De Reformatie en de Verandering van Religieuze Praktijken in het Protestantisme

De Middeleeuwse Kerk en de Opkomst van het Protestantisme

In de Middeleeuwen kende men slechts één christelijke Kerk, die katholiek was. Na de Reformatie, die rond 1525 begon, bleef de katholieke Kerk bestaan, maar er ontstonden ook diverse protestantse kerken. Het katholieke geloof stelde dat de Kerk de goddelijke genade verspreidde en dat lidmaatschap van de Kerk volstond om deelachtig te worden aan deze genade. De protestanten daarentegen benadrukten een directe relatie tussen de gelovigen en God.

Voor de middeleeuwse boer was de inhoud van de Bijbel vaak onbekend. Zijn geloof was minder gericht op formele doctrines en dogma's, maar meer op de rituelen die belangrijke levensgebeurtenissen omringden, zoals geboorte, huwelijk en dood, evenals zaaien en oogsten. Middeleeuwers waren verplicht en bereid om naar de priester te luisteren en de mis bij te wonen. Deze mis werd in het Latijn opgedragen, wat betekende dat de gelovigen deze niet konden verstaan. Vaak konden ze de priester ook niet zien, omdat ze in een zijbeuk zaten of door een doksaal van hem gescheiden waren. De Kerk achtte dit echter niet van belang, zolang de gelovigen aanwezig waren, zouden ze Gods genade deelachtig worden. Katholieken hoopten op goddelijke hulp bij dagelijkse problemen, bescherming tegen de duivel en vijandige natuurkrachten. De Kerk bood rituelen om deze hulp van God te verkrijgen. Geloof, bijgeloof en magie waren bij katholieken sterk met elkaar vermengd.

De Protestantse Reactie op Geloof en Praktijk

In de zestiende en zeventiende eeuw probeerden protestanten geloof, bijgeloof en magie weer van elkaar te scheiden. Het wijden van kerken en grond, zoals begraafplaatsen, werd afgeschaft. Men achtte het zinloos om de duivel uit aarde en steen te willen drijven. Een kerk kon volgens de protestanten alleen een heilige plaats worden als God dat wilde en als de mensen de kerk op een godsvruchtige manier gebruikten. Tegen 1600 doken echter tal van magische formules en het wijden van gebouwen en grond weer op in het gematigde protestantisme en het anglicanisme.

Strenge protestanten die katholieke kerken hadden overgenomen, vonden deze gebouwen zo aangetast door "paaps bijgeloof en afgoderij", formules, zegeningen en wijwater, dat ze eigenlijk gesloopt moesten worden. Ook het begraven van doden in gewijde grond achtten zij onzin. De vroege protestanten geloofden dat alleen God en Christus wonderen konden verrichten, niet mensen. Wonderen die heiligen zouden hebben verricht, beschouwden zij als bijgeloof en godslastering. Als er toch een wonder gebeurde, dan zat de duivel erachter.

De protestanten verwierpen de doop. Wat er zou gebeuren met kinderen die ongedoopt stierven, was een omstreden kwestie. Sommigen meenden dat ongedoopte kinderen "brandhout voor de hel" waren, terwijl velen de doop geen absolute vereiste voor verlossing vonden. Zij geloofden dat een ongedoopt kind niet vervloekt zou zijn en niet in de hel zou komen. Er waren zelfs protestanten, de puriteinen, die de doop volledig wilden afschaffen. De anglicaanse Kerk herstelde de doop echter in ere. Het vormsel werd door anglicanen pas aan oudere kinderen gegeven, rond veertien jaar, maar de daarbij gebruikte olie en linnen haarband werden afgeschaft.

Radicale protestanten stelden dat geen enkele ceremonie of formule enige werkzaamheid kon hebben in de materiële wereld. De quakers gingen zeer ver in het afschaffen van "paaps bijgeloof".

Een illustratie van een protestantse kerkdienst in de 16e eeuw, met nadruk op de volkstaal en een soberder interieur vergeleken met katholieke kerken.

Veranderingen in Gebed en Religieuze Ceremonies

Protestanten verzetten zich ook tegen bepaalde vormen van gebed. Protestante theologen maakten al in de zestiende eeuw onderscheid tussen een gebed en een bezwering. Een gebed op zich had geen automatische macht zoals een toverformule. God besliste zelf of hij naar een gelovige luisterde, en dit kon niet worden afgedwongen met langdurige of gedachtenloze gebeden. Protestanten vonden dat katholieken hun lippen bewogen, maar niet hun hart. Het geloof achter het gebed was essentieel.

