In de zestiende en zeventiende eeuw spraken teksten veelvuldig over 'liefhebbers van de gereformeerde religie'. Wat hiermee bedoeld werd, was voor tijdgenoten direct duidelijk, maar voor latere generaties niet altijd meer. Men stelt zich bij het woord 'liefhebbers' vaak een uitverkoren groepje voor, dat hart en ziel aan de gereformeerde religie had verpand. Dit is echter een misvatting; de term duidt niet op een exclusieve groep, maar op personen die weliswaar niet volledig lidmaat waren, maar wel nauw verbonden met de kerk. Net zoals een 'wielerkoers voor liefhebbers' niet voor professionals is, zo waren deze 'liefhebbers' geen lidmaten van de hervormde kerk, maar wel ermee verbonden. Dit impliceert dat de invloed van de hervormde kerk verder reikte dan alleen de kerngroep van toegetredenen.
Het is belangrijk de term 'liefhebber' serieus te nemen en hen niet te ver van het object van hun genegenheid te plaatsen. Een ernstig misverstand ontstond bijvoorbeeld toen Van der Kemp in zijn biografie van Maurits schreef dat Oldenbarnevelt zeker nooit ter kerke ging of huiselijke godsdienstoefeningen hield, omdat hij ruim twintig jaar in Holland woonde zonder tot de avondmaalsgemeenschap toe te treden. Van der Kemp oordeelde naar de verhoudingen die hij kende, niet naar de maatstaven van de zestiende eeuw, waar hij meende dat het één onafscheidelijk was van het ander. Zulke misvattingen bestaan tot op de dag van vandaag. Zelfs Den Tex meende in zijn biografie van Oldenbarnevelt dat men de hervormde kerk wel kon bezoeken zonder te communiceren, maar dan liep men het risico vermaand te worden door de dominee en met de nek aangezien te worden door medekerkgangers. Hoewel dit logisch klinkt, wordt het door bronnen weerlegd. Zolang de liefhebbers hun status handhaafden, werd er in het kerkelijk leven zoveel mogelijk rekening met hen gehouden.

De Invloed van 'Liefhebbers' in Kerkelijke Zaken
Bij de beroeping van een predikant spraken de liefhebbers mee, aangezien vaak het hele dorp bij deze zaken betrokken was. Ook bij kerkinstituering hadden de liefhebbers inspraak. In 1609 dienden niet alleen lidmaten, maar ook liefhebbers een verzoek in bij de classis Haarlem voor de aanbouw van een eigen kerk in Knollendam. De populariteit van een predikant werd eveneens in niet geringe mate door de liefhebbers bepaald. Toen ds. Bartholdi van Monnikendam in 1619 een beroep ontving naar Rotterdam, veroorzaakte dit grote onrust niet alleen onder de lidmaten, maar ook bij de toehoorders.
De invloed van de liefhebbers bleek ook negatief, wanneer de gemeente haar dominee kwijt wilde. In 1614 vroegen de 'broederen ende toehoorderen' van Akersloot de classis Haarlem om afzetting van hun predikant. Veel toehoorders bleven namelijk om zijnentwil weg uit de kerk of kwamen niet tot toetreding. Wanneer de liefhebbers zich niet direct uitspraken over kerkelijke zaken, werd hun oordeel soms door de classis gevraagd. De classis Haarlem liet in 1609 te Limmen informeren naar de gedragingen van ds. Snoeck bij 'soo wel die toehoorders als litmaten'. Gedeputeerden van de classis Edam bespraken bij een onderzoek te Schardam en Etersheim de klachten over ds. Winsemius met kerkeraadsleden, lidmaten 'ende andere goede liefhebbers'. Het toevoegsel 'goed' suggereert dat er verschil in kwaliteit kon zijn.

Van Toehoorder tot Lidmaat: Een Geleidelijk Proces
Het gewone type van de liefhebber was het kerklid in wording. Waar veel toehoorders waren, was ook 'apparente hope van aenwas'. Doorgaans liet men de hoorders zo veel mogelijk zelf de beslissing nemen. De ambtelijke zorg van de kerk was primair gericht op de lidmaten. Geen predikant of ouderling sprak individuele inwoners aan. Pas wanneer een toehoorder door regelmatige kerkgang en een voorzichtige levenswandel blijk gaf te voldoen aan de vereisten voor lidmaatschap, gingen kerkeraadsleden hem bezoeken. Er werd dan van hem verwacht dat hij zich verder inspande om tot het avondmaal toe te treden.
