. De fysiek-gewelddadige periode van tot slaaf maken ging langzamerhand over in het mentaal tot slaaf maken.

De Nederlanders (WIC) vervoerden naar schatting 600.000 tot slaaf gemaakte mensen vanuit Afrika naar West-Indië, waarvan ongeveer 240.000 naar Suriname. De Gereformeerde Kerk vormde voor een deel het bestaansrecht van de jonge Republiek, die was voortgekomen uit een strijd tussen protestantse Nederlandse provincies en het katholieke Spanje. Predikanten stelden zich op als de intellectuele voorhoede van de jonge staat. Gouverneurs kregen de opdracht predikanten aan te stellen en te betalen, primair voor de geestelijke verzorging van de Nederlanders. De Nederlandse koloniale onderneming was ook een voortzetting van de oorlog met de katholieke wereld; elke tot het calvinisme bekeerde ziel was een overwinning op het katholicisme. Gouverneurs en predikanten verhandelden zonder scrupules slaven.

Curaçao, net als andere Caribische eilanden, heeft een ander kerkelijk verleden dan Suriname, omdat daar al vanaf 1526 het katholicisme werd gepredikt. De Afro-Surinaamse bevolking is overwegend christelijk, verdeeld tussen protestants en katholiek. De katholieke missie vestigde zich pas in 1817 in de van oudsher protestantse kolonie. De gevestigde 'standskerken' (Gereformeerd/Hervormd en Evangelisch-Luther) en de zich meer invechtende 'volkskerken' (EBG en Rooms-katholiek) hadden hun eigen dynamiek. De EBG werd aanvankelijk door de gevestigde kerken als een "secte" beschouwd.

De Rol van de Nederduits Gereformeerde Kerk en de Evangelisch Lutherse Kerk

De in Suriname vanaf 1667 aanwezige Nederduits Gereformeerde Kerk bemoeide zich niet met de Afro- of inheemse Surinamers. De WIC was verplicht predikanten een slaafgemaakte of knecht te verschaffen als onderdeel van hun bezoldiging. Predikanten kochten soms extra slaafgemaakten voor zichzelf of de compagnie, ingezet voor diverse taken. De eerste dominee, Johannes Basseliers, vulde zijn traktement aan met een suikerplantage met vijftig slaafgemaakten.

De Evangelisch Lutherse Kerk, die zich in 1741 vestigde, bleef grotendeels wit, maar bediende vooral de witte middenklasse van ambachtslieden, hoveniers, mijnwerkers en soldaten, veelal van Duitse afkomst. Deze mannen stichtten gezinnen met vrije creoolse en inheemse meisjes, waarvan de kinderen meestal luthers werden gedoopt, waardoor de Lutherse kerk bekend stond als 'kleurlingenkerk'. Plantageslaven werden door de Lutherse kerk niet bezocht.

De Evangelische Broedergemeente (EBG) en de Kerstening van Slaven

In 1828 werd de taak om de christelijke leer onder de slaafgemaakten te verspreiden officieel toebedeeld aan de Hernhutters (Moravische of Evangelische Broeders, EBG). Zij werkten vanuit Paramaribo en openden al snel een kerkgebouw in Coronie. De EBG-gemeenschap groeide stevig; van 15 plantages in 1830 naar 130 in 1848. De opdrachtverlening door de koloniale elite aan de Moravische zendelingen diende ter bescherming van de status quo in de op slavernij gebaseerde kolonie. De zendelingen predikten geduld, lijdzaamheid en arbeidzaamheid, en verwierpen gewelddadig verzet. Ze hadden een sterke afkeer van winti, de Afro-Surinaamse religie, die ze als 'afgoderij' bestempelden.

De EBG was de eerste denominatie in Suriname die zich expliciet op slaafgemaakten richtte en niet zou ageren tegen het instituut van de slavernij. Zij maakten onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke vrijheid, waarbij de geestelijke vrijheid zuiver christelijk was, niet vrijheid van religie. Centraal stonden vergeving van zonden, berusting en gehoorzaamheid, wat in lijn was met de visie van de koloniale staat die de slaafgemaakten geleidelijk wenste voor te bereiden op de afschaffing van de slavernij en oproer vreesde. De zendelingen vermeden conflicten met het gouvernement of de planters. Het inzetten van zendelingen was feitelijk een politiek instrument, zoals bleek uit de oprichting van de eerste EBG-kerk in Coronie na de verzetsbeweging rond Tata Colin.

Bij de opening van zendingspost Bersaba in 1858 werden de aldaar woonachtige slaafgemaakten gedwongen hun persoonlijke winti-gerelateerde bezittingen te verbranden. De EBG bezat in 1846 nog 42 slaven en had nog eens 19 slaven werkzaam bij de Firma C. De EBG stond zo religieuze vrijheid en fysieke bevrijding van slaafgemaakten in de weg, wat de nauwe verwevenheid van kolonialisme, religie en slavernij illustreert.

Katholieke Missie en Concurrentie

De katholieke kerk kreeg pas in 1785 verlof tot kerkelijk werk in Suriname, maar stopte haar inzet in 1793 wegens financiële voorwaarden. In 1817 vestigden de katholieken zich opnieuw en definitief, met meer godsdienstvrijheid. Het was de katholieken echter nog steeds verboden publieke ambten te hebben. In de eerste decennia mocht de Katholieke Kerk zich niet met plantageslaven bemoeien, pas officieel vanaf 1840, maar het gebeurde al eerder. Tot 1848 hadden katholieke missionarissen toegang tot een 16-tal plantages van katholieke eigenaren. Vanaf dan kwam er meer ruimte voor kerstening, maar met stevige concurrentie van de EBG-zendelingen. Beide groeperingen schilderden hun aantal gedoopten rooskleurig af. Bekering was vaak oppervlakkig; de religieuze praktijk van de slaafgemaakten vanuit Afrikaanse tradities werd niet definitief weggevaagd. 'Bekeerlingen' grepen bij problemen in eerste instantie terug op winti.

Missionarissen en zendelingen worstelden met de vraag of het kruis niet slechts een dun vernisje was, waaronder wintipraktijken de hoofdrol speelden. Winti, voorheen gedoogd door plantagehouders, raakte meer onttrokken aan het oog van de kolonisator en bleef bestaan in de beslotenheid van de 'achtertuin'. De apostolisch missionaris P. Wennekers richtte een Liefdefonds op tot vrijkoping van stadsslaven, waarbij geld werd gebruikt om slaven te kopen zodat zij zichzelf konden vrijkopen. Hij en zijn collega's kregen of kochten ook slaven voor de bediening, de zogenaamde kerkbedienden of kerkslaven.

tags: #anglicaanse #kerk #in #suriname