De anglicaanse Kerk stapte over van het Latijn naar de volkstaal, zodat de gelovigen hun eigen gebeden konden begrijpen. Ook schrapte zij gebeden waarin het leek alsof er naast God andere bovennatuurlijke machten waren, zoals heiligen, en gebeden waarin God werd opgedragen te gehoorzamen. Puriteinen wilden elk gebed afschaffen dat op een bezwering leek. Dit soort gebeden handhaafden zich echter tot in de zeventiende eeuw.

Rond 1550 maakten protestanten een einde aan veel religieuze processies die in tijden van nood werden gehouden, zoals bij rampen, pestepidemieën, misoogsten of naderende stormen. Ook het aantal jaarlijkse omgangen langs de grenzen van de parochie werd rond 1560 sterk ingekrompen. Deze omgangen mochten niet meer stoppen bij kruisbeelden langs de weg. Puriteinen zagen deze omgangen als een poging om de velden te betoveren en wilden ze liefst volledig afschaffen. Na circa 1600 zag het volk deze omgangen niet meer als magisch, maar eerder als een gezellig samenzijn met eten, drinken en het bijleggen van ruzies.

De Eed en de Afschaffing van Bijgeloof

Tijdens rechtszittingen in de Middeleeuwen moesten getuigen vaak een eed afleggen op de Bijbel of een ander religieus voorwerp om de waarheid te garanderen. Men ging ervan uit dat God de meinedige zou straffen. Protestanten keerden zich tegen deze gerechtelijke eed. Zij stelden dat men niet bang moest zijn voor Gods wraak, maar in overeenstemming met zijn geweten moest handelen. Een man moest zijn woord houden, en een eed afleggen was slechts een bijgelovig toevoegsel. Quakers weigerden pertinent om eden af te leggen, omdat ze niet wilden dat hun waarheidsgetrouwheid afhankelijk was van een eed. In sommige plaatsen werden eden vervangen door beloften, hoewel meineed voor het gerecht in de zestiende en zeventiende eeuw toenam.

De Kerk had in de Middeleeuwen compromissen gesloten met het heidendom en dit deels geassimileerd. Protestanten wilden dit geassimileerde heidense bijgeloof uit het christelijke geloof verwijderen. Niet alleen theologen, maar ook het volk begon rond 1550 de spot te drijven met het idee dat gewone voorwerpen door rituelen van uitdrijving en wijding bovennatuurlijke eigenschappen konden krijgen. Dit leidde tot de beeldenstorm, waarbij religieuze voorwerpen werden beschadigd of vernietigd. Altaarstenen werden als straatstenen gebruikt, doopvonten in keukens geplaatst, hosties aan honden gevoerd, heiligenbeeldjes als poppen aan kinderen gegeven, en koeien kregen reinigingsrituelen in de kerk na het kalven.

Een gedetailleerde afbeelding van de beeldenstorm, met protestanten die religieuze beelden en objecten vernielen.

De Voortzetting van Traditionele Praktijken en de Invloed van het Volksgeloof

De katholieke Kerk bood veel magische rituelen om gelovigen te helpen bij hun dagelijkse problemen. Protestanten en anglicanen hadden tegen 1600 veel van deze rituelen afgeschaft, maar de dagelijkse problemen van de mensen namen niet af. Technologische en medische ontwikkelingen om te helpen bij natuurrampen, brand, ziekte en epidemieën waren nog niet op gang gekomen. Het volk bleef magische en genezende krachten toekennen aan oorspronkelijk heidense bronnen, zelfs nadat de kerk deze had geassimileerd door er een christelijke heilige aan te koppelen. Groepen protestanten begonnen hier echter verschillend over te denken. Puriteinen wilden al het "paapse en heidense bijgeloof" uitroeien. Veel kalenderfeesten waren echter moeilijk uit te bannen, zoals de vigilie in de zomer, de vasten voor Pasen en de vieravondzangen op kerstavond. Het eten van warme broodjes op Goede Vrijdag, gans op Sint-Michielsdag, het geven van cadeaus met Nieuwjaar en het drinken van gekruid bier met Kerstmis, waren tradities die geluk en voorspoed moesten brengen. Het oorspronkelijke idee achter deze feesten, bescherming tegen kwade geesten, werd in de zeventiende eeuw geleidelijk vervangen door de wens om feest te vieren.