Dit gold ook voor andere gemeenten: men keek pas naar iemand om als hij feitelijk rijp was voor het lidmaatschap. De gemiddelde leeftijd van aangenomen lidmaten lag waarschijnlijk aanzienlijk hoger dan later het geval was. De redenen voor late toetreding werden zelden opgegeven, maar konden worden vermoed. Kerkeraden waren ook voorzichtig met het aannemen van lidmaten. In de notulenboeken werd weliswaar vaak opgetekend dat er omvraag werd gedaan naar kandidaten voor het lidmaatschap, maar men beperkte zich tot 'personen die haer wel dragen' en die door hun 'neersticheyt in 't gehoor ende stichtelijckheyt van leven daertoe goede hope geven'. Vanwege deze voorzichtigheid groeide de hervormde kerk slechts langzaam in de eerste decennia van haar bestaan.
Omvang en Samenstelling van de Hervormde Gemeenten
De beschikbare cijfers laten zien dat de gemeenten nog klein waren. De groei was onmiskenbaar, maar de maxima waren nog lang niet bereikt. Zwartewaal had in 1658 199 lidmaten, en de gemeente van Stolwijk groeide in 1676 tot 234. Er waren echter ook in het begin van de 17e eeuw al grote dorpsgemeenten. Zoetermeer telde in 1605 229 lidmaten, maar op het totale aantal inwoners - 1649 in 1622 - vormden zij nog een minderheid. Een gemeente met meer dan 80 à 90 lidmaten gold al als groot. Dit beeld zien we elders terug: de kerk van Oosthuizen en Warder noemde zich in 1620 'een grote gemeynte' met alleen al in Oosthuizen zo'n 100 lidmaten. In De Kaag kwam volgens een opgave van 1608 iedere zondag een groot gehoor bijeen, meer dan 200 personen, waarbij de lidmaten waarschijnlijk een minderheid vormden. De gemeente van Hem, die in 1625 65 lidmaten had, voelde zich in 1616 groot genoeg om zich los te maken van Veenhuizen, omdat de oorspronkelijke reden - de versterking van de gemeente tegen spot van andere secten - niet meer nodig was. Met vijftig communicanten kon men dus voor de dag komen zonder vrees voor spot.
De stadsgemeenten waren doorgaans groter, maar ook hier moest men niet overdrijven. Het orthodoxe Enkhuizen had in 1620 'naebij de 3.000 ledematen' op een bevolking van ongeveer 20.000. Gezien Enkhuizens reputatie van kerksheid, is het waarschijnlijk dat hogere percentages dan die van Enkhuizen in Holland zelden voorkwamen. Een stad als Den Briel met 700 lidmaten in 1616 - op een bevolking van 3632 in 1622 - had dus een in verhouding zeer grote hervormde gemeente. Voor Amsterdam wordt uit 1615 een nog hogere opgave gegeven door Trigland - meer dan 20.000 lidmaten - maar dit lijkt een ruwe schatting, mogelijk inclusief alle toehoorders. Haarlem, dat in 1619 de faam had van het trekken van 'een extreem gehoor' naar de predikatiën, had de beschikking over drie kerkgebouwen.

Hoewel de getallen voorzichtigheid gebieden, mogen de lage aantallen niet te absoluut worden gezien. Zo mag men aan het getal 357 voor Rotterdam in 1612 niet te veel waarde hechten, aangezien de hervormde gemeente toen vier predikanten had, evenveel als Enkhuizen, een stad van vergelijkbare omvang. Bovendien bestond er een Waalse gemeente. Het aantal kerkgangers moet voor beide steden nagenoeg even groot zijn geweest, aangezien het aantal predikanten werd afgestemd op het aantal preekbeurten. Als het getal van 357 lidmaten juist was, waren er in Rotterdam ongewoon veel liefhebbers in verhouding tot het aantal lidmaten, wat duidt op een mogelijke mentaliteitsverandering tijdens de Bestandstwisten. Dit alles toont aan dat de hervormde kerk, zowel in steden als dorpen, nog geen allesbeheersende positie innam, al waren er factoren die haar invloed groter deden lijken dan de cijfers aangaven.