Bij bruiloften mochten van hen geen viool- en doedelzakspelers meer komen spelen. De Lollards vonden al rond 1400 dat het slaan van een kruisteken alleen nuttig was om vliegen te verjagen, maar tot circa 1700 bleven veel protestanten vaak een kruisteken slaan. Velen zwoeren bij Onze Lieve Vrouwe of dachten dat relikwieën beschermden tegen de duivel. Sommige anglicaanse geestelijken gingen met wijwater rond, maakten kruistekens over parochianen en gaven het heilig oliesel aan stervenden. Sommige protestanten bleven geloven dat de hostie, geld uit het offerblok of miswijn ziektes konden genezen, en dat voorwerpen uit de kerk bescherming boden tegen het kwaad. Rond 1600 voerde nog zeker driekwart van alle anglicanen de oude, bijgelovige praktijken uit. In plattelandsstreken, waar de meeste mensen analfabeet waren en geen anglicaanse geestelijkheid was, hield het volk volledig vast aan middeleeuwse magie. Voor hen was religie niets anders dan magie: het beïnvloeden van de materie met bovennatuurlijke kracht.

De katholieken waren na 1534 een kleine minderheid geworden, terwijl de anglicaanse Kerk veruit de grootste was. Op het vasteland van Europa bleven het katholicisme en haar magie bestaan naast het protestantisme.

Bedevaarten: Van Middeleeuwse Praktijk tot Protestantse Kritiek

De term "pelgrimage" en "pelgrim" zijn afgeleid van het Latijnse "peregrinatio". In het Nederlands, net als in het Duits, bestaan twee woorden: "bedevaart" en "pelgrimage", wat ruimte laat voor een lichte nuance. Bij een bedevaart ligt het doel, het bedevaartsoord, vast. In het jodendom was het voor drie jaarlijkse feesten voorgeschreven dat mannen naar Jeruzalem zouden reizen, bekend als de "sjalosj regalim" - de drie pelgrimsfeesten. Met de vernietiging van de Tempel in 70 na Christus kwam hieraan een einde.

Het vroege christendom van de eerste twee eeuwen wees bedevaarten af, in tegenstelling tot de heidense en joodse omgeving. Er zijn aanwijzingen dat individuele christenen graven van martelaren bezochten op begraafplaatsen buiten de stad. In de derde en vierde eeuw bloeide de christelijke pelgrimage op. Graven van martelaren werden bedevaartsoorden, bevorderd door bisschoppen. Monniken en kluizenaars leidden een leven van onthechting in de woestijnen van Egypte en Syrië, en werden bezocht door mensen die advies zochten. Het Heilige Land werd een bedevaartsoord door keizerlijke bouwprogramma's, met uitleg door literatuur of gidsen. Helena, de moeder van keizer Constantijn de Grote, ondernam een tocht naar het Heilige Land. Na het Concilie van Efeze in 431 kwamen er bedevaarten naar Mariaheiligdommen bij. Tegen de vijfde eeuw had elke Romeinse provincie zijn christelijke bedevaartsoorden.

Met de ineenstorting van veilige transportwegen kwam supraregionale pelgrimage in de vroege Middeleeuwen grotendeels tot stilstand. Rome bleef een uitzondering, bezocht door Angelsaksen en Franken om bij de graven van martelaren te bidden. Vanaf de zevende eeuw kreeg het woord "pelgrim" ook de betekenis van het verlaten van het geboorteland om het christelijke geloof te verspreiden. Engelse en Ierse monniken trokken naar het Europese vasteland. Vanaf de vroege elfde eeuw kreeg de pelgrimsreis een vooraf bepaald doel. Vooral in de elfde en twaalfde eeuw werden omvangrijke bedevaarten gehouden. Gedurende de twaalfde en dertiende eeuw was het beschermen van bedevaarders een motief voor kruisvaarders.

In kerken van oosters-orthodoxe strekking worden bedevaarttradities uit de late oudheid voortgezet, naast bedevaartsoorden in het Heilige Land en graven van belangrijke martelaren. Ook graven van recentere martelaren konden bedevaartsoorden worden. Er zijn pelgrimstochten naar belangrijke iconen.

Een oude kaart die de belangrijkste pelgrimsroutes in middeleeuws Europa toont, met nadruk op Santiago de Compostela en Rome.

De Reformatie zorgde voor een keerpunt in de geschiedenis van Europese bedevaarten. Terwijl katholieken en orthodoxen traditionele heiligdommen bleven vereren, waren bedevaartsplaatsen, verbonden met de heiligencultus, beeldenverering, het verdienen van eigen verdiensten en het verlenen van aflaten, specifieke doelwitten van de Reformatie. Maarten Luther veroordeelde deze gebruiken en verklaarde in 1520: "Alle bedevaarten moeten worden stopgezet. Er is geen goed in: geen gebod beveelt ze, geen gehoorzaamheid hangt eraan vast. Integendeel, deze pelgrimstochten geven talloze gelegenheden om te zondigen en Gods geboden te verachten." Luther verwierp het idee dat men door "goede daden", zoals bedevaarten, het eigen heil kon verdienen.

Het beeld van de rondreizende pelgrim bleef echter aanwezig en werd ook in protestantse lectuur gebruikt als symbool. Veel gelovigen hopen op de bedevaartplaats een goddelijke zegen te krijgen en, volgens een oude rooms-katholieke traditie, een aflaat voor hun zonden. Aangezien deze redenen in het protestantisme wegvallen, zijn dit soort bedevaarten onder protestanten eerder ongebruikelijk. Sommige pelgrims leggen echter een bedevaart af om andere geestelijke redenen: nadenken over God en het leven, tot bezinning komen, of afstand nemen van een hectisch bestaan. Weer anderen pelgrimeren als getuigenis van vrede en solidariteit met slachtoffers van onderdrukking en geweld. Sommigen volgen traditionele bedevaartwegen zonder zichzelf als bedevaarder of pelgrim te zien.

De katholieke vredesbeweging Pax Christi is ontstaan als pelgrimsbeweging, geïnspireerd door pelgrimages van katholieke jongeren naar Chartres voor de Tweede Wereldoorlog. De pelgrimage werd in de christelijke literatuur vaak gebruikt als metafoor voor het menselijk leven, met als bekendste voorbeeld "The Pilgrim's Progress" van de Engelse puritein John Bunyan.

Sommige bedevaartplaatsen werden interessant nadat er volgens ooggetuigenverslagen verschijningen hadden plaatsgevonden, meestal van Maria, een engel of een heilige. Andere plaatsen werden bekend vanwege wonderlijke genezingen, stigmata, of andere verschijnselen die mensen bovennatuurlijk voorkwamen. De Rooms-Katholieke Kerk kent een strikte procedure om de betrouwbaarheid van getuigenissen vast te stellen voordat officiële erkenning plaatsvindt.

Go SantiaGo promotiefilmpje

De Rooms-Katholieke Kerk kent overigens een strikte procedure om de betrouwbaarheid en feitelijkheid van een getuigenis vast te stellen, voordat tot officiële erkenning van een dergelijk verschijnsel wordt overgegaan. Vooral in de elfde en twaalfde eeuw werden omvangrijke bedevaarten gehouden. Enkele christelijke bedevaartplaatsen stonden en staan bijzonder hoog in aanzien: de geboorteplaats van Jezus in Bethlehem; het Heilige Graf in Jeruzalem; het graf van Petrus in Rome; en het graf van de apostel Jacobus de Meerdere in Santiago de Compostela. In het Maas- en Rijnland waren in de middeleeuwen de heiligdomsvaarten van Maastricht, Aken en Kornelimünster bekend, die om de zeven jaar plaatsvonden en gecombineerd konden worden. In Aken kwamen in 1496 142.000 pelgrims, waarvan het merendeel ook de andere twee plaatsen zal hebben aangedaan. De katholieke vredesbeweging Pax Christi is ontstaan als pelgrimsbeweging. Geïnspireerd door pelgrimages die al voor de Tweede Wereldoorlog door katholieke jongeren te voet naar Chartres werden ondernomen, kwamen na de oorlog de voettochten voor vrede ook in Nederland in zwang. Pax Christi Internationaal ontstond tijdens een pelgrimage van Franse en Duitse jongeren naar Lourdes.

De Engelse anglicanen geloofden, net als de lutheranen, niet dat brood en wijn volledig veranderden in het lichaam en bloed van Christus (transsubstantiatie). Het bleef gewoon brood en wijn maar die werden “ook” lichaam en bloed van Christus (consubstantiatie). Voor de calvinisten was het avondmaal een herinnering aan Christus die voor onze zonden stierf en een symbool van hun onderlinge band.

Al in de Middeleeuwen had de Kerk verhalen verspreid over mensen die heiligdommen of kerkelijke bezittingen hadden vernield of beroofd, en die slecht aan hun einde kwamen. Niet alleen de schuldige, maar ook zijn nageslacht werd door God gestraft. Tijdens de beeldenstorm werden deze verhalen verspreid. Na de Reformatie werden katholieke kloosters, kloostertienden en kerkelijke bezittingen geconfisqueerd en verkocht. In de zeventiende eeuw ontstond het verhaal dat ook op de kopers van deze tienden, landerijen en bezittingen een vloek zou rusten. De familie zou nog drie generaties onder ongelukkige omstandigheden overleven en dan uitsterven. Een enkeling gaf de bezittingen aan de kerk terug, maar de meesten trokken zich er niets van aan.

tags: #bedevaart #voor #protestanten