De Rol van Vrouwen en Kinderen in de Kerk
Een van de factoren die de invloed van de hervormde kerk vergrootte, was de gemengde samenstelling van veel gezinnen, waarin lidmaten, liefhebbers en andersdenkenden onder één dak samenwoonden. Hierdoor konden alle gezinsleden regelmatig in contact komen met predikanten of ouderlingen. In de regel sloten vrouwen zich gemakkelijker aan bij de hervormde kerk; in veel gemeenten waren zij sterk in de meerderheid. Zo vond men in 1605 te Hillegersberg 34 vrouwen tegen 24 mannen, in 1611 te Zwartewaal 57 tegen 34, en in Naaldwijk in 1619 58 tegen 37. Ook in steden kwamen deze verhoudingen voor; Lydius had in zijn kwartier te Oudewater 60 mannen en 97 vrouwen, en in Alkmaar vond men in 1587 onder de lidmaten 159 mannen en 281 vrouwen.
In de kerkelijke statistiek van die tijd was geen kolom voor kinderen opgenomen, aangezien de zeventiende-eeuwse kerk geen doopleden kende in de moderne zin. Hoewel men niet altijd iedereen doopte die naar het doopvont werd gebracht, was men wel geneigd kinderen te dopen, zelfs als hun ouders geen lidmaat waren, zoals kinderen van afgesnedenen, katholieken of onkerkelijken. Dit roept de vraag op of de doop 'normaal' slechts bediend werd aan kinderen van lidmaten. Een toekomstig lid van de Dordtse synode, Bartholdi van Monnikendam, achtte het in 1600 zelfs een onschriftmatig gevoelen de doop alleen aan kinderen van lidmaten te bedienen.

De grondslag voor de doop in de zeventiende-eeuwse kerken was niet zozeer dat de ouders christenen waren, maar dat het kind zelf tot de christenheid behoorde. In 1608 weigerde predikant Simon Ockerse te Westzaan de doop aan een kind van ongedoopte ouders, omdat de moeder lidmaat was. Dit leidde ertoe dat de moeder zich samen met haar kind liet dopen, maar de zaak wekte opschudding. Ockerse vroeg advies aan de classis, wat de nadruk legde op het recht van het kind op de doop, zelfs als de ouders het verbondszegel niet hadden ontvangen. Dit was ook de opvatting van de generale synode te Dordrecht in 1578, die bevestigend antwoordde op de vraag of kinderen van hoereerders, afgesnedenen of papisten gedoopt mochten worden, 'overmidts de doop den kinderen die int verbont Gods staen toekoemt, ende het ghewis is, dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn'. Deze kinderen behoorden tot de christenheid, het nieuwe Israël.
Veel kerken gingen verder dan het advies van de classis Haarlem in 1608, die verlangde dat de ouders geen openbare verachters van de godsdienst zouden zijn. Zij volgden de ruimere praktijk die de synode van 1578 mogelijk maakte. Een moeilijkheid deed zich echter voor: ouders waren verplicht bij de doopsbediening hun instemming te betuigen met de kerkleer en te beloven de kinderen in die geest op te voeden. Wilde men kinderen van hoereerders, papisten en afgesnedenen dopen, dan had het vorderen van deze beloften weinig zin. Hierdoor vond het gebruik ingang om een getuige te laten optreden, een persoon die wel bereid en bevoegd was de belofte te doen. Dat de getuigen religieus moesten zijn, lidmaten dus, was echter geen eis die overal gold.
Aan de verplichting tot het stellen van getuigen werd niet algemeen voldaan. In Edam werd in 1613 geklaagd dat kinderen met kinderen bij het doopvont verschenen. De kerkeraad maande de gemeente en alle toehoorders dit niet meer te laten gebeuren. Nog in 1621 besprak de classis Edam de vraag hoe de misbruiken rondom de doop te weren. De Noordhollandse synode constateerde dat men in sommige dorpen de doopvragen achterwege liet. Vermoedelijk durfde men de consequentie niet aan de doop te weigeren aan kinderen wier ouders of getuigen de belofte niet wilden geven. In 1612 deed zich een dergelijk geval voor in de classis Dordrecht, waar de ouders openlijk met 'neen' antwoordden op de vraag hun kind in de christelijke gereformeerde religie op te voeden.
De Sacramenten: Doop en Avondmaal
De doop is een van de twee sacramenten in de Protestantse Kerk, naast het avondmaal. De kerkorde spreekt van 'heilige Doop', een handeling die de liefde en trouw van God zichtbaar maakt. De kinderdoop is een belangrijk gebruik, gebaseerd op het verbond dat God met mensen sluit. In het Oude Testament belooft God Abraham en zijn nakomelingen bij te staan, en roept Hij hen op voor Hem te leven. Het teken voor de opname in het verbond was de besnijdenis. In het Nieuwe Testament krijgt het verbond een bredere betekenis, en de doop is het zichtbare teken voor de uitbreiding van het verbond naar de heidenen.
Ouders kunnen hun kind ten doop houden als teken van Gods liefde die aan het leven van hun kind voorafgaat. De bediening van de doop aan volwassenen is ook mogelijk, voor hen die pas op latere leeftijd in aanraking komen met het christelijk geloof, of die niet als kind gedoopt zijn omdat hun ouders hen die keuze wilden laten. Bij volwassenendoop hoort een geloofsbelijdenis. Na doop en geloofsbelijdenis wordt men belijdend lid van de Protestantse Kerk. De doop vindt meestal plaats in een gewone kerkdienst, in aanwezigheid van de gemeente, door besprenkeling van het voorhoofd met water, met de woorden: 'Ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest'. Alleen in evangelicale gemeenten kan gedoopt worden door volledige onderdompeling. In bijzondere gevallen, zoals in een ziekenhuis, kan de doop elders plaatsvinden, met naast de predikant een ouderling en zo mogelijk een afvaardiging uit de gemeente.
In sommige gemeenten met een traditionelere kerkelijke ligging wordt bij de doop gebruikgemaakt van een doopformulier, een liturgische tekst die de betekenis van de doop uitlegt. Bij elke doop wordt een doopkaart aangeboden, soms ook een doopkaars namens de kerkenraad. De Protestantse Kerk erkent de doop als een eenmalige gebeurtenis die niet herhaald wordt. Vier criteria zijn hierbij van belang: (1) de doop vond plaats in of vanwege een christelijke kerk, (2) door een bevoegd persoon, (3) met water, en (4) in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Een doop in een andere christelijke kerk wordt erkend. Voor mensen met vragen over hun doop biedt de kerk mogelijkheden voor doopgedachtenis of doopbevestiging.
De doop mag alleen worden bediend door een bevoegd predikant of kerkelijk werker met sacramentsbevoegdheid. De doop is een ambtelijke handeling die voorbehouden is aan hen die daartoe geordineerd zijn. De doop vindt in principe plaats in een openbare kerkdienst, wat benadrukt dat de dopeling niet alleen verbonden wordt met Christus, maar ook opgenomen in de gemeenschap van de kerk. Bij elke doop herdenken de aanwezigen hun eigen doop, vaak door de geloofsbelijdenis te zingen of uit te spreken. Dit gebeurt in het bijzonder tijdens de Paaswake op Stille Zaterdag, waarbij de gemeente rondom de doopvont wordt herinnerd aan de doop.
De doop is niet verplicht, maar wordt gezien als een belangrijk sacrament. Voor het lidmaatschap van de Protestantse Kerk is de doop wel een voorwaarde. Wie belijdend lid wil worden, moet gedoopt zijn of zich bij de belijdenis laten dopen. Elke gemeente houdt een doopboek bij, waarin alle dopen worden geregistreerd. Dit boek heeft een praktische en symbolische functie en is een tastbaar teken dat iemand is opgenomen in de gemeenschap van de kerk. Een doopbewijs kan worden aangevraagd bij de gemeente waar de doop heeft plaatsgevonden.
De oorsprong van de kinderdoop
Het avondmaal, het andere sacrament, is voor de hervormde kerk een centraal punt. De deelname aan het avondmaal was, zoals eerder vermeld, een belangrijke indicator van lidmaatschap. De 'liefhebbers' stonden vaak nog buiten deze gemeenschap, hoewel hun betrokkenheid bij het kerkelijk leven onmiskenbaar